- Arrest van 28 maart 2012

28/03/2012 - P.12.0296.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Krachtens artikel 1 van het koninklijk besluit van 4 februari 2002 ter uitvoering van de wet van 22 maart 1999 betreffende de identificatieprocedure via DNA-onderzoek in strafzaken, dient het onderzoek van een locatie of een voorwerp op bevel van de procureur des Konings of de onderzoeksrechter, met het oog op het aantreffen van sporen van celmateriaal, steeds te worden voorafgegaan door het aanbrengen van een gerechtelijke uitsluitingsperimeter; die bepaling heeft tot doel om de plaats van de misdaad te vrijwaren tegen elke verontreiniging die het onderzoek van de sporen kan aantasten.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0296.F

I. J. B.,

II. J. B.,

Mrs. Renaud Heins en Yves Wynants, advocaten bij de balie te Verviers,

tegen

D. F., optredend in eigen naam en in de hoedanigheid van wettig beheerster van de goederen van haar minderjarig kind P. K.,

Mr. Adrien Masset, advocaat bij de balie te Verviers.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, van 26 januari 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Pierre Cornelis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Cassatieberoep van 26 januari 2012

De eiser doet afstand van zijn cassatieberoep.

B. Cassatieberoep van 10 februari 2012 tegen de beslissing die met toepassing van de artikelen 135 en 235bis Wetboek van Strafvordering uitspraak doet

Eerste middel

Het middel voert schending aan van artikel 1 van het koninklijk besluit van 4 februari 2002 ter uitvoering van de wet van 22 maart 1999 betreffende de identificatieprocedure via DNA-onderzoek in strafzaken.

Eerste onderdeel

De eiser voert aan dat de analyses van de afnamen niet geldig konden worden verklaard aangezien uit de gegevens van het dossier blijkt dat de voorschriften die volgens de aangevoerde bepaling zijn vereist om de betrouwbaarheid ervan te waarborgen, niet waren nageleefd. Hij voert wat dat betreft aan dat het arrest niet naar recht beslist dat op de plaats van de feiten vanaf de ontdekking van het lichaam van het slachtoffer een gerechtelijke uitsluitingsperimeter was afgebakend.

In zoverre het middel opkomt tegen de feitelijke beoordeling door de kamer van inbeschuldigingstelling, of het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.

Krachtens artikel 1 van het voormelde koninklijk besluit, dient het onderzoek van een locatie of een voorwerp op bevel van de procureur des Konings of de onderzoeksrechter, met het oog op het aantreffen van sporen van celmateriaal, steeds te worden voorafgegaan door het aanbrengen van een gerechtelijke uitsluitingsperimeter. Binnen deze perimeter zijn enkel officieren en agenten van de federale politie, belast met taken van technische en wetenschappelijk politie, evenals de door de procureur des Konings of onderzoeksrechter opgevorderde deskundige toegelaten en mogen alleen personen werkzaam zijn die wegwerphandschoenen, wegwerpkledij, mondmasker en hoofddeksel dragen.

Die bepaling heeft tot doel om de plaats van de misdaad te vrijwaren tegen elke verontreiniging die het onderzoek van de sporen kan aantasten.

Noch de wet van 22 maart 1999 noch het koninklijk besluit van 4 februari 2012 verbieden het onderzoeks- of vonnisgerecht om op grond van een onaantastbare beoordeling vast te stellen dat de sporen op verantwoorde wijze beschermd werden zodra het lichaam werd ontdekt, en dat dit resultaat bereikt werd door alleen toegang te verlenen aan de politieagenten en de deskundigen en door de behandelend geneesheer van het slachtoffer, die handschoenen droeg voor eenmalig gebruik, te vragen om het lichaam niet te verplaatsen.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

Het middel, dat aanvoert dat het onderzoek van de deskundige op een onjuiste of gedeeltelijke inlichting berust, betwist de andersluidende feitelijke beoordeling van de kamer van inbeschuldigingstelling of vereist een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.

Door de voorzorgsmaatregelen op te sommen die de speurders en de behandelend geneesheer hebben genomen, beslist het arrest naar recht dat niet gevreesd moet worden voor een verontreiniging van de plaats van de misdaad.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

Eerste onderdeel

In zoverre het middel aanvoert dat een bij de vordering gevoegd stuk aan de eiser had moeten meegedeeld zijn vóór de zitting van de kamer van inbeschuldigingstelling, wordt het voor het eerst voor het Hof aangevoerd en is het bijgevolg niet ontvankelijk.

De wetsbepalingen die toepasselijk zijn inzake bewijs door vergelijkende genetische analyse verbieden niet het gebruik van bijkomende merkers bovenop die, minimum zeven, welke opgesomd en vereist worden in de bijlage van het koninklijk besluit van 4 februari 2002.

Daarin wordt bepaald dat de detectie bij voorkeur met behulp van laserfluorescentie gebeurt. Bijgevolg kan geen nietigheid worden afgeleid uit het feit alleen dat de detectie was verricht met behulp van een techniek die niet identiek is aan die methode maar die erop lijkt.

In strijd met wat de eiser aanvoert, is het ter beoordeling van de geldigheid van het deskundigenonderzoek niet noodzakelijk dat de uitvoerder ervan de resultaten preciseert die door de merkers, positief en negatief, voor elke vergroting van een DNA-fragment zijn verkregen.

Op de kritiek, die gericht is tegen het feit dat de deskundige voor de vergroting van DNA-fragmenten twee technieken heeft aangewend, waarvan één zich nog in het stadium van accreditatie bevindt, antwoordt het arrest dat de deskundige door artikel 8 van het koninklijk besluit gemachtigd is om andere tests uit te voeren, dat hij die moet preciseren, wat hij effectief heeft gedaan, en dat de inverdenkinggestelde, om de uitslag van het onderzoek te betwisten, over de mogelijkheid beschikt om, in het kader van een tegenonderzoek, op te komen tegen de betwiste aanwending.

Bijgevolg omkleedt het arrest de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling om het genetisch deskundigenonderzoek niet af te wijzen, regelmatig met redenen en verantwoordt haar naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde middel

De eiser voert miskenning aan van het recht van verdediging en schending van artikel 90undecies, § 4, Wetboek van Strafvordering omdat het hem onmogelijk was een tegenonderzoek te vragen omdat de deskundige al het bij de afname van de sporen vergaarde materiaal heeft opgebruikt, terwijl hij de door hem gebruikte methode betwist.

De mogelijkheid om een tegenonderzoek te doen uitvoeren wordt niet tenietgedaan door het feit dat alle afnamen met wattenstaafjes zijn opgebruikt.

Artikel 90undecies, § 4, tweede lid, bepaalt immers dat, indien de hoeveelheid aangetroffen menselijk celmateriaal ontoereikend is om een nieuw DNA-profiel op te stellen, het tegenonderzoek verricht wordt aan de hand van nieuw celmateriaal afgenomen van de betrokkene en aan de hand van het door de eerste deskundige opgestelde DNA-profiel van het aangetroffen spoor.

Door naar die wetsbepaling te verwijzen, antwoordt het arrest op het verweermiddel dat is afgeleid uit de vernietiging van het onderzochte materiaal.

Aangezien in dergelijk geval de beperking van het voorwerp van het tegenonderzoek in de wet zelf is bepaald, kan zij de bewijswaarde van het vergelijkend onderzoek niet aantasten en evenmin het algemeen beginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging miskennen.

Aangezien een algemeen rechtsbeginsel dezelfde waarde heeft als een wet, is het immers noch een norm die tegen de wet in kan worden toegepast, noch een regel waarvan de wetgever niet mag afwijken.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verleent akte van de afstand van het cassatieberoep van 26 januari 2012.

Verwerpt het cassatieberoep van 10 februari 2012.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Françoise Roggen, en in openbare rechtszitting van 28 maart 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Peter Hoet en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Strafzaken

  • DNA-onderzoek

  • Onderzoek naar sporen van celmateriaal

  • Gerechtelijke uitsluitingsperimeter

  • Doel