- Arrest van 4 april 2012

04/04/2012 - P.11.2085.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 19.1 Wegverkeersreglement bepaalt dat men, alvorens links af te slaan, zich ervan moet vergewissen dat men dit kan doen zonder gevaar voor de andere weggebruikers, vooral rekening houdend met de vertragingsmogelijkheden van de achterliggers; artikel 19.3 verduidelijkt dat de bestuurder die naar links afslaat zijn voornemen tijdig genoeg kenbaar moet maken en zich naar links moet begeven zonder de tegenliggers te hinderen; beide bepalingen staan de bestuurder niet toe om zich pas op het kruispunt naar links te begeven en staan hem evenmin toe om tot dat ogenblik te wachten om zijn richtingaanwijzers aan te steken; het voornemen om naar links af te slaan en de uitwijking die daarmee gepaard gaat moeten tijdig genoeg kenbaar worden gemaakt teneinde de andere weggebruikers niet in gevaar te brengen, wat inhoudt dat men eerst heeft nagegaan of er eventueel geen weggebruikers naderen (1). (1) Zie Cass. 11 maart 2009, AR P.08.1520.F, AC, 2009, nr. 189.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.2085.F

B. M.,

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

B. P.,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Dinant van 19 september 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Afdelingsvoorzitter Frédéric Close heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing waarbij de eiser veroordeeld wordt op de strafvordering die tegen hem is ingesteld

1. wegens de telastlegging onopzettelijke slagen en verwondingen, gevolgen van een verkeersongeval

Middel

Het vonnis wordt verweten dat het de artikelen 19.1 en 19.3 Wegverkeerreglement uitlegt in die zin dat zij de bestuurder die naar links wil afslaan, de verplichting opleggen om zijn richtingaanwijzers vóór het kruispunt te laten werken. Volgens het middel is de bestuurder daar vóór het kruispunt alleen toe verplicht wanneer hij zich naar links begeeft. Volgens de eiser bestaat die verplichting dus niet wanneer geen dergelijke rijbeweging wordt uitgevoerd.

Artikel 19.1 Wegverkeerreglement bepaalt dat men, alvorens links af te slaan, zich ervan moet vergewissen dat men dit kan doen zonder gevaar voor de andere weggebruikers, vooral rekening houdend met de vertragingsmogelijkheden van de achterliggers.

Artikel 19.3 verduidelijkt dat de bestuurder die naar links afslaat, zijn voornemen tijdig genoeg kenbaar moet maken en zich naar links moet begeven zonder de te-genliggers te hinderen.

De voormelde wettelijke bepalingen staan de bestuurder niet toe om zich pas op het kruispunt naar links te begeven en staan hem evenmin toe om tot dat ogenblik te wachten om zijn richtingaanwijzers in werking te stellen.

Het voornemen om naar links af te slaan en de uitwijking die daarmee gepaard gaat, moeten tijdig genoeg kenbaar worden gemaakt om te vermijden de andere weggebruikers in gevaar te brengen, wat inhoudt dat men eerst heeft nagegaan of er eventueel geen weggebruikers naderen.

De bodemrechter kan oordelen dat die voorzorgen niet of slechts laattijdig werden genomen, met name, zoals te dezen, pas op het kruispunt.

Het bestreden vonnis stelt vast dat de bestuurder nooit in zijn achteruitkijkspiegel heeft gekeken, dat hij zich niet ervan heeft vergewist of hij, alvorens het kruispunt op te rijden, zijn manoeuvre zonder gevaar kon uitvoeren, dat hij zijn richting-aanwijzer eerst heeft doen werken toen hij zich op het kruispunt bevond, zonder dat hij zijn bedoeling kenbaar heeft gemaakt door duidelijk uit te wijken en dat de verweerder alleen maar oprecht verrast kon zijn toen het konvooi links begon af te slaan.

Die vaststellingen verantwoorden naar recht de beslissing volgens welke de eiser de artikelen 19.1 en 19.3 Wegverkeerreglement heeft overtreden.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve middel: schending van de artikelen 40 Strafwetboek en 69bis Wegver-keerswet

De vervanging van de onbetaalde geldboete door een vervallenverklaring van het recht tot sturen is een vervangende straf die artikel 69bis Wegverkeerswet oplegt voor de overtredingen van die wet en van de ter uitvoering ervan genomen beslui-ten.

Geldboeten voor misdrijven uit het Strafwetboek kunnen niet samen met die spe-cifieke vervangende straf opgelegd worden.

Het vonnis dat de eiser veroordeelt tot een geldboete van vijfenzeventig euro ver-meerderd met de opdeciemen, met twee jaar uitstel, of een vervangende verval-lenverklaring van het recht tot sturen van vijfenveertig dagen met hetzelfde uitstel, schendt de in het middel bedoelde wetsbepalingen.

Voor het overige zijn de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht genomen en is de beslissing overeenkomstig de wet gewe-zen.

2. wegens een overtreding in verband met de technische controle

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing die, op de tegen de eiser ingestelde burgerlijke rechtsvordering, uitspraak doet over

1. het beginsel van aansprakelijkheid

De eiser voert geen bijzonder middel aan.

2. de omvang van de schade

Het vonnis kent de verweerder een provisionele schadevergoeding toe, wijst een deskundige aan, houdt de uitspraak over de overige punten van de vordering aan en stelt de verdere behandeling van de zaak sine die uit.

Dergelijke beslissing is geen eindbeslissing in de zin van artikel 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en houdt geen verband met de gevallen bedoeld in het tweede lid van dat artikel.

Het cassatieberoep is niet ontvankelijk.

C. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering van de eiser tegen de verweerder

De eiser voert geen middel aan.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de eiser veroordeelt tot een vervan-gende vervallenverklaring van het recht tot sturen wegens de telastlegging onop-zettelijke slagen en verwondingen.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis.

Veroordeelt de eiser in drie vierde van de kosten van zijn cassatieberoep en laat het overige vierde ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank te Namen, zitting houdende in hoger beroep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare rechtszitting van 4 april 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Luc Van hoogenbemt en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden