- Arrest van 28 maart 2012

28/03/2012 - P.11.2002.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De bewering dat de overschrijding van de redelijke termijn het bewijs heeft doen verdwijnen, heeft, indien ze wordt aangenomen, niet tot gevolg dat het misdrijf wordt uitgewist; zij belet alleen maar dat het misdrijf bewezen verklaard wordt (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2012, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.2002.F

I. M. B.,

II. B. C.,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie,

III. M. A.,

tegen

1. D. P.,

2. Mr. Ghislain ROYEN, advocaat, optredend in de hoedanigheid van curator van het faillissement van de bvba Covarest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, correctionele kamer, van 10 november 2011.

De eerste twee eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Françoise Roggen heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

(...)

B. Cassatieberoep van B. C.

1. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de veroordelende beslissing op de tegen de eiser ingestelde strafvordering

Eerste middel

Het middel voert de schending aan van de artikelen 61bis Wetboek van Strafvor-dering, 149 Grondwet, 14.1 en 14.2 IVBPR, 6.1 en 6.2 EVRM, en de miskenning van het vermoeden van onschuld en het recht van verdediging, en verwijt het ar-rest dat het de strafvordering ontvankelijk verklaart.

(...)

Tweede onderdeel

Wanneer de beklaagde een omstandigheid aanvoert die zijn verantwoordelijkheid uitsluit en die bewering niet kennelijk ongeloofwaardig is, staat het aan de vervol-gende partij om te bewijzen dat die bewering onjuist is.

De bewering dat de overschrijding van de redelijke termijn het bewijs heeft doen verdwijnen, heeft indien ze wordt aangenomen niet tot gevolg dat het misdrijf wordt uitgewist. Zij belet alleen maar het misdrijf bewezen te verklaren.

De verplichting voor de vervolgende partij om aan te tonen dat een verweermiddel onjuist is, slaat niet op de beweringen die geen verband houden zowel met de sa-menstellende bestanddelen van het misdrijf als met de omstandigheden op grond waarvan het misdrijf als onbestaande of als verschoond moet worden beschouwd.

Ofschoon het aan de vervolgende partij staat om het bestaan van een misdrijf aan te tonen, verbiedt het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk twijfel de be-klaagde ten goede moet komen, de bodemrechter niet om te oordelen dat de stuk-ken die de misdaad of het wanbedrijf kunnen bewijzen zich in het dossier bevin-den, dat die stukken hun bewijswaarde behouden hebben ondanks het tijdsver-loop, en dat de beklaagde niet aantoont dat de stukken verloren gegaan zijn ten gevolge van de vertraging die het gerechtelijk onderzoek heeft opgelopen.

Het middel faalt naar recht.

Derde onderdeel

Het middel voert de schending aan van de artikelen 61bis Wetboek van Strafvor-dering, 6.1 EVRM en 14.1 IVBPR, en de miskenning van het recht van verdedi-ging, op grond dat de eiser door de onderzoeksrechter niet formeel in verdenking werd gesteld, en evenmin, tenzij laattijdig, op de hoogte gebracht werd van het feit dat tegen hem vervolgingen werden ingesteld.

Met toepassing van artikel 61bis, moet de onderzoeksrechter elke persoon tegen wie ernstige aanwijzingen van schuld bestaan in verdenking stellen.

De wet legt geen sanctie op indien aan die verplichting niet wordt voldaan. Die tekortkoming, die op zich niet inhoudt dat de vervolging niet ontvankelijk is, kan de rechtspleging alleen maar aantasten in zoverre zij de uitoefening van het recht van verdediging onherroepelijk in het gedrang brengt.

Die beoordeling verplicht ertoe om rekening te houden met het tweede lid van ar-tikel 61bis, dat bepaalt dat de persoon tegen wie de strafvordering wordt inge-steld, dezelfde rechten geniet als de inverdenkinggestelde. Het betreft met name de persoon die, zoals de eiser, in de akte van burgerlijkepartijstelling met naam als verdachte of vermoedelijke dader wordt vermeld.

Artikel 61bis, tweede lid, bepaalt niet dat die persoon door de onderzoeksrechter op de hoogte moet worden gebracht van het feit dat tegen hem een gerechtelijk onderzoek is geopend. Dergelijke informatie kan, met het oog op de effectieve uitoefening van het recht van verdediging, op regelmatige wijze aan de rechtzoe-kende worden verstrekt op het ogenblik dat een onderzoeksopdracht wordt uitge-voerd.

In zoverre het middel aanvoert dat de artikelen 61bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering en 6 EVRM, de onderzoeksrechter de verplichting opleggen om een persoon, in elk geval, ervan te verwittigen dat tegen hem vervolgingen werden ingesteld, faalt het naar recht.

Nadat het arrest heeft vastgesteld dat de strafvordering tegen de eiser was inge-steld op 15 september 2003, oordeelt het dat hij dezelfde rechten als de inverden-kinggestelde genoot vermits hij volledig op de hoogte was van het feit dat vervol-ging was ingesteld, aangezien in februari 2004, in het kader van die vervolging, een huiszoeking was uitgevoerd zowel in de woning van zijn vriendin bij wie hij verbleef, als op de zetel van de vennootschap waarvan hij zaakvoerder was ge-weest.

Op grond van die overwegingen beslissen de appelrechters naar recht dat het feit dat de eiser niet in verdenking was gesteld hem niet het recht op een eerlijke be-handeling van de zaak had ontnomen.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

(...)

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de tegen M. B. ingestelde strafvordering en over de door D. P. tegen haar ingestelde burgerlijke rechtsvordering.

Verwerpt de cassatieberoepen van de overige eisers.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Laat de helft van de kosten van het cassatieberoep van de eiseres ten laste van de Staat en veroordeelt de verweerders in een vierde van die kosten.

Veroordeelt de overige eisers in de kosten van hun cassatieberoep.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 28 maart 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Bloch en overge-schreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Overschrijding van de redelijke termijn

  • Sanctie

  • Teloorgaan van bewijzen