- Arrest van 3 april 2012

03/04/2012 - P.11.2095.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Behoudens het geval van de miskenning van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste, kan het onregelmatig stuk slechts uit het dossier verwijderd worden wanneer de rechter vaststelt dat de onregelmatigheid aan het bewijs zijn geloofwaardigheid of betrouwbaarheid ontneemt, of het recht op een eerlijk proces in het gedrang brengt, maar de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van het bewijs kunnen niet door het onderzoeksgerecht onderzocht worden vermits dit de beoordeling van de bewijswaarde betreft welke enkel toekomt aan de feitenrechter; hieruit volgt dat wanneer het onderzoeksgerecht vaststelt dat een onderzoekshandeling onregelmatig is, het zelfs ambtshalve moet nagaan of de onregelmatigheid het gevolg is van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste en het recht op een eerlijk proces in het gedrang brengt (1) (2). (1) Zie concl. O.M. (2) DE SMET, B., Nietigheden in het Strafproces, Intersentia, 2011, 77.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.2095.N

I

zeventien burgerlijke partijen,

eisers,

met als raadslieden mr. Walter Van Steenbrugghe en mr. Joachim Meese, advocaten bij de balie te Gent, met kantoor te 9820 Merelbeke, Jozef Hebbelynckstraat 2, waar keuze van woonst wordt gedaan,

tegen

1. AARTSBISDOM MECHELEN-BRUSSEL, met zetel te 2800 Mechelen, Wollemarkt 15,

burgerlijke partij,

2. G D,

verzoekers tot het opheffen van onderzoekshandelingen,

verweerders,

met als raadsman mr. Fernand Keuleneer, met kantoor te 1000 Brussel, Verenigingstraat 28, waar keuze van woonst wordt gedaan.

II

tweeënzestig burgerlijke partijen,

eisers,

met als raadslieden mr. Walter Van Steenbrugghe en mr. Joachim Meese, advocatenbij de balie te Gent, met kantoor 9820 Merelbeke, Jozef Hebbelynckstraat 2, waar keuze van woonst wordt gedaan,

tegen

1. AARTSBISDOM MECHELEN-BRUSSEL, met zetel te 2800 Mechelen, Wollemarkt 15,

2. G D,

verzoekers tot het opheffen van onderzoekshandelingen,

verweerders,

met als raadsman mr. Fernand Keuleneer, met kantoor te 1000 Brussel, Verenigingstraat 28, waar keuze van woonst wordt gedaan.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 29 november 2011, dat uitspraak doet na verwijzing bij arrest van het Hof van 5 april 2011.

De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft ter griffie een schriftelijke conclusie neergelegd op 8 maart 2012.

Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING

De verweerders hebben op 15 juli 2010 met toepassing van artikel 61quater Wetboek van Strafvordering een verzoekschrift neergelegd tot opheffing van de inbeslagname van alles wat tijdens de huiszoekingen op 24 juni 2010 in beslag genomen werd.

Bij beschikking van 30 juli 2010 heeft de onderzoeksrechter dit verzoek afgewezen.

De verweerders hebben tegen die beschikking hoger beroep ingesteld en hebben tevens de kamer van inbeschuldigingstelling gevorderd de regelmatigheid van de rechtspleging te onderzoeken.

Het openbaar ministerie heeft gevorderd dat enkel het verzoek van de verweerders tot opheffing van de inbeslagnames uitgevoerd te Mechelen op 24 juni 2010 in de lokalen van het aartsbisschoppelijk paleis te Mechelen en in de woning van de verweerder 2, alsmede tot vernietiging van de onderzoeksdaden die daarop steunen, gegrond zou worden verklaard. Het heeft eveneens gevorderd dat de processen-verbaal met betrekking tot die onderzoeksdaden ter griffie zouden worden neergelegd.

Het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 9 september 2010 verklaart het verzoek van de verweerders strekkende tot het onderzoek van de regelmatigheid van de rechtspleging niet ontvankelijk. Het verklaart het verzoek van de verweerders strekkende tot de opheffing van de inbeslagname van documenten en voorwerpen bij derden evenmin ontvankelijk.

Voor het overige beveelt dat arrest de opheffing van de inbeslagnames op 24 juni 2010 verricht te Mechelen in de lokalen van het aartsbisschoppelijk paleis en in de woning en de kantoren van de verweerder 2, spreekt het de nietigheid uit van die onderzoekshandelingen en van de tot op de dag van de uitspraak verrichte onderzoeksdaden die daarop steunen en beveelt het dat de nietig verklaarde stukken uit het dossier worden verwijderd en neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg.

De eisers 1 tot en met 5 hebben tegen dat arrest cassatieberoep ingesteld.

Bij arrest P.10.1535.N van 12 oktober 2010 vernietigt het Hof het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 9 september 2010 in zoverre het:

- de opheffing beveelt van de inbeslagnames te Mechelen op 24 juni 2010 van documenten en voorwerpen verricht in de lokalen van het aartsbisschoppelijk paleis, evenals in de woning en kantoren van de eiser 2;

- de nietigheid uitspreekt van deze onderzoekshandelingen en van de tot op de dag van de uitspraak verrichte onderzoeksdaden die daarop steunen;

- beveelt dat de nietig verklaarde stukken uit het dossier worden verwijderd en neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg.

Bij datzelfde arrest verwerpt het Hof het cassatieberoep voor het overige en verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld.

Ingevolge deze verwijzing, beslist het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 22 december 2010 onder meer als volgt:

- het verklaart het verzoek van de verweerders, strekkende tot het onderzoek van de regelmatigheid van de procedure niet ontvankelijk daar over dat verzoek reeds definitief geoordeeld werd en dit punt geen deel uitmaakt van de verwijzing;

- het zegt dat er geen reden is tot het horen van de onderzoeksrechter;

- het spreekt de nietigheid uit van de inbeslagname van de stukken vermeld onder de refertes K007 "Nuntiatuur/1" en K0010 "Nuntiatuur/2" op de lijst getiteld "Dossier Kelk" met handgeschreven vermelding "Inventaris ‘archief' Aartsbisdom" zoals neergelegd ter zitting van de kamer van inbeschuldigingstelling van 7 september 2010, alsmede van de tot op de datum van het arrest verrichte onderzoeksdaden die hierop steunen;

- het bevestigt de beroepen beschikking mits deze wijziging dat de opheffing van het beslag op en de teruggave wordt bevolen van de stukken vermeld onder refertes K007 "Nuntiatuur/1" en K0010 "Nuntiatuur/2" op de lijst getiteld "Dossier Kelk" met handgeschreven vermelding "Inventaris ‘archief' Aartsbisdom" zoals neergelegd ter zitting van de kamer van inbeschuldigingstelling van 7 september 2010.

Tegen dat arrest hebben de verweerders cassatieberoep ingesteld.

Bij arrest P.11.0085.N van 5 april 2011 vernietigt het Hof het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 22 december 2010 in zoverre het uitspraak doet over de huiszoekingen verricht in het aartsbisschoppelijk paleis te Mechelen en in de woningen en het bureel van de verweerder 2, alsmede over de uitgevoerde inbeslagnames.

Bij datzelfde arrest verwerpt het Hof het cassatieberoep voor het overige en verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld.

Het bestreden arrest is ingevolge deze verwijzing gewezen.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep II

1. De eisers II. 1 tot 6, 8, 9, 12, 13, 15 tot 17, 26, 33, 48 en 62 hebben een tweede cassatieberoep ingesteld nadat ze een eerste cassatieberoep hadden ingesteld.

Het tweede cassatieberoep is niet ontvankelijk.

Ontvankelijkheid van de memorie

2. De memorie is ook ingediend door Joël Devillet en Magdalena Gysens die geen cassatieberoep hebben ingesteld.

In zoverre door die personen ingediend, is de memorie niet ontvankelijk.

Eerste middel

Eerste onderdeel

3. Het middel voert schending aan van de artikelen 131 en 235bis Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart de huiszoekingen verricht in het aartsbisschoppelijk paleis te Mechelen en in de woning en de kantoren van de verweerder 2, alsmede de onderzoeksdaden die daarop steunen nietig en beveelt tevens de verwijdering van de nietig verklaarde stukken uit het dossier en hun neerlegging ter griffie, zonder evenwel na te gaan of die onregelmatigheid die geen betrekking heeft op een op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste, de betrouwbaarheid van het bewijs aantast of het eerlijke karakter van het proces in het gedrang brengt; de rechter kan geen bewijs uitsluiten tenzij hij vaststelt dat er sprake is van een schending van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste of wanneer de onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast of het gebruik van het bewijs een inbreuk uitmaakt op het recht op een eerlijk proces.

4. Wanneer het onderzoeksgerecht een onregelmatigheid, verzuim of nietigheid van een onderzoekshandeling of van de bewijsverkrijging vaststelt, spreekt het, als daartoe grond bestaat, de nietigheid uit van die handeling die erdoor is aangetast.

5. Behoudens het geval van de miskenning van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste, kan het onregelmatig stuk slechts uit het dossier verwijderd worden wanneer de rechter vaststelt dat de onregelmatigheid het recht op een eerlijk proces in het gedrang brengt.

6. Daarentegen kunnen de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van het bewijs niet door het onderzoeksgerecht onderzocht worden vermits dit de beoordeling van de bewijswaarde betreft welke enkel toekomt aan de feitenrechter.

7. Hieruit volgt dat wanneer het onderzoeksgerecht vaststelt dat een onderzoekshandeling, zoals een huiszoeking, onregelmatig is, het zelfs ambtshalve moet nagaan of de onregelmatigheid het gevolg is van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste en het recht op een eerlijk proces in het gedrang brengt.

8. Daarenboven, wanneer het onderzoeksgerecht uitspraak doet overeenkomstig artikel 61quater Wetboek van Strafvordering en, ingevolge de controle uitgevoerd met toepassing van artikel 235bis van dat wetboek, oordeelt dat de onderzoekshandeling onregelmatig is maar de onregelmatigheid niet het gevolg is van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste en het recht op een eerlijk proces niet in het gedrang brengt, dan moet het niettemin ook nagaan of men zich bevindt in een der gevallen bedoeld in artikel 61quater, § 3, Wetboek van Strafvordering. Dit houdt in dat het onderzoeksgerecht het verzoek kan afwijzen indien het oordeelt dat de noodwendigheden van het onderzoek het vereisen, indien de opheffing van de onderzoekshandeling de rechten van de partijen of van derden in het gedrang brengt, indien de opheffing van de handeling een gevaar zou opleveren voor personen of goederen, of wanneer de wet in de teruggave of de verbeurdverklaring van de betrokken goederen voorziet. Daarentegen moet het onderzoeksgerecht in het tegenovergestelde geval de opheffing van het beslag bevelen.

9. Het arrest spreekt de nietigheid uit van de op 24 juni 2010 uitgevoerde huiszoekingen in het aartsbisschoppelijk paleis te Mechelen en in de woning en de kantoren van de verweerder 2, alsmede van de daarop volgende inbeslagnames van alle documenten en voorwerpen, en van de tot de datum van het arrest verrichte onderzoeksdaden die daarop steunen. Het beveelt dat de nietig verklaarde stukken uit het dossier zullen worden verwijderd en neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Met de redenen die het bevat, onderzoekt het arrest evenwel niet of de onregelmatigheid van de huiszoekingen en van de inbeslagnames het gevolg is van de miskenning van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste en het recht op een eerlijk proces in het gedrang brengt. Aldus is de beslissing over de verwijdering van de stukken met betrekking tot de huiszoekingen en de inbeslagnames alsmede over hun neerlegging ter griffie niet naar recht verantwoord.

Het onderdeel is gegrond.

Derde middel

10. Het middel voert schending aan van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering en artikel 19 Gerechtelijk Wetboek: het arrest verklaart de tot op de datum van de uitspraak verrichte onderzoeksdaden die steunen op de documenten en voorwerpen in beslag genomen tijdens de nietig verklaarde huiszoekingen nietig; dit punt was ingevolge de verwijzing voor de kamer van inbeschuldigingstelling niet meer aanhangig.

11. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:

- na de eerste verwijzing bij het arrest P.10.1535.N van het Hof van 12 oktober 2010, het openbaar ministerie voor de kamer van inbeschuldigingstelling gevorderd heeft dat de onderzoekshandelingen die het gevolg zijn van de huiszoekingen, nietig worden verklaard en dat de stukken die daarmee verband houden uit het dossier worden verwijderd;

- het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 22 december 2010 oordeelt dat de huiszoekingen uitgevoerd in het aartsbisschoppelijk paleis en in de woning en kantoren van de verweerder 2 alsmede, onder voorbehoud weliswaar van de door het arrest vermelde uitzonderingen, de daar uitgevoerde inbeslagnames, regelmatig zijn;

- het openbaar ministerie tegen dat arrest geen cassatieberoep heeft ingesteld.

12. Deze beslissing houdt in dat het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 22 december 2010 oordeelt dat de onderzoekshandelingen die gesteund zijn op die geldige inbeslagnames, regelmatig zijn, waardoor het arrest tevens de vordering van het openbaar ministerie strekkende tot de nietigverklaring van die onderzoekshandelingen en de verwijdering van de ermee verband houdende stukken, afwijst.

13. Hieruit volgt dat ingevolge de cassatie van de arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling van 9 september 2010 en 22 december 2010, en de verwijzing door het arrest P.11.0085.N van het Hof van 5 april 2011, voor de kamer van inbeschuldigingstelling enkel nog het met toepassing van artikel 61quater Wetboek van Strafvordering ingediende verzoek van de verweerders tot nietigverklaring van de huiszoekingen in het aartsbisschoppelijk paleis te Mechelen en de woning en kantoren van de verweerder 2, alsmede de opheffing van de tijdens die huiszoekingen gelegde inbeslagnames en de teruggave van de in beslag genomen stukken en voorwerpen aanhangig was. Het onderzoek van de regelmatigheid van de procedure als bedoeld in artikel 235bis Wetboek van Strafvordering op verzoek van de verweerders was bijgevolg tot die onderzoekshandelingen beperkt.

14. De kamer van inbeschuldigingstelling had bijgevolg niet meer te oordelen over de zuivering van andere onderzoekshandelingen waarover het arrest van 22 december 2010 van de kamer van inbeschuldigingstelling definitief uitspraak gedaan heeft, zonder op dat punt te zijn vernietigd.

15. Hieruit volgt dat de beslissing van het arrest, eensdeels, de nietigverklaring van de verrichte onderzoeksdaden die steunen op de documenten en voorwerpen in beslag genomen tijdens de nietig verklaarde huiszoekingen uit te spreken, anderdeels, de verwijdering van die stukken uit het dossier en hun neerlegging ter griffie te bevelen, niet naar recht verantwoord is.

Het middel is gegrond.

Vierde middel

16. Het middel voert schending aan van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 22 december 2010, dat op dat punt niet vernietigd werd, reeds beslist heeft dat er geen reden was om over te gaan tot het horen van de onderzoeksrechter; het arrest P.11.0085.N van het Hof van 5 april 2011 heeft het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling vernietigd in zoverre het uitspraak doet over de regelmatigheid van de betwiste huiszoekingen; het verzoek tot het horen van de onderzoeksrechter hield verband met die regelmatigheid zodat ingevolge de verwijzing de kamer van inbeschuldigingstelling dit verzoek opnieuw diende te onderzoeken.

17. Het arrest oordeelt dat de gegevens waarover de onderzoeksrechter beschikte op het ogenblik van de uitvoering van de huiszoekingen op 24 juni 2010 alleen betrekking hadden op de mogelijke of eventuele aanwijzingen over de aanwezigheid van stukken en voorwerpen in de Sint-Romboutskathedraal te Mechelen die eventueel konden bijdragen tot de ontdekking van de waarheid met betrekking tot de in het huiszoekingsbevel bedoelde misdrijven. Het oordeelt ook dat de onderzoeksrechter op dat ogenblik over geen enkel ander gegeven - zelfs geen aanwijzingen - beschikte dat dergelijke voorwerpen of stukken zich ook zouden kunnen bevinden in het aartsbisschoppelijk paleis of in de woning en burelen van de verweerder 2.

18. Gelet op deze onaantastbare beoordeling in feite dat de onderzoeksrechter over geen enkele aanwijzing beschikte dat voorwerpen of stukken nuttig voor het onderzoek zich bevonden in de plaatsen waar de nietig verklaarde huiszoekingen werden uitgevoerd, geven de appelrechters te kennen dat ze voldoende ingelicht waren en een verhoor van de onderzoeksrechter niet noodzakelijk was.

Het middel komt op tegen een overtollige reden en is bijgevolg bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Overige grieven

19. Deze grieven kunnen niet leiden tot ruimere cassatie en behoeven geen antwoord.

Omvang van de cassatie en van de verwijzing

20. De onwettigheid van de beslissing over de verwijdering van de stukken die betrekking hebben op de betwiste huiszoekingen en de bij die gelegenheid bevolen inbeslagnames, alsmede van deze die betrekking hebben op de daarop gesteunde onderzoeksdaden, tast de wettigheid niet aan van de beslissing van het arrest waarbij de huiszoekingen en de daarop volgende inbeslagnames van documenten en voorwerpen verricht in het aartsbisschoppelijk paleis te Mechelen en in de woning en kantoren van de verweerder 2, nietig worden verklaard.

21. De verwijzing strekt zich niet uit tot de vraag naar de regelmatigheid van de tot op de datum van de uitspraak van dat arrest verrichte onderzoeksdaden die steunen op de documenten en voorwerpen inbeslaggenomen tijdens de nietig verklaarde huiszoekingen en de eventuele verwijdering van die stukken uit het dossier en neerlegging ervan ter griffie. Over dat punt valt er immers niets meer te oordelen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het:

- verklaart dat de stukken met betrekking tot de huiszoekingen en inbeslagnames op 24 juni 2010 uitgevoerd in het aartsbisschoppelijk paleis te Mechelen en in de woning en kantoren van de verweerder 2, uit het dossier zullen worden verwijderd en neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel;

- de tot op de datum van de uitspraak van het bestreden arrest verrichte onderzoeksdaden die steunen op de gegevens verkregen ingevolge de nietig verklaarde huiszoekingen, nietig verklaart en beveelt dat de daarmee betrekking hebbende stukken uit het dossier zullen worden verwijderd en neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.

Veroordeelt de eisers en de verweerders elk tot de helft der kosten.

Zegt dat er geen grond is tot verwijzing in zoverre de vernietiging betrekking heeft op de beslissing over, eensdeels, de nietigverklaring van de tot de op de datum van de uitspraak van het bestreden arrest verrichte onderzoeksdaden die steunen op de gegevens verkregen ingevolge de nietig verklaarde huiszoekingen, anderdeels, de verwijdering uit het dossier en de neerlegging ter griffie van de met die onderzoeksdaden betrekking hebbende stukken.

Verwijst voor het overige de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld dan voor de arresten van 9 september 2010, 22 december 2010 en 29 november 2011.

Bepaalt de kosten in het geheel op 407,59 euro waarvan de eisers I 172,23 euro verschuldigd zijn en de eisers II 175,36 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Paul Maffei, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Geert Jocqué, Filip Van Volsem, Peter Hoet en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 3 april 2012 uitgesproken door waarnemend voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick

Vrije woorden

  • Onrechtmatig verkregen bewijs

  • Toelaatbaarheid

  • Beoordeling door de feitenrechter

  • Criteria