- Arrest van 23 maart 2012

23/03/2012 - D.11.0002.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De niet-naleving van de verplichting om in de akte van hoger beroep de grieven te vermelden, leidt alleen tot nietigheid van de akte indien zij de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt.

Arrest - Integrale tekst

Nr. D.11.0002.F

W. D.,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

ORDE DER APOTHEKERS,

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing van de Franstalige raad van be-roep van de Orde der apothekers van 23 december 2010.

Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert de volgende twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 2 en 1057 van het Gerechtelijk Wetboek;

- de artikelen 21 tot 25 van het koninklijk besluit nr. 80 van 10 november 1967 betreffende de Orde der apothekers;

- de artikelen 32 tot 36 van het koninklijk besluit van 29 mei 1970 tot regeling van de organisatie en de werking der raden van de Orde der apothekers.

Aangevochten beslissingen

De bestreden beslissing verklaart het hoofdberoep ontvankelijk.

De beslissing is gegrond op de sub 1.1 opgegeven redenen, en meer bepaald op de volgende overweging:

"Krachtens artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek zijn de in dit wetboek gestelde regels van toepassing op alle rechtsplegingen, behoudens wanneer deze geregeld worden door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbeginselen, waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van dit wetboek.

Dat artikel betekent dat een in het Gerechtelijk Wetboek gestelde regel niet van toepassing is op een welbepaalde rechtspleging wanneer die regel tegengesproken wordt of die rechtspleging anders georganiseerd is, hetzij door een vroegere, niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepaling, hetzij door een latere wetsbepaling.

Dit is te dezen het geval.

Noch de artikelen 21 en volgende van het koninklijk besluit nr. 80 van 10 november 1967 die de procedure van hoger beroep tegen de beslissingen van de provinciale raden van de Orde der apothekers regelen, noch de artikelen 32 en volgende van het koninklijk besluit van 29 mei 1970 tot regeling van de organisatie en de werking der raden van de Orde der apothekers leggen de verplichting op tot uitdrukkelijke motivering van het hoger beroep.

Krachtens artikel 25, § 4, van het koninklijk besluit nr. 80 van 10 november 1967, nemen de raden van beroep kennis van het geheel van de zaak, zelfs indien enkel hoger beroep werd ingesteld door de apotheker.

Het ontbreken van een uitdrukkelijke motivering tast de intrinsieke geldigheid van de akte van hoger beroep niet aan - of die nu uitgaat van de apotheker dan wel van de voorzitter van de nationale raad die samen met de magistraat-bijzitter van de nationale raad optreedt -, daar het tegensprekelijk debat de appellanten in de gelegenheid stelt hun grieven tegen de bestreden beslissing naar voren te brengen.

Het hoger beroep is ontvankelijk".

Grieven

Krachtens artikel 1057, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek vermeldt de akte van hoger beroep, op straffe van nietigheid, de uiteenzetting van de grieven, met uitzondering van het geval waarin het bij conclusie wordt ingesteld. Om aan die verplichting te voldoen, is het noodzakelijk maar voldoende dat de appellant zijn grieven tegen de bestreden beslissing vermeldt. Die vermelding moet klaar en duidelijk genoeg zijn om de geïntimeerde in staat te stellen zijn conclusie voor te bereiden en om de appelrechter in staat te stellen de draagwijdte ervan te beoordelen.

Artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de in dit wetboek gestelde regels van toepassing zijn op alle rechtsplegingen, behoudens wanneer deze geregeld worden door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbeginselen waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van dit wetboek.

Dat artikel impliceert dat een in het Gerechtelijk Wetboek gestelde regel niet van toepassing is op een welbepaalde rechtspleging wanneer die regel tegengesproken wordt of de rechtspleging anders georganiseerd is, hetzij door een vroegere, niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepaling, hetzij door een latere wetsbepaling. Bij gebrek aan andersluidende bepalingen zijn daarentegen de regels van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing.

Het hoger beroep tegen de beslissingen van de provinciale raden van de Orde der apothekers wordt geregeld door de artikelen 21 tot 25 van het koninklijk besluit nr. 80 van 10 november 1967 betreffende de Orde der apothekers en de artikelen 32 tot 36 van het koninklijk besluit van 29 mei 1970 tot regeling van de organisatie en de werking der raden van de Orde der apothekers. Die teksten bevatten geen enkele bepaling die afwijkt van artikel 1057 van het Gerechtelijk Wetboek.

De in artikel 1057 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde verplichting om de akte van hoger beroep met redenen te omkleden, is derhalve van toepassing op het hoger beroep tegen een beslissing van een provinciale raad van de Orde der apothekers.

De bestreden beslissing oordeelt echter dat uit de artikelen 21 en volgende van het koninklijk besluit nr. 80 van 10 november 1967 en de artikelen 32 en volgende van het koninklijk besluit van 29 mei 1970 volgt dat artikel 1057, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek te dezen niet van toepassing is en dat het ontbreken van een uitdrukkelijke motivering de intrinsieke geldigheid van de akte van hoger beroep niet aantast, daar het tegensprekelijk debat de appellanten in de gelegenheid stelt hun grieven tegen de beroepen beslissing naar voren te brengen.

De bestreden beslissing die aldus uitspraak doet in algemene bewoordingen, vat de artikelen 21 tot 25 van het koninklijk besluit nr. 80 van 10 november 1967 betreffende de Orde der apothekers en de artikelen 32 tot 36 van het koninklijk besluit van 29 mei 1970 tot regeling van de organisatie en de werking der raden van de Orde der apothekers op als een afwijking van artikel 1057, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek, hoewel die niet voorkomt in deze bepalingen (schending van de artikelen 21 tot 25 van het koninklijk besluit nr. 80 van 10 november 1967 en van de artikelen 32 tot 36 van het koninklijk besluit van 29 mei 1970) en weigert bijgevolg ten onrechte om artikel 1057, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek toe te passen overeenkomstig het vereiste van artikel 2 van datzelfde wetboek (schending van de artikelen 2 en 1057, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek en, voor zover nodig, van de andere in het middel aangewezen bepalingen).

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Artikel 1057, 7°, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de akte van hoger beroep, met uitzondering van het geval waarin het bij conclusie wordt ingesteld, op straffe van nietigheid de uiteenzetting van de grieven vermeldt.

Overeenkomstig artikel 861 Gerechtelijk Wetboek, kan de rechter evenwel een proceshandeling alleen dan nietig verklaren indien het aangeklaagde verzuim of de aangeklaagde onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt.

De bestreden beslissing stelt vast dat de voorzitster van de nationale raad van de Orde der apothekers, samen met de magistraat-bijzitter optredend, hoger beroep heeft ingesteld, dat de partijen conclusies en aanvullende conclusies hebben uit-gewisseld en dat zij zijn gehoord op een openbare terechtzitting.

De bestreden beslissing wijst erop dat, krachtens artikel 25, § 4, van het koninklijk besluit nr. 80 van 10 november 1967 betreffende de Orde der apothekers, de raden van beroep kennisnemen van het geheel van de zaak, zelfs indien enkel hoger beroep werd ingesteld door de apotheker, en beslist dat "het ontbreken van een uitdrukkelijke motivering de intrinsieke geldigheid van de akte van hoger beroep niet aantast, daar het tegensprekelijk debat de appellanten in de ge-legenheid stelt hun grieven tegen de bestreden beslissing naar voren te brengen".

Uit die redenen volgt dat, volgens de raad van beroep, het ontbreken van een uit-drukkelijke motivering van de akte van hoger beroep de belangen van de eiser niet heeft geschaad.

De beslissing dat het hoger beroep ontvankelijk is, wordt dus verantwoord door een rechtsgrond die is afgeleid uit artikel 861 Gerechtelijk Wetboek.

Het middel dat, al was het gegrond, niet tot cassatie kan leiden, heeft geen belang en is derhalve niet ontvankelijk.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert

Fettweis, de raadsheren Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare te-rechtzitting van 23 maart 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Akte van hoger beroep

  • Geen vermelding van de grieven

  • Sanctie