- Arrest van 27 maart 2012

27/03/2012 - P.11.1739.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Conclusie van eerste advocaat-generaal De Swaef.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1739.N

G. M. V.,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Bart Spriet, advocaat bij de balie te Turnhout.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 20 september 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft op 13 februari 2012 ter griffie een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: met de redenen dat de eiser met de telastleggingen van de dagvaarding wordt verweten voor Print Star bvba btw in aftrek te hebben gebracht die niet overeenstemt met bewezen leveringen van goederen en diensten in facturen, dat het hem verweten misdrijf bestaat in de vraag naar het al dan niet bewezen zijn van het materieel feit van de onderliggende levering en dat het de wil is van de wetgever de uitoefening van een recht op aftrek inzake btw strafbaar te stellen indien de onderliggende materiële levering niet is aangetoond, geeft het arrest aan deze telastleggingen een uitlegging die onverenigbaar is met de inhoud en de bewoordingen ervan; de eiser wordt immers uitsluitend vervolgd voor fiscale valsheid in geschriften en niet voor btw-fraude bestaande in de bedrieglijke aftrek van btw door Print Star bvba.

2. De eiser wordt vervolgd wegens het plegen van valsheid in openbare, handels- of private geschriften met het oogmerk de bepalingen van het Btw-wetboek of de ter uitvoering ervan genomen besluiten bedrieglijk te overtreden. Meer concreet wordt hem verweten om met het bedrieglijk oogmerk de door Print Star bvba verschuldigde btw te verminderen, valse facturen aan Print Star te hebben opgesteld of laten opstellen, daar de gefactureerde goederen en diensten nooit zijn geleverd en deze facturen ook niet werden opgenomen in de btw-aangiften van de zogezegde leveranciers.

3. Met de in het middel aangehaalde redenen geeft het arrest (p. 4, vijfde alinea en p. 6, vierde en vijfde alinea) aan dat de vervolging geen betrekking heeft op wat de eiser in zijn appelconclusie een btw-carrousel noemt en beschrijft het de aan de eiser verweten waarheidsvermomming en het bedrieglijk opzet. Aldus oordeelt het arrest niet dat de eiser wordt vervolgd voor de door artikel 73 Btw-wetboek bedoelde fiscale fraude en geeft het aan de telastleggingen van de dagvaarding een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Tweede middel

4. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 14.2 IVBPR, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen inzake de bewijslast in strafzaken: het arrest legt de bewijslast inzake de juistheid van al de in de facturen vermelde leveringen van goederen en diensten geheel bij de eiser en gebruikt het niet voorhanden zijn van verplichte bewijzen tegenover de btw-administratie als een bewijs van een fiscaal misdrijf in de strafzaak; het arrest doet dit met de volgende redenen:

- de eiser slaagt er als zaakvoerder van Print Star bvba niet in het bewijs van de daadwerkelijke levering van goederen en diensten in de bedoelde facturen in hun geheel in te vullen;

- door de eiser wordt niet aangetoond dat alle in de door de telastleggingen bedoelde facturen opgenomen goederen en diensten geleverd zijn;

- de regeling der bewijslastverdeling in strafzaken laat toe dat de rechter onderzoekt of de eigenlijke leveringen van goederen en diensten niet in hun geheel zijn aangetoond;

- het behoort tot de normale handelsgebruiken en de plicht van de eiser tegenover de btw-administratie bij het vorderen van het recht op aftrek van btw-voorbelasting het bestaan van de leveringen van goederen en diensten aan te tonen door een geheel van documenten of gegevens, die de echtheid van de leveringen kunnen aantonen en het blijkt dat het bewijs in deze zaak niet geheel voorhanden is.

5. Het arrest (p. 4, tweede en zevende alinea) oordeelt niet enkel dat de eiser als zaakvoerder van Print Star bvba niet erin slaagt het bewijs van de daadwerkelijke levering van goederen en diensten in de bedoelde facturen in hun geheel in te vullen. Het grondt het oordeel dat de voorgewende leveringen van goederen en diensten vermeld op de facturen van de telastleggingen niet alle zijn bewezen en aangetoond ook op de vaststelling dat Print Star bvba en de eiser als leidinggevende persoon geen controleerbare en verifieerbare gegevens konden voorleggen omtrent de bestelling naar aard en hoeveelheid van goederen en diensten en omtrent de levering (arrest, p. 4, eerste alinea).

Het middel berust in zoverre op een onvolledige lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag.

6. Met het geheel van die redenen stelt het arrest vast, zonder aan de eiser enige bewijslast op te leggen, dat geen controleerbare en verifieerbare bestel- en leveringsgegevens voorhanden zijn omtrent de op de facturen vermelde goederen en diensten.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

7. Het arrest (p. 6, derde alinea en p. 7, vierde alinea) oordeelt niet alleen dat de regeling der bewijslastverdeling in strafzaken toelaat dat de rechter onderzoekt of de eigenlijke leveringen van goederen en diensten niet in hun geheel zijn aangetoond en dat het tot de normale handelsgebruiken en de plicht van de eiser tegenover de btw-administratie behoort bij het vorderen van het recht op aftrek van btw-voorbelasting het bestaan van de leveringen van goederen en diensten aan te tonen door een geheel van documenten of gegevens die de echtheid van de leveringen kunnen aantonen en het blijkt dat het bewijs in deze zaak niet geheel voorhanden is. Het oordeelt ook dat geen gebruik wordt gemaakt van een omkering van de bewijslast op strafrechtelijk gebied, dat de eiser niet tot enig bewijs is gehouden, dat van de eiser geen medewerking in de bewijslevering wordt gevraagd en dat het bij de strafrechtelijke beoordeling betrekken van de afwezigheid van bewijslevering bij de fiscale controle van Print Star bvba wat betreft de echtheid van de leveringen, niet inhoudt dat eisers schuld wordt aangenomen op grond van enige afwezigheid van medewerking van zijnentwege bij de bewijslevering.

Het middel berust in zoverre op een onvolledige lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag.

8. Het arrest kon mede op die gronden, zonder daarbij aan de eiser enige bewijslast op te leggen, beslissen tot zijn schuld aan het hem ten laste gelegde.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Derde middel

9. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: de eiser voerde voor de appelrechters aan dat de niet-voeging van een volledig strafdossier in plaats van een door het openbaar ministerie gemaakte selectie zijn recht van verdediging miskent; het strafdossier is voortgevloeid uit het te voegen dossier, het strafdossier verwijst voortdurend naar het te voegen dossier en het strafdossier steunt voornamelijk op het te voegen dossier; het door het arrest op dit verweer gegeven algemeen antwoord en de juridische gevolgtrekking dat er geen miskenning is van eisers recht van verdediging, miskent eisers recht op een eerlijk proces en zijn recht van verdediging.

10. De rechter oordeelt in feite en derhalve onaantastbaar of een onderzoeksmaatregel noodzakelijk, raadzaam en gepast is om tot zijn overtuiging te komen. Het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging zijn niet miskend door de enkele omstandigheid dat de rechter een gevraagde onderzoeksmaatregel niet noodzakelijk acht.

Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt in zoverre naar recht.

11. Het arrest verwerpt eisers verzoek tot voeging van een bepaald strafdossier niet alleen omwille van de in het middel aangehaalde redenen. Het wijst dit verzoek ook af op de grond dat enkel de facturen vermeld in de telastleggingen voorwerp zijn van de strafvervolging en geen andere onderzoeksdaden noodzakelijk worden geacht om met kennis van zaken over de voorgelegde strafvervolging te kunnen oordelen (arrest, p. 5, laatste alinea).

Het middel dat berust op een onvolledige lezing van het arrest, mist in zoverre feitelijke grondslag.

12. Met de voormelde redenen verantwoordt het arrest zonder miskenning van eisers recht op een eerlijk proces en zijn recht van verdediging de afwijzing van het verzoek tot voeging van een strafdossier.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Vierde middel

13. Het middel voert schending aan van artikel 73bis Btw-wetboek en artikel 66 Strafwetboek: het arrest oordeelt dat het aan de eiser verweten misdrijf bestaat in de vraag of het materieel feit, zijnde de onderliggende levering, al dan niet aanwezig is en al dan niet is bewezen, zonder dat het bijkomend vaststelt dat het vereiste bijzonder opzet of minstens het deelnemingsopzet in hoofde van de eiser aanwezig is.

14. Het arrest (p. 6-7) oordeelt niet alleen zoals aangehaald in het middel, maar ook dat de schuld van de eiser voor onbepaalde bedragen vaststaat daar de uitoefening van het recht op aftrek en de opname van de bewuste facturen in de boekhouding van Print Star bvba in hoofde van de eiser gebeurde met het opzet zoals omschreven in de telastlegging en op een aan hem strafrechtelijk toerekenbare wijze.

Met die redenen stelt het arrest het in hoofde van de eiser vereiste moreel bestanddeel vast.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Vijfde middel

15. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de eiser heeft in zijn appelconclusie aangevoerd dat de leveringen vermeld in al de facturen van de telastleggingen werkelijke leveringen waren, dat hij te allen tijde enkel facturen heeft betaald en ingeboekt die overeenstemden met werkelijke leveringen en dat alle facturen werden betaald via overschrijvingen en aan normale prijzen; het arrest dat op algemene wijze oordeelt dat moet worden aangenomen dat niet alle in de facturen opgenomen goederen en diensten vermeld op de facturen daadwerkelijk geleverd zijn, dat de leveringen van goederen en diensten vermeld op de facturen niet alle bewezen en aangetoond zijn en dat de eiser schuldig is aan de telastleggingen a tot en met e voor niet nader te bepalen bedragen of onbepaalde bedragen inzake de verschuldigde btw is niet regelmatig met redenen omkleed en beantwoordt niet het aangevoerde verweer; het arrest had nauwkeurig moeten omschrijven welke concrete leveringen op de facturen vals waren.

16. Met de redenen dat een effectieve betaling van de facturen eisers schuld niet uitsluit aangezien betalingen van facturen op zich niet tot het bewijs van daadwerkelijke leveringen leidt, beantwoordt het arrest (p. 7, derde alinea) eisers in appelconclusie aangevoerd verweer dat alle facturen ook aan normale marktprijzen werden voldaan.

Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

17. Met de redenen die het arrest (p. 3-7) bevat, beantwoordt het eisers in zijn appelconclusie aangevoerd verweer dat het niet om voorgewende maar om werkelijke leveringen ging en verantwoordt het naar recht eisers schuldigverklaring aan de telastleggingen a tot en met e voor onbepaalde bedragen, zonder dat het daarbij diende te preciseren welke concrete leveringen van goederen en diensten vals waren.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Zesde middel

18. Het middel voert schending aan van artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest houdt ten onrechte ambtshalve de burgerlijke belangen aan; aangezien de eiser alleen op strafgebied hoger beroep heeft ingesteld, hadden de appelrechters geen rechtsmacht om te oordelen over de burgerlijke rechtsvordering.

19. De door het middel bekritiseerde bevestiging van de beslissing van het beroepen vonnis om de burgerlijke belangen aan te houden, leidt ertoe dat eventuele burgerlijke partijen de burgerlijke rechtsvordering aanhangig kunnen maken voor de eerste rechter overeenkomstig artikel 4, derde tot en met elfde lid, Wetboek van Strafvordering.

De door het middel nagestreefde vernietiging van deze bevestigende beslissing om reden dat de appelrechters geen rechtsmacht hadden om zich op burgerlijk gebied uit te spreken, kan enkel tot gevolg hebben dat de eerste rechter bevoegd blijft om kennis te nemen van de burgerlijke rechtsvorderingen die overeenkomstig de in artikel 4, derde tot en met elfde lid, Wetboek van Strafvordering bij hem aanhangig kunnen worden gemaakt.

De eiser heeft geen belang bij het middel.

Het middel is bijgevolg niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

20. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 72,60 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Peter Hoet en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 27 maart 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Hoger beroep door beklaagde alleen op strafgebied

  • Ambtshalve aanhouden der burgerlijke belangen

  • Bevestiging in hoger beroep