- Arrest van 27 maart 2012

27/03/2012 - P.11.1264.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De herstelvordering van de stedenbouwkundige inspecteur, die een zelfstandige vordering betreft krachtens een bevoegdheid die het decreet aan de stedenbouwkundige inspecteur toekent en die hem toelaat als eiser tot herstel in het geding op te treden en rechtsmiddelen aan te wenden, beoogt niet de vergoeding van eigen schade of de bestraffing van de dader, maar de naleving van de stedenbouwkundige verplichtingen en het herstel van de goede ruimtelijke ordening die door het stedenbouwmisdrijf werd verstoord zodat die vordering noch te vereenzelvigen is met de burgerlijke rechtsvordering, noch met de vordering tot straf die het openbaar ministerie uitoefent (1). (1) Zie: Cass. 23 juni 2009, AR P.09.0276.N, AC, 2009, nr. 432.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1264.N

F. M. V.,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Antoon Lust, advocaat bij de balie te Brugge,

tegen

GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIGE INSPECTEUR, bevoegd voor de provincie West-Vlaanderen, met kantoor te 8000 Brugge, Werkhuisstraat 9,

eiser tot herstel,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 8 juni 2011, na arrest van het Hof van 3 november 2009 op verwijzing gewezen.

De eiser voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, tien middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 8 Gerechtelijk Wetboek, artikel 44 Strafwetboek, de artikelen 1, 3 en 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, de artikelen 22 en 434, derde lid, Wetboek van Strafvordering en artikel 6.1.41, § 1 en § 4, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het gezag van gewijsde, neergelegd in de artikelen 2, 23, 24, 25, 26 en 27 Gerechtelijk Wetboek: bij vorig arrest van 16 april 2009 waartegen het openbaar ministerie geen cassatieberoep instelde, werd definitief beslist dat de eiser geen stedenbouwmisdrijf had gepleegd; de herstelvordering, als aanvulling op de strafrechtelijke veroordeling, was bijgevolg eveneens komen te vervallen; door anders te oordelen hebben de appelrechters, met overschrijding van hun rechtsmacht en met miskenning van het gezag van gewijsde van voornoemd arrest, gehandeld alsof de publieke vordering voor hen nog aanhangig was en alsof verweerders vordering strekte tot vergoeding van persoonlijke schade.

2. De herstelvordering van de stedenbouwkundige inspecteur beoogt niet de vergoeding van eigen schade of de bestraffing van de dader, maar de naleving van de stedenbouwkundige verplichtingen en het herstel van de goede ruimtelijke ordening die door het stedenbouwmisdrijf werd verstoord.

Bijgevolg is de vordering van de stedenbouwkundige inspecteur niet te vereenzelvigen met de burgerlijke rechtsvordering noch met de vordering tot straf die het openbaar ministerie uitoefent. Het betreft een zelfstandige vordering krachtens een bevoegdheid die het decreet aan de stedenbouwkundige inspecteur toekent en die hem toelaat als eiser tot herstel in het geding op te treden en rechtsmiddelen aan te wenden.

3. De vernietiging, op het cassatieberoep van de stedenbouwkundige inspecteur, van de beslissing over de herstelvordering, met verwijzing naar een ander hof van beroep, brengt niet de vordering tot straf maar enkel de vordering tot herstel voor de verwijzingsrechter. Deze zal de feiten opnieuw moeten beoordelen, ongeacht de definitieve vrijspraak van de beklaagde op strafgebied.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Tweede middel

4. Het middel voert schending aan van de artikelen 426 en 427 Wetboek van Strafvordering, artikel 6.1.41 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en de artikelen 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het gezag van gewijsde, neergelegd in de artikelen 2, 23, 24, 25, 26 en 27 Gerechtelijk Wetboek: in zijn arrest van 3 november 2009 heeft het Hof aangenomen dat "onoverwinnelijke dwaling wegens passieve of dubbelzinnige houding van de administratieve overheid" mogelijk is; daaruit volgt dat er geen misdrijf is geweest in de periode van 1 februari 1988 tot 4 maart 1998; de appelrechters, die het arrest van 3 november 2009 anders uitleggen en oordelen nog te zijn gevat voor dit deel van de periode van incriminatie, miskennen de omvang van 's Hofs arrest alsook diens bewijskracht en gezag van gewijsde.

5. Het Hof heeft in zijn arrest van 3 november 2009 met de overweging dat "in zoverre de [eiser] door het vroeger gedogen van de oude constructie, samen met de houding van de gemeente Knokke-Heist ten aanzien van de nieuwe constructies, kan aannemen dat de oprichting zonder vergunning kon en derhalve niet onder de strafwet viel, dan nog kan na het stakingsbevel van 4 maart 1998 niet meer worden voorgehouden dat de [eiser] onwetend was over de wederrechtelijkheid en dat hij gehandeld heeft zoals elk normaal en voorzichtig persoon in dezelfde omstandigheden. (...)" niet geoordeeld dat de eiser uit het vroeger gedogen van de oude constructies en uit de houding van de overheid ten aanzien van de nieuwe constructies terecht in dwaling heeft kunnen verkeren tot 4 maart 1998, datum van het stakingsbevel.

Het middel berust op een verkeerde lezing van dit arrest en mist feitelijke grondslag.

Derde middel

6. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 6.1.4, § 1, 2°, en § 3, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, het besluit van de Vlaamse regering van 16 juli 2010 houdende goedkeuring van het Handhavingsplan Ruimtelijke Ordening 2010 (hierna: Besluit Handhavingsplan) en de artikelen 1320 tot 1322 Burgerlijk Wetboek: het Besluit Handhavingsplan bepaalt dat van de handhavende besturen wordt verwacht dat zij de duidelijke keuzes van de vergunningverlenende overheden mee helpen ondersteunen; voor het bouwwerk waarvan de afbraak wordt gevorderd bestaat een duidelijke planologische optie waarmee de destijds geformuleerde herstelvordering niet langer verenigbaar is; het arrest, dat oordeelt dat deze planologische optie waarop de verweerder overeenkomstig het Besluit Handhavingsplan acht moet slaan, niet zonder meer blijkt uit een enkel krantenbericht noch uit de mondelinge uitspraak van de bevoegde minister, sluit het bestaan van deze duidelijke planologische optie niet uit, maar laat die in het midden en schendt aldus artikel 6.1.4, § 1, 2° en § 3, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; door alleen te verwijzen naar een krantenbericht en naar een mondelinge uitspraak van de minister, slaan de appelrechters geen acht op eisers overige stukken, beantwoorden zij niet diens conclusie en verzoek tot heropening van het debat, maar miskennen zij de bewijskracht van die stukken.

7. Artikel 6.1.4, § 1, tweede lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalt: "Het Handhavingsplan omvat: (...) 2° beleidsregels die door de stedenbouwkundige inspecteurs en de ambtenaren, vermeld in het eerste lid, in acht worden genomen bij de uitoefening van hun toezichts- en handhavingstaak en van de overige bevoegdheden die hun krachtens [titel VI Handhavingsmaatregelen] worden opgedragen; (...) 4° aanbevelingen betreffende een preventieve en curatieve aanpak van misdrijven, vermeld in artikel 6.1.1."

Uit voormelde bepaling volgt niet dat de rechter de beoordeling van de herstelvordering moet schorsen in geval van onverenigbaarheid met latere beleidsregels of aanbevelingen die in een handhavingsplan zijn opgenomen.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt in zoverre naar recht.

8. Het arrest (p. 8) oordeelt niet alleen zoals in het middel wordt aangehaald, maar ook dat:

- er geen reden is tot een onbepaald uitstel;

- de kans dat het clubhuis zou opgenomen worden in een toekomstig, maar nog niet gefinaliseerd gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan geen dergelijk uitstel kan verantwoorden;

- daarop wachten in concreto zou neerkomen op rechtsweigering;

- overigens in de opmaak van een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan de site van de surfersclub niet eens werd opgenomen.

Met die redenen beantwoorden de appelrechters eisers conclusie en verzoek tot heropening van het debat, ertoe strekkend een onbepaald uitstel te verkrijgen, zonder dat zij daarbij moeten antwoorden op elk argument dat enkel tot ondersteuning van dit verweer wordt aangevoerd zonder een afzonderlijk middel te vormen.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

9. Zij leggen de stukken van de eiser niet uit en kunnen mitsdien de bewijskracht ervan niet miskennen.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

Vierde middel

10. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en van de artikelen 1320 tot 1322 Burgerlijk Wetboek: het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat het Vlaamse gewest, namens wie de verweerder optreedt, geacht moet worden afstand te hebben gedaan van de herstelvordering.

11. Met de overweging dat er al een duidelijke planologische optie zou genomen zijn voor de site in kwestie niet zonder meer is aangetoond en niet kan worden afgeleid uit een enkel krantenbericht, noch uit de mondeling gedane uitspraken van de bevoegde minister, en dat hieruit evenmin een afstand van herstelvordering door de bevoegde stedenbouwkundige inspecteur kan worden afgeleid, beantwoorden de appelrechters het bedoelde verweer. Zij moeten daarbij niet antwoorden op elk argument dat enkel dient ter ondersteuning van het bedoelde verweer zonder een afzonderlijk middel te vormen.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

12. Daarbij leggen zij de in het middel aangehaalde stukken niet uit en kunnen zij bijgevolg de bewijskracht ervan niet miskennen.

Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

Vijfde middel

13. Het middel voert schending aan van de artikelen 149 en 159 Grondwet, artikel 29, § 2, (lees: 26, § 2) Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof, artikel 8 Gerechtelijk Wetboek, artikel 1 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, artikel 22 Wetboek van Strafvordering, artikel 6.1.41, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, de artikelen 1320 tot 1322 Burgerlijk Wetboek, de artikelen 2 en 3, tweede lid, Wet Motivering Bestuurshandelingen, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten: het arrest oordeelt onterecht dat de afbraak moet worden bevolen omdat door een andere maatregel "de plaatselijke ordening kennelijk op onevenredige wijze zou worden geschaad" en omdat de eiser gehandeld heeft in strijd met een stakingsbevel; eensdeels heeft de verweerder bij het formuleren van zijn herstelvordering nooit beweerd, laat staan aangetoond, dat door het opleggen van een andere maatregel, met name de betaling van een meerwaardesom overeenkomstig artikel 6.1.41, § 1, 2°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, "de plaatselijke ruimtelijke ordening kennelijk op onevenredige wijze zou worden geschaad"; door niettemin ambtshalve het tegendeel te beslissen, miskennen de appelrechters de bewijskracht van deze vordering en stellen zij zich in de plaats van de bevoegde overheid; eisers verweer dat een regularisatie wel mogelijk is en dat beschouwingen met betrekking tot het aangrenzende gebied irrelevant zijn, laat het arrest onbeantwoord; ook de bewijskracht van het negatief advies van 14 september 1998 van de gemachtigde ambtenaar wordt miskend; in dit advies staat nergens te lezen dat een eventueel toekomstig herstel geen andere zou kunnen zijn dan het herstel in de vorige staat omdat anders de plaatselijke ordening kennelijk onevenredig zou worden geschaad; anderdeels verwijzen de appelrechters onterecht naar het niet-eerbiedigen van de stakingsbevelen van 4 maart 1998 en 21 mei 2010; desbetreffend werden geen strafvervolgingen ingesteld en kunnen de appelrechters, bij gebrek aan vaststellingen van een misdrijf, hun beslissing over het herstel niet daarop steunen; aan het Grondwettelijk Hof dient een prejudiciële vraag te worden gesteld over de verplichte afbraak van werken die in strijd met een stakingsbevel werden uitgevoerd.

14. Uit de brieven van 19 mei 1998 en 11 januari 2000 blijkt niet dat de verweerder overeenkomstig artikel 6.1.41, § 1, 2°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening het herstel heeft gevorderd vanuit de basisoptie meerwaardebepaling behoudens de onevenredige schade aan de ruimtelijke ordening. Met hun oordeel dat de verweerder zonder meer het herstel in de vorige staat vordert en dat door het opleggen van een andere maatregel "de plaatselijke ruimtelijke ordening kennelijk op onevenredige wijze zou worden geschaad", beoordelen de appelrechters de wettigheid van de in deze brieven gestelde vordering zonder dat zij daarbij aan deze stukken een uitlegging geven die met de bewoordingen ervan niet verenigbaar is.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

15. Evenmin leggen de appelrechters het negatief advies van 14 september 1998 van de gemachtigde ambtenaar uit, zodat zij de bewijskracht ervan niet kunnen miskennen.

In zoverre mist het middel eveneens feitelijke grondslag.

16. De aanvoering dat de appelrechters in de plaats van de bevoegde overheid ambtshalve het herstel bevelen, is geheel afgeleid uit de vergeefs aangevoerde miskenningen van de bewijskracht.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

17. Het onwettig weigeren van een regularisatievergunning stelt geen einde aan de herstelvordering, zodat de rechter het doelloos verweer aangaande deze onwettigheid niet moet beantwoorden.

In zoverre faalt het middel naar recht.

18. Niet alleen is het oordeel van de appelrechters dat een andere maatregel kennelijk de plaatselijke ordening op onevenredige wijze zou schaden naar recht verantwoord. Het schraagt daarenboven hun beslissing dat het gevorderde herstel in de vorige toestand wettig is. Bijgevolg is het middel, in zoverre het gericht is tegen de overtollige motieven met betrekking tot de bevelen tot staking, bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

19. Deze reden van niet-ontvankelijkheid is niet ontleend aan normen die zelf het onderwerp uitmaken van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag.

Overeenkomstig artikel 26, § 2, tweede lid, 1°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof moet deze vraag niet worden gesteld.

Zesde middel

20. Het middel voert schending aan van de artikelen 1, 6.1 en 13 EVRM, artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, de artikelen 16 en 149 Grondwet, de artikelen 1320 tot 1322 Burgerlijk Wetboek, artikel 5 Gerechtelijk Wetboek en artikel 258 Strafwetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: de verwerping van eisers verzoek om de behandeling van de zaak onbepaald te verdagen, minstens tot het GRUP Uitbreiding van het Zwin definitief door de Vlaamse regering zal zijn aangenomen, heeft niets te maken met rechtsweigering, maar wel met volledige informatiewinning en het volledig in staat stellen van de zaak; door niettemin de afbraak te bevelen zonder rekening te houden met de op til zijnde planologische initiatieven miskennen de appelrechters eisers recht op een daadwerkelijke en effectieve bescherming van zijn eigendomsrecht, zoals omschreven in voornoemde verdragsbepalingen; hun motivering bevat geen passend antwoord op eisers verweer.

21. In zoverre het middel is afgeleid uit het vergeefs aangevoerde derde middel, is het niet ontvankelijk.

22. De omstandigheid dat de rechter anders oordeelt dan hetgeen de verweerder in conclusie aanvoert, vormt geen motiveringsgebrek.

In zoverre faalt het middel naar recht.

23. Voor het overige komt het middel op tegen de feitelijke appreciatie van de appelrechters en vraagt het een beoordeling van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

In zoverre is het middel evenmin ontvankelijk.

Zevende middel

24. Het middel voert schending aan van de artikelen 149 en 159 Grondwet, de artikelen 1320 tot 1322 Burgerlijk Wetboek en de artikelen 2 en 3, derde lid, Wet Motivering Bestuurshandelingen: in conclusie heeft de eiser gewezen op de gebrekkige motivering van de herstelvordering; het planologische argument is rechtens onjuist en de verwijzing naar de aangrenzende bestemmingszones is irrelevant; naast het herstel van de goede ruimtelijke ordening wordt ook de bestraffing van de eiser beoogd; het ruimtelijk impact op de omgeving is niet eens definitief onderzocht; de overheden die bevoegd zijn op planologisch gebied hebben geen bezwaar tegen de oprichting van het goed en achten dat zijn verplaatsing nutteloos is; door dit verweer niet te beantwoorden en niettemin de herstelvordering wettelijk te achten, schenden de appelrechters de voormelde wetsbepalingen.

25. De rechter gaat na of de beslissing van het bestuur om een bepaalde herstelmaatregel te vorderen uitsluitend met het oog op de goede ruimtelijke ordening is genomen. Hij moet de vordering die steunt op motieven die vreemd zijn aan de ruimtelijke ordening of op een opvatting van de goede ruimtelijke ordening die kennelijk onredelijk is zonder gevolg laten. Daartoe moet ook de motivering van de herstelvordering afdoende zijn, met name feitelijk juist zijn en rechtens deze vordering kunnen schragen. De omstandigheden dat niet alle daarin vermelde gegevens tot het herstel kunnen leiden, staat evenwel het bevelen van dit herstel niet eraan in de weg wanneer de vordering in haar geheel genomen feitelijk juist en naar recht verantwoord is.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

26. Het arrest oordeelt dat:

- de stedenbouwkundig inspecteur terecht erop wijst dat er een principieel bouwverbod is dat enkel kan worden opgeheven door een rechtsgeldige vergunning;

- de eiser, door vooraf onvoldoende informatie in te winnen en door toch verder te bouwen ondanks een stakingsbevel, niet heeft gehandeld zoals het ieder redelijk en voorzichtig persoon betaamt; dit getuigt van een wetens en willens handelen en zelfs van kwade trouw;

- er geen reden is tot onbepaald uitstel; de kans dat het clubhuis zou opgenomen worden in een toekomstig, maar nog niet gefinaliseerd gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, kan een dergelijk uitstel niet verantwoorden; daarop wachten zou in concreto neerkomen op rechtsweigering; overigens in de opmaak van een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan werd de site van de surfersclub niet eens opgenomen;

- er al een duidelijke planologische optie zou genomen zijn voor de site in kwestie niet zonder meer is aangetoond en niet kan worden afgeleid uit een enkel krantenbericht, noch uit de mondeling gedane uitspraken van de bevoegde minister; hieruit kan evenmin een afstand van de herstelvordering door de bevoegde stedenbouwkundige inspecteur worden afgeleid;

- het gedogen van de constructies door betaling van een meerwaardesom zelfs niet kan worden overwogen omdat het de plaatselijke ruimtelijke ordening op kennelijk onevenredige wijze zou schaden;

- dit ook blijkt uit het negatieve advies van de gemachtigde ambtenaar van 14 september 1998 naar aanleiding van het regularisatieverzoek; in de strandzone kunnen geen andere constructies geduld worden dan deze die specifiek nodig zijn voor de natuurlijke en/of kunstmatige zeewering en het veilig baden in zee zodat de huidige constructies niet verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving en met de goede plaatselijke aanleg;

- de herstelvordering zoals gesteld en gehandhaafd voor de eiser geen onredelijke last meebrengt die het voordeel dat voor de ruimtelijke ordening zou ontstaan, zou overstijgen;

- de gemotiveerde herstelvordering van 19 mei 1998 zoals aangevuld bij brief van 11 januari 2000 zowel intern als extern wettig is en binnen de weerhouden feiten, op gepaste, aangepaste doch noodzakelijke wijze het herstel van de gevolgen van de door de eiser gepleegde feiten van oprichting zonder vergunning beoogt;

- zij steunt op motieven van goede ruimtelijke ordening en niet kennelijk onredelijk is;

- de eiser de voor hem nadelige situatie waarin hij zich bevindt zelf heeft gecreëerd en daarvan de gevolgen dient te ondergaan; hij kan uit die houding geen rechten putten.

De appelrechters stellen aldus vast dat de vordering uitsluitend het herstel van de goede ruimtelijke ordening beoogt en niet steunt op een opvatting van ruimtelijke ordening die kennelijk onredelijk is. Zodoende verantwoorden zij hun beslissing naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Achtste middel

27. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het beginsel van de redelijke termijn: het arrest oordeelt onterecht dat de procedure een normaal verloop kende mede gezien de omvang en de techniciteit van het dossier en dat aldus de redelijke termijn niet werd overschreden; de gegevens van het dossier laten in redelijkheid een dergelijke conclusie niet toe, evenmin als de verdagingen op vraag van de eiser; daarenboven oordelen de appelrechters onterecht dat aan dergelijke overschrijding geen reële en meetbare gevolgen moeten worden gekoppeld; eisers conclusie wordt niet beantwoord.

28. Met de redenen die het middel aanhaalt, oordeelt het arrest dat geen overschrijding van de redelijke termijn wordt vastgesteld. Het arrest beantwoordt aldus eisers conclusie, zodat het middel in zoverre feitelijke grondslag mist.

29. In zoverre het opkomt tegen deze beoordeling in feite van de rechter en verzoekt om een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het middel niet ontvankelijk.

30. Het middel is eveneens niet ontvankelijk in zoverre gericht tegen de overtollige beschouwingen van het arrest met betrekking tot de gevolgen van een overschrijding van de redelijke termijn die te dezen niet wordt vastgesteld.

Negende middel

31. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet eisers gemotiveerd verzoek om de termijn tot uitvoering van het herstel te verlengen tot 31 december 2015.

32. Het arrest (p. 8 en p. 11) vermeldt de redenen waarom een termijn voor het herstel bepaald op twee jaar wordt verleend en beantwoordt aldus eisers conclusie.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Tiende middel

33. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 1320 tot 1322 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van het recht van verdediging: de appelrechters hebben eisers verzoek tot heropening van het debat verworpen zonder eisers conclusie te beantwoorden waarbij hij het belang van de voorgebrachte nieuwe stukken beklemtoonde; door die stukken zonder meer tegen te spreken, miskennen zij de bewijskracht ervan; hun weigering om deze belangrijke nieuwe gegevens bij hun beraad te betrekken houdt miskenning in van eisers recht van verdediging; de Europese rechtspraak vereist immers dat potentieel beslissende argumenten nauwkeurig moeten worden beantwoord.

34. In strafzaken oordeelt de rechter onaantastbaar over de noodzaak en de raadzaamheid van de heropening van het debat.

In zoverre het middel opkomt tegen dit oordeel, is het niet ontvankelijk.

35. Het arrest (p. 8) oordeelt dat niet zonder meer is aangetoond dat een duidelijke planologische optie voor de site in kwestie zou genomen zijn en dit niet kan worden afgeleid uit een enkel krantenbericht, noch uit de mondeling gedane uitspraken van de bevoegde minister. Het beoordeelt aldus de bewijswaarde van de overgelegde stukken zonder de bewijskracht ervan te miskennen.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

36. Geen schending van het recht van verdediging dat is neergelegd in artikel 6 EVRM kan worden afgeleid uit de omstandigheid dat de appelrechters beslissen het debat niet te heropenen op grond dat het verzoekschrift daartoe geen nieuw stuk of feit van overwegend belang aangeeft.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek

37. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 88,47 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 27 maart 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche .

Vrije woorden

  • Herstelvordering

  • Aard

  • Doel