- Arrest van 22 maart 2012

22/03/2012 - C.10.0152.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De regel dat bij het bepalen van de waarde van het onteigende perceel geen rekening wordt gehouden met de waardevermeerdering of -vermindering die voortvloeit uit de voorschriften van een ruimtelijk uitvoeringsplan, geldt slechts voor zover de onteigening wordt gevorderd met het oog op de verwezenlijking van dat ruimtelijk uitvoeringsplan; deze regel belet niet dat bij de waardering van het onteigende perceel rekening wordt gehouden met de planologische bestemming van het onteigende perceel vóór de bestemmingwijziging door het ruimtelijk uitvoeringsplan ter verwezenlijking waarvan de onteigening wordt doorgevoerd, maar verhindert daarentegen wel dat rekening wordt gehouden met de waardevermeerdering of -vermindering volgend uit de wijziging door dit ruimtelijk uitvoeringsplan van de voorheen geldende planologische bestemming (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0152.N

E.V.D.B.,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

PROVINCIALE ONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ ANTWERPEN, met zetel te 2018 Antwerpen, Koningin Elisabethlei 22,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 1 december 2009.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft op 27 januari 2012 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 72, § 1, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999, wordt bij het bepalen van de waarde van het onteigende perceel geen rekening gehouden met de waardevermeerdering of -vermindering die voortvloeit uit de voorschriften van een ruimtelijk uitvoeringsplan, voor zover de onteigening wordt gevorderd met het oog op de verwezenlijking van dat ruimtelijk uitvoeringsplan.

2. De regel dat bij het bepalen van de waarde van het onteigende perceel geen rekening wordt gehouden met de waardevermeerdering of -vermindering die voortvloeit uit de voorschriften van een ruimtelijk uitvoeringsplan, geldt slechts voor zover de onteigening wordt gevorderd met het oog op de verwezenlijking van dat ruimtelijk uitvoeringsplan.

Die regel belet niet dat bij de waardering van het onteigende perceel rekening wordt gehouden met de planologische bestemming van het onteigende perceel vóór de bestemmingswijziging door het ruimtelijk uitvoeringsplan ter verwezenlijking waarvan de onteigening wordt doorgevoerd.

Hij verhindert daarentegen wel dat rekening wordt gehouden met de waardevermeerdering of -vermindering volgend uit de wijziging door dit ruimtelijk uitvoeringsplan van de voorheen geldende planologische bestemming.

3. Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

4. De appelrechters oordelen dat:

- de eiser geen beroep heeft ingesteld bij de Raad van State tegen het gewestplan, waarvan hij de onwettigheid aanvoert, noch enige vordering tot vergoeding wegens planschade heeft ingesteld;

- uit de aan het gewestplan voorafgaande voorbereidende en motiverende documenten blijkt dat er sprake was van een overaanbod aan nijverheidsgebieden;

- in het voorontwerp van gewestplan wordt gesteld: "7. Ruisbroek: A.P.A., KB 28.8.1961 - ... - De nijverheidszone is, in het gewestplan, ten zuiden beperkter, omwille van de ligging in een beschermd landschap en een prioritaire landbouwzone, die hier speciaal als bufferzone werd gepland";

- er dus wel degelijk redenen waren voor de herbestemming door het gewestplan;

- niet blijkt dat het door de eiser aangevoerd advies van de Regionale Commissie van Advies betrekking had op zijn gronden en dat dit advies overigens laattijdig werd uitgebracht, zodat met dit advies geen rekening mocht worden gehouden;

- moet worden vastgesteld dat geen volledig administratief dossier in verband met dit gewestplan wordt voorgelegd;

- onder meer het advies van de gemeente Puurs-Ruisbroek, de eventuele bezwaren, de plannen, het advies van de Raad van State ontbreken;

- de eiser derhalve niet aantoont dat het gewestplan onwettig zou zijn.

5. De appelrechters weerleggen en beantwoorden aldus het bedoelde verweer.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

6. Krachtens artikel 159 Grondwet passen de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe in zover zij met de wetten overeenstemmen.

7. De aldus op elk met eigenlijke rechtspraak belast orgaan rustende macht en plicht de interne en externe wettigheid na te gaan van elke administratieve akte waarop een vordering, verweer of exceptie is gegrond, belet niet dat het voor de burgerlijke rechter in beginsel behoort aan de partij die de exceptie van onwettigheid inroept, om overeenkomstig artikel 870 Gerechtelijk Wetboek de stukken en elementen aan te brengen noodzakelijk voor die wettigheidstoets, onverminderd de mogelijkheid voor de rechter om iedere procespartij te bevelen het bewijsmateriaal dat zij bezit over te leggen.

8. De appelrechters oordelen dat:

- moet worden vastgesteld dat geen volledig administratief dossier in verband met dit gewestplan wordt voorgelegd;

- onder meer het advies van de gemeente Puurs-Ruisbroek, de eventuele bezwaren, de plannen, het advies van de Raad van State ontbreken;

- de eiser derhalve niet aantoont dat het gewestplan onwettig zou zijn.

9. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat, wanneer een definitief gewestplan afwijkt van het ontwerp-gewestplan, moet worden aangenomen dat het definitieve gewestplan nietig is, tenzij de partij die zich op dit plan beroept aantoont dat de afwijking betrekking heeft op bezwaren of opmerkingen tijdens het openbaar onderzoek naar voren gebracht of blijkend uit geformuleerde adviezen, kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 439,19 euro en voor de verweerster op 287,54 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en op de openbare rechtszitting van 22 maart 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Onteigend perceel

  • Waardebepaling

  • Criteria

  • Ruimtelijk uitvoeringsplan

  • Waardevermeerdering of -vermindering

  • Planologische bestemming

  • Wijziging