- Arrest van 2 april 2012

02/04/2012 - C.10.0512.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De termijn van ten minste een jaar, tijdens welke de verpachter geen nieuwe opzegging kan doen na een eerdere, niet geldig verklaarde opzegging, begint te lopen de dag na die waarop de eerdere opzegging is gedaan en eindigt een jaar later, op de dag vóór de zoveelste (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2012, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0512.F

1. J. V. en

2. V. L.,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

E. V.,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Hoei van 31 maart 2010.

De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 19 maart 2012 verwezen naar de derde kamer.

Raadsheer Sylviane Velu heeft verslag uitgebracht.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren twee middelen aan, waarvan het eerste gesteld is als volgt.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 12 van de pachtwet van 4 november 1969;

- de artikelen 52 tot 54 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis beslist dat de op 14 september 2007 aan de eisers betekende opzegging geldig is, om alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd, en in het bijzonder om de volgende redenen:

"(De verweerster) heeft bij exploot van 14 september 2006 van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder V. Mottet, die de akte heeft opgemaakt in de plaats van Meester F. Burgue, (aan de eisers) een opzegging doen betekenen die betrekking had op verschillende percelen landbouwgrond, gelegen te B., met de bedoeling om deze te laten bewerken door haar echtgenoot, S.V.

Volgens (de verweerster) is die opzegging vervallen, omdat zij het verzoekschrift tot oproeping in verzoening te laat heeft neergelegd en dat zij dus om dezelfde reden aan dezelfde personen een nieuwe opzegging die betrekking had op dezelfde percelen heeft doen betekenen, bij exploot van 14 september 2007 van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder V. Mottet, die de akte heeft opgemaakt in de plaats van meester F. Burgue.

In die opzegging werd erop gewezen dat zij uitwerking zou krijgen na een opzeggingstermijn van drie jaar, die zou ingaan op 15 september 2007 en zou eindigen op 14 september 2010.

(...) De eerste rechter heeft de rechtsvordering ontvankelijk en gegrond verklaard. Hij heeft de opzegging dus geldig verklaard en de (verweerster) de toestemming gegeven (de eisers) en alle gebruikers uit te drijven van de in de opzegging gevorderde en beschreven percelen met ingang van 15 september 2010.

(...) Het klopt - en het wordt ook niet betwist - dat de eerste opzegging van 14 september 2006 vervallen was, aangezien het verzoekschrift tot oproeping in minnelijke schikking is neergelegd op 19 januari 2007, dus meer dan drie maanden na de verzending van de opzegging.

In dat geval bepaalt artikel 12.8 van de pachtwet het volgende: ‘Is de opzegging met toepassing van het bepaalde in 4 vervallen of is zij niet geldig verklaard, dan kan om geen enkele reden een nieuwe opzegging worden gedaan vóór er ten minste één jaar is verstreken na de kennisgeving van de opzegging die vervallen is of onregelmatig is verklaard naar de vorm. Die termijn is drie jaar indien de rechter de geldigverklaring van de opzegging heeft geweigerd omdat de opgegeven reden ongegrond was'.

Volgens de (eisers) kon een nieuwe opzegging te dezen dus pas ten vroegste op 15 september 2007 worden gedaan krachtens de artikelen 52 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek, volgens welke de termijn van een jaar gerekend wordt van de zoveelste tot de dag vóór de zoveelste, waarbij de datum waarop de termijn begint te lopen, de dag is na die van de akte of van de gebeurtenis die hem heeft doen ingaan.

(De verweerster), die hierin wordt gevolgd door de eerste rechter, werpt hiertegen terecht op dat de wet haar verbood om vóór 14 september 2007 een nieuwe opzegging te doen.

Zij voegt hieraan toe dat de redenering van de (eisers) gebaseerd is op de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek die de berekening van de termijnen van de rechtspleging bepalen en dat die bepalingen dus niet van toepassing zijn op de termijn om opzegging te geven, ongeacht het verdere verloop van de rechtspleging.

De opzegging van 14 september 2007 is dus ontvankelijk".

Grieven

Artikel 12.8 van de pachtwet bepaalt dat, indien de opzegging vervallen is omdat zij niet binnen een termijn van drie maanden werd gevolgd door een vordering tot geldigverklaring, een nieuwe opzegging, om gelijk welke reden, niet kan worden gedaan vóór er ten minste één jaar is verstreken na de kennisgeving van de opzegging die vervallen is.

De in die bepaling opgelegde termijn van een jaar wordt berekend overeenkomstig de artikelen 52 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek. Hieruit volgt dat:

- de termijn wordt gerekend van middernacht tot middernacht en wordt berekend vanaf de dag na die van de akte of van de gebeurtenis die hem doet ingaan en omvat alle dagen, ook de zaterdag, de zondag en de wettelijke feestdagen (artikel 52 van het Gerechtelijk Wetboek);

- de vervaldag in de termijn is begrepen. Indien die dag echter een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, dan wordt de vervaldag verplaatst op de eerstvolgende werkdag (artikel 53 van het Gerechtelijk Wetboek);

- een in maanden of in jaren bepaalde termijn wordt gerekend van de zoveelste tot de dag vóór de zoveelste (artikel 54 van het Gerechtelijk Wetboek).

De eerste opzegging werd te dezen betekend op 14 september 2006. Aangezien die opzegging is vervallen omdat zij niet binnen een termijn van drie maanden werd gevolgd door een oproeping tot verzoening, kon de verweerster geen tweede opzegging aan de eisers doen betekenen vóór er ten minste één jaar was verstreken na de betekening van de vervallen opzegging. Krachtens de artikelen 52 tot 54 van het Gerechtelijk Wetboek begint de termijn van één jaar te lopen de dag na die waarop de eerste opzegging werd betekend, dat wil zeggen de dag na 14 september 2006, dus op 15 september 2006. Aangezien het om een in jaren bepaalde termijn gaat, moest die termijn gerekend worden van de zoveelste tot de dag vóór de zoveelste, dus van 15 september 2006 tot 14 september 2007. Aangezien de vervaldatum, dat is 14 september 2007, begrepen is in de termijn, was de eerste dag waarop een nieuwe opzegging kon worden gegeven 15 september 2007. De opzegging die op 14 september 2007 werd betekend, is bijgevolg voorbarig en dus ongeldig. Het bestreden vonnis, dat beslist dat "de opzegging van 14 september 2007 dus ontvankelijk is", schendt artikel 12.8 van de pachtwet en de artikelen 52 tot 54 van het Gerechtelijk Wetboek.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Artikel 12.8, eerste lid, Pachtwet bepaalt dat, indien de opzeg met toepassing van het bepaalde in 4 vervallen is of niet geldig is verklaard, om geen enkele reden een nieuwe opzegging kan worden gedaan vóór er ten minste één jaar is verstreken na de kennisgeving van de opzegging die vervallen is of onregelmatig is verklaard naar de vorm.

De door die bepaling voorgeschreven termijn van een jaar wordt gerekend van middernacht tot middernacht en wordt berekend vanaf de dag na die van de betekening van de vervallen of naar de vorm onregelmatig verklaarde opzeg. Wanneer die opzeg op die manier is gedaan, is de vervaldag in de termijn begrepen en wordt de termijn gerekend van de zoveelste tot de dag vóór de zoveelste.

Het bestreden vonnis stelt vast dat de verweerster een eerste opzeg aan de eisers heeft doen betekenen op 14 september 2006 en dat zij, aangezien die opzeg was vervallen omdat ze niet binnen een termijn van drie maanden was gevolgd door een oproeping tot verzoening, hun een nieuwe opzeg heeft doen betekenen op 14 september 2007.

De door de verweerster na te leven termijn van een jaar is ingegaan de dag na 14 september 2006, dus op 15 september 2006 om nul uur, en is verstreken op vrijdag 14 september 2007, de dag vóór de zoveelste, om middernacht.

Het bestreden vonnis, dat de opzeg geldig verklaart die is gedaan op 14 september 2007, dus vóór het verstrijken van de aldus berekende termijn, schendt artikel 12.8, eerste lid, Pachtwet.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Luik, rechtszitting houdende in hoger beroep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Sylviane Velu, Alain Simon,

Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 2 april 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Chantal

Vandenput.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Geert Jocqué en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Opzegging

  • Opzegging door de verpachter

  • Vervallen opzegging

  • Nieuwe opzegging

  • Termijn

  • Berekening