- Arrest van 3 april 2012

03/04/2012 - P.10.0973.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De beoordeling of de omstandigheden bedoeld in artikel 13 Wet Wederzijdse Internationale Rechtshulp zich voordoen, kan de rechter maken op grond van alle regelmatig aan hem voorgelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren, zonder dat is vereist dat hij van het buitenlandse onderzoeksdossier kennis zou nemen (1). (1) Zie Cass. 23 mei 2000, AR P.00.0377.N, AC 2000, nr. 315; Cass. 6 april 2005, AR P.05.0218.F, AC 2005, nr. 206 met concl. adv.-gen. Vandermeersch.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.0973.N

I

U D,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Hans Van Bavel, advocaat bij de balie te Brussel.

II

1. D bvba,

beklaagde,

2. W.N.D. nv, met zetel te 2018 Antwerpen, Jan Van Rijswijcklaan 137,

beklaagde,

eiseressen,

met als raadsman mr. Hans Van Bavel, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 28 april 2010.

De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

De eiseressen II voeren in memories die aan dit arrest zijn gehecht, elk een middel aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

1. Het arrest verklaart de eiser I niet schuldig aan de hem onder A, C.I.a, C.I.c en G ten laste gelegde feiten, de eiseres II.1 niet schuldig aan de haar onder B, D, F en G ten laste gelegde feiten, de eiseres II.2 niet schuldig aan de haar onder C.II ten laste gelegde feiten en het ontslaat hen van elke uit dien hoofde ingestelde rechtsvervolging.

De tegen die beslissingen gerichte cassatieberoepen van de eisers zijn, elk wat hen betreft, bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Tweede middel van de eiser I

2. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, evenals miskenning van de algemene beginselen van het recht van verdediging en van de toelaatbaarheid, de wettigheid en de betrouwbaarheid in de opsporing van bewijzen: het arrest oordeelt ten onrechte dat het niet noodzakelijk noch opportuun is om kennis te nemen van de Nederlandse tapmaatregelen; op die wijze verhindert het arrest de eiser I de rechtsgeldigheid van de Nederlandse tapmaatregelen te controleren en na te gaan of bij het te zijnen laste verzamelen van bewijselementen de geldende procedureregels werden nageleefd.

3. Volgens artikel 13 van de Wet van 9 december 2004 betreffende Wederzijdse Internationale Rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter Wetboek van Strafvordering mag in het kader van een in België gevoerde strafrechtspleging geen gebruik worden gemaakt van in het buitenland verkregen bewijsmateriaal:

- dat op onregelmatige wijze is verzameld én indien de onregelmatigheid volgens het recht van de Staat waarin het bewijsmateriaal is verzameld, volgt uit de overtreding van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste of indien de onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal aantast;

- waarvan de aanwending een schending inhoudt van het recht op een eerlijk proces.

4. Deze beoordeling kan de rechter maken op grond van alle regelmatig aan hem voorgelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren, zonder dat is vereist dat hij van het buitenlandse onderzoeksdossier kennis zou nemen.

De rechter oordeelt of die beoordeling de voeging vergt van andere dan de tot het dossier van de Belgische strafrechtspleging behorende stukken. Bij die beoordeling dient hij erover te waken dat een beklaagde de mogelijkheid tot betwisting in concreto van het in het buitenland verkregen bewijsmateriaal niet wordt ontzegd en zo zijn recht van verdediging niet wordt miskend.

5. De beoordeling van de regelmatigheid van een buitenlandse afluistermaatregel kan gebeuren aan de hand van de beslissing van de bevoegde buitenlandse overheid om tot de afluistermaatregel over te gaan en de uitvoeringstukken van die beslissing of van een beslissing van een bevoegde buitenlandse rechterlijke overheid die de regelmatigheid van de afluistermaatregel en de uitvoering ervan vaststelt.

6. Het arrest grondt de beoordeling van de regelmatigheid van het bewijsmateriaal, verkregen uit de in Nederland uitgevoerde afluistermaatregel, en de afwijzing van de vraag om de afluisterbeslissing zelf bij het dossier te laten voegen, in wezen op het Nederlandse bewijsmateriaal zelf en op de brief van de officier van justitie van 30 juli 2002, waarbij als antwoord op het Belgische rechtshulpverzoek van 2 juli 2002 om de Nederlandse stukken als bewijs te gebruiken, die toelating wordt verstrekt.

Aldus stelt het arrest de eiser I niet in mogelijkheid om in concreto de regelmatigheid van het met een Nederlandse afluistermaatregel verkregen bewijsmateriaal te betwisten en miskent het aldus eisers recht van verdediging.

Het middel is gegrond.

Overige middelen van de eiser I

7. Deze middelen, die niet kunnen leiden tot cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord.

Middelen van de eiseressen II

8. Ingevolge de hierna uit te spreken vernietiging hebben de cassatieberoepen van de eiseressen II geen bestaansreden meer. Hun middelen behoeven geen antwoord.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Verwerpt de cassatieberoepen van de eiseressen II.

Laat de kosten van het cassatieberoep van de eiser I ten laste van de Staat.

Veroordeelt de eiseressen II in de kosten van hun cassatieberoep.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Bepaalt de kosten in het geheel op 541,91 euro waarvan de eiser I 353,50 euro verschuldigd is en de eiseressen II 188,41 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Geert Jocqué, Filip Van Volsem en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 3 april 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • In het buitenland verkregen bewijs

  • Regelmatigheid

  • Toetsing

  • Kennisname van het buitenlands onderzoeksdossier