- Arrest van 3 april 2012

03/04/2012 - P.10.2021.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Om iemand schuldig te verklaren aan de overtreding van artikel 505, eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek is vereist dat de wederrechtelijke herkomst of oorsprong van de zaken is bewezen, maar het is niet vereist dat de rechter het precieze misdrijf kent, op voorwaarde dat hij op grond van de feitelijke gegevens elke rechtmatige herkomst of oorsprong kan uitsluiten; inkomsten die een illegaal in het land verblijvende werknemer uit een illegale tewerkstelling verkrijgt, zijn niet noodzakelijk illegale vermogensvoordelen, zodat de inkomsten uit die tewerkstelling bijgevolg niet noodzakelijk vermogensvoordelen zijn die rechtstreeks uit een misdrijf zijn verkregen.(1). (1) Cass. 25 sept. 2001, AR P.01.0725.N, AC 2001, nr. 493; Cass. 29 sept. 2010, P.10.0566.F, AC 2010, nr. 559.


Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.2021.N

I

1. J S,

beklaagde,

2. K S,

beklaagde,

eisers,

met als raadsman mr. Raf Verstraeten, advocaat bij de balie te Brussel,

tegen

CENTRUM VOOR GELIJKHEID VAN KANSEN EN RACISMEBESTRIJDING, met zetel te 1000 Brussel, Koningstraat 138,

burgerlijke partij,

verweerder.

II

G S,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Raf Verstraeten, advocaat bij de balie te Brussel,

tegen

CENTRUM VOOR GELIJKHEID VAN KANSEN EN RACISMEBESTRIJDING, met zetel te 1000 Brussel, Koningstraat 138,

burgerlijke partij,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 17 november 2010.

De eisers I voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, één middel aan.

Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

1. Het arrest spreekt de eiser I.1 vrij voor de telastleggingen I.A en I.B in de zaak met notitienummer 45.98.1056/04.

Het arrest spreekt de eiser I.2 vrij voor de telastlegging I.A in de zaak met notitienummer 45.98.1056/04.

Het arrest spreekt de eisers I en eiser II vrij voor de telastlegging II.b) in de zaak met notitienummer 55.F1.1797/07.

2. In zoverre ook tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen wegens gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Eerste middel van de eisers I.1 en I.2

3. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces zijn in de regel geschaad als incriminerende verklaringen die door een beschuldigde werden afgelegd tijdens een politieverhoor of een ondervraging door de onderzoeksrechter, zonder de mogelijkheid van bijstand van een advocaat, worden gebruikt voor een veroordeling; in de mate dat het bestreden arrest de schuldigverklaring van de eisers aan telastlegging II.a) in de zaak met notitienummer 55.F1.1797/07 op doorslaggevende wijze baseert op hun eigen verklaringen, die zij buiten de aanwezigheid van hun raadsman hebben afgelegd en waarbij zij zich bovendien in een kwetsbare positie bevonden, miskent dit arrest op onherstelbare wijze hun recht van verdediging en hun recht op een eerlijk proces, waarvan het recht op de bijstand van een advocaat deel uitmaakt.

4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eisers voor het hof van beroep hebben aangevoerd dat zij verhoord werden zonder de bijstand van een advocaat waardoor hun recht van verdediging en recht op een eerlijk proces op onherstelbare wijze werden miskend.

5. De door de eisers afgelegde verklaringen waren in het debat voor het hof van beroep en het was geenszins onvoorzienbaar dat de appelrechters deze verklaringen in aanmerking zouden nemen voor de vorming van hun overtuiging. Het feit dat de eisers die verklaringen hebben afgelegd zonder bijstand van een advocaat was voor alle partijen een gekend gegeven tijdens de behandeling van de zaak door de appelrechters. De gronden die het middel ondersteunen zijn dus niet van die aard dat de eisers ze slechts bij de kennisneming van het arrest konden ontdekken.

Het middel is nieuw, mitsdien niet ontvankelijk.

Tweede middel van de eisers I.1 en I.2

6. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest oordeelt dat de overeenkomstig artikel 90quater, § 1, tweede lid, 2°, Wetboek van Strafvordering bevolen afluistermaatregelen regelmatig zijn; in conclusie hebben de eisers, benevens een schending van die wetsbepaling, aangevoerd dat de bevolen afluistermaatregelen onregelmatig waren daar één van de in artikel 90ter Wetboek van Strafvordering bepaalde materiële voorwaarden voor het bevelen van een afluistermaatregel, met name de vereiste dat de overige middelen van onderzoek niet volstaan om de waarheid aan het licht te brengen, op het ogenblik van het bevelen van deze afluistermaatregelen, niet vervuld was; uit de redenen van het arrest blijkt niet op welke gronden het oordeelt dat was voldaan aan de materiële voorwaarden voorgeschreven door artikel 90ter Wetboek van Strafvordering; aldus beantwoordt het arrest die conclusie niet.

7. Voor de appelrechters hebben de eisers geconcludeerd zoals in het middel weergegeven.

8. Het arrest oordeelt dat de onderzoekers rapporteren dat er gewerkt zou worden met het zogenaamde "Hindi"-systeem voor wat betreft de overdracht van gelden, dat de onderzoeksrechter in zijn beschikking verwijst naar dit transfertsysteem zodat hij enkele alinea's verder in zijn beschikking terecht kon vaststellen dat van de verdachten niet kan verwacht worden dat zij eenvoudige sporen en bewijzen, zoals geschreven stukken, zullen achterlaten, dat het geheel van de bewoordingen van de beschikking op afdoende wijze het onontbeerlijke karakter van de afluistermaatregel motiveert, zodat voldaan is aan de in artikel 90quater Wetboek van Strafvordering voorgeschreven vermeldingen.

Met die redenen vermeldt het arrest concreet waaruit het afleidt dat op het ogenblik van het bevelen van de betwiste afluistermaatregelen, de onderzoeksrechter kon oordelen dat de overige middelen van onderzoek niet volstonden om de waarheid aan het licht te brengen.

Aldus beantwoordt het arrest het bedoelde verweer .

Het middel mist feitelijke grondslag.

Derde middel van de eisers I.1 en I.2 en middel van de eiser II

Eerste onderdeel

9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 42, 1°, en 505 Strafwetboek: het arrest laat de vaststelling van de illegale herkomst van de gelden die het voorwerp uitmaken van de bewezen verklaarde witwashandelingen steunen op de vaststelling dat deze gelden, enerzijds, voortkomen uit mensensmokkel en, anderzijds, de "illegale inkomsten zijn van illegaal in België verblijvende Indiërs"; het arrest oordeelt desbetreffende dat de gelden die het voorwerp uitmaken van de in hoofde van de eisers bewezen verklaarde telastlegging witwassen, illegale vermogensvoordelen zijn, daar zij illegale inkomsten zijn uit een illegale tewerkstelling; het arrest gaat verkeerdelijk ervan uit dat alle inkomsten verkregen uit een illegale tewerkstelling, ipso facto illegale vermogensvoordelen zijn; de motieven van het bestreden arrest laten niet toe na te gaan in welke mate de appelrechters de gelden die het voorwerp uitmaken van de bewezen verklaarde witwasmisdrijven beschouwen als illegale vermogensvoordelen voortkomend uit mensensmokkel, dan wel als illegale vermogensvoordelen voortkomend uit een illegale tewerkstelling.

10. De witwasmisdrijven bedoeld in artikel 505, eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek betreffen de zaken bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek, meer bepaald de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit een misdrijf zijn verkregen, de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en de inkomsten uit de belegde voordelen.

11. Om iemand schuldig te verklaren aan de overtreding van artikel 505, eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek is vereist dat de wederrechtelijke herkomst of oorsprong van de zaken is bewezen. Het is niet vereist dat de rechter het preciese misdrijf kent, op voorwaarde dat hij op grond van de feitelijke gegevens elke rechtmatige herkomst of oorsprong kan uitsluiten.

12. Inkomsten die een illegaal in het land verblijvende werknemer uit een illegale tewerkstelling verkrijgt, zijn niet noodzakelijk illegale vermogensvoordelen. De inkomsten uit die tewerkstelling zijn bijgevolg niet noodzakelijk vermogensvoordelen die rechtstreeks uit een misdrijf zijn verkregen.

13. Het arrest verklaart de eisers schuldig aan de feiten omschreven onder telastlegging II.a) tweede en derde gedachtestreepje in de zaak met notitienummer 55.F1.1797/07 (misdrijf bedoeld in artikel 505, eerste lid, 3° en 4° Strafwetboek), op grond van de vaststelling "dat het geld dat werd overgemaakt van België naar Indië via het Hawala-systeem illegale inkomsten zijn van illegaal in België verblijvende Indiërs en opbrengsten van de mensensmokkel". Het besluit tot de illegaliteit van de voormelde inkomsten op grond "dat de betrokken inkomsten uit (...) illegale tewerkstelling vermogensvoordelen betreffen die rechtstreeks uit een misdrijf zijn verkregen, ook al is dit misdrijf alleen maar strafbaar in hoofde van de werkgever. Bovendien verblijven de betrokken werknemers illegaal in het land".

14. Die redenen laten niet toe uit te maken in welke mate het arrest oordeelt dat de gelden die het voorwerp uitmaken van de bewezen verklaarde witwasmisdrijven voortkomen van strafbare mensensmokkel dan wel van een illegale tewerkstelling. Aldus is de schuldigverklaring wegens de telastlegging II.a) tweede en derde gedachtestreepje in de zaak met notitienummer 55.F1.1797/07, niet regelmatig met redenen omkleed.

Het onderdeel is gegrond.

Tweede onderdeel

15. Het onderdeel dat niet kan leiden tot ruimere cassatie of tot cassatie zonder verwijzing, behoeft geen antwoord.

Ambtshalve onderzoek van het overige van de beslissingen op de strafvordering

16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eisers:

- schuldig verklaart wegens de telastleggingen II.a), tweede en derde gedachtenstreepje, in de zaak met notitienummer 55.F1.1797/07;

- tot straf en bijdrage veroordeelt.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.

Veroordeelt de eisers tot de helft van de kosten en laat de overige kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.

Bepaalt de kosten in het geheel op 269,58 euro waarvan de eisers I en de eiser II elk 148,27 euro verschuldigd zijn.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Geert Jocqué, Filip Van Volsem en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 3 april 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Witwas

  • Bestanddelen

  • Wederrechtelijke herkomst of oorsprong

  • Bepaling