- Arrest van 5 april 2012

05/04/2012 - C.11.0430.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer een middel, voor het Hof, de vraag opwerpt of, mede in acht genomen de kwalificatie naar Belgisch recht van de in het geding zijnde artikelen 18, 20 en 21 van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst als bepalingen van bijzonder dwingend recht in de zin van artikel 7.2 EVO, de artikelen 3 en 7.2 EVO, al dan niet in samenhang gelezen met richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen in de Lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten, aldus moeten worden uitgelegd dat zij toelaten dat de bepalingen van bijzonder dwingend recht van het land van de rechter die een ruimere bescherming bieden dan het door richtlijn 86/653/EEG opgelegde minimum, worden toegepast op de overeenkomst, ook indien blijkt dat het op de overeenkomst toepasselijke recht het recht van een andere EU-lidstaat is waarin tevens de minimumbescherming die geboden wordt door voormelde richtlijn 86/653/EEG werd geïmplementeerd, stelt het Hof de vraag tot uitlegging van die bepalingen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0430.N

UNITED ANTWERP MARITIME AGENCIES (UNAMAR) nv, met zetel te 2000 Antwerpen, Brouwersvliet 25,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

NAVIGATION MARITIME BULGARE, vennootschap naar Bulgaars recht, met zetel te 9000 Varna (Bulgarije), Primorski Boulevard 1, Navibulgar House,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 23 december 2010.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft op 6 maart 2012 een conclusie neergelegd.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd.

II. FEITEN

Tussen de eiseres en de verweerster die een Bulgaarse vennootschap is, werd vanaf 2005 voor de uitbating van verweersters containerlijndienst Bulcon een schriftelijke agentuurovereenkomst afgesloten. Deze handelsagentuur werd bij overeenkomst van 22 december 2008 een laatste maal verlengd tot 31 maart 2009.

In deze overeenkomst was bepaald dat zij wordt beheerst door het Bulgaars recht en dat elk geschil met betrekking tot de overeenkomst door de Arbitragekamer bij de Bulgaarse kamer van koophandel en industrie te Sofia zal worden beslecht.

De eiseres die van oordeel was dat de handelsagentuur onrechtmatig werd beëindigd, dagvaardde de verweerster op 25 februari 2009 voor de rechtbank van koophandel te Antwerpen teneinde betaling te bekomen van diverse in de Belgische wet op de handelsagentuur van 13 april 1995 bepaalde schadevergoedingen, met name een opzeggingsvervangende vergoeding, een uitwinningsvergoeding en een bijkomende schadevergoeding wegens ontslag personeel, hetzij van een totaal bedrag aan vergoedingen van 849.557,05 euro.

Op 13 maart 2009 ging de verweerster op haar beurt over tot dagvaarding van de eiseres voor de rechtbank van koophandel te Antwerpen in betaling van achtergehouden vrachtgelden ten bedrage van 327.207,87 euro.

Na samenvoeging van beide zaken, oordeelde de rechtbank van koophandel te Antwerpen bij vonnis van 12 mei 2009 dat, wat betreft de door de eiseres ingestelde vordering tot betaling van schadevergoedingen, de door de verweerster ingeroepen exceptie van afwezigheid van rechtsmacht op grond van een arbitragebeding ongegrond was.

In dat vonnis van 12 mei 2009 oordeelde de rechtbank van koophandel dat:

- artikel 27 Belgische handelsagentuurwet een onmiddellijk, toepasbare, eenzijdige collisieregel is die de keuze van buitenlands recht buitenspel zet;

- de agentuurwet weliswaar niet behoort tot de Belgische internationale openbare orde maar in elk geval moet worden toegepast;

- geschillen die binnen de werkingssfeer van de agentuurwet vallen, derhalve niet vatbaar zijn voor arbitrage tenzij het Belgische recht of een equivalent buitenlands recht in de agentuurovereenkomst toepasselijk wordt verklaard;

- aangezien de tussen partijen gesloten overeenkomst aan het Bulgaarse recht is onderworpen en niet blijkt dat de in de richtlijn 86/653/EEG vervatte rechtsregels volgens dat recht ook gelden voor handelsagenten die overeenkomsten tot verstrekking van diensten tot stand brengen, de door de verweerster voorgedragen excepties van afwezigheid van rechtsmacht falen.

Op 24 juni 2009 stelde de verweerster hoger beroep in tegen voormeld vonnis en voerde aan dat de rechtbank zich, bij toepassing van het arbitragebeding, zonder rechtsmacht had dienen te verklaren.

Omdat de eiseres de in de handelsagentuurovereenkomst bedongen bankgarantie op eerste verzoek van 250.000 euro niet had verlengd, ging de verweerster daarnaast ook over tot dagvaarding van eiseres in kort geding teneinde betaling te bekomen van deze som van 250.000 euro.

Deze vordering werd ingewilligd bij beschikking van de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Antwerpen van 13 mei 2009 en bij arrest van 28 oktober 2009 bevestigd door het hof van beroep te Antwerpen.

Bij arrest van 23 december 2010 doet het hof van beroep te Antwerpen uitspraak over het hoger beroep tegen het vonnis van 12 mei 2009.

Het hof van beroep veroordeelt de eiseres tot betaling van het saldo van de vrachtgelden ten bedrage van 77.207,87 euro te vermeerderen met de verwijlrente aan de wettelijke rentevoet en tot de kosten.

Verder verklaart het hof van beroep de door de verweerster ingeroepen exceptie van afwezigheid van rechtsmacht gegrond en verklaart zich zonder rechtsmacht om te oordelen over de door de eiseres tegen de verweerster ingestelde vordering tot betaling van schadevergoedingen.

III. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

IV. BESLISSING VAN HET HOF

1. Artikel 2, lid 1, Verdrag betreffende de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken, gesloten te New York op 10 juni 1958, goedgekeurd bij wet van 5 juni 1975, bepaalt dat iedere Verdragsluitende Staat de schriftelijke overeenkomst erkent waarbij partijen zich verbinden aan een uitspraak van scheidsmannen te onderwerpen alle of bepaalde geschillen welke tussen hen zijn gerezen of welke tussen hen zouden kunnen rijzen naar aanleiding van een bepaalde al dan niet contractuele rechtsbetrekking en betreffende een geschil, dat vatbaar is voor de beslissing door arbitrage.

Artikel 2, lid 3, van voormeld verdrag bepaalt dat de rechter van een Verdragsluitende Staat bij wie een geschil aanhangig wordt gemaakt over een onderwerp ten aanzien waarvan partijen een overeenkomst als bedoeld in dit artikel hebben aangegaan, partijen op verzoek van een hunner naar arbitrage verwijst, tenzij hij constateert, dat genoemde overeenkomst vervallen is, niet van kracht is of niet kan worden toegepast.

2. Deze verdragsbepalingen sluiten niet uit dat de rechter die gevat wordt voor een geschil betreffende een contract dat door de wil van de partijen onderworpen is aan een vreemde wet, de toepassing van een overeenkomstig die vreemde wet geldig arbitragebeding afwijst. Een dergelijke afwijzing kan echter slechts gebeuren op grond van een rechtsregel uit de lex fori die het voorwerp van het geschil op zich niet vatbaar acht voor arbitrage.

3. Artikel 18 van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst bepaalt:

"Artikel 18, § 1. Is de handelsagentuurovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten of voor bepaalde tijd met de mogelijkheid vroegtijdig op te zeggen, dan heeft ieder der partijen het recht om die te beëindigen met inachtneming van een opzeggingstermijn.

De opzeggingstermijn bedraagt één maand gedurende het eerste jaar van de overeenkomst. Na het eerste jaar wordt de opzeggingstermijn vermeerderd met een maand voor elk begonnen jaar zonder dat deze termijn zes maanden mag te boven gaan en onverminderd de bepalingen van het derde lid. De partijen mogen geen kortere opzeggingstermijnen overeenkomen. Indien de partijen een langere dan in het tweede lid bedoelde termijn overeenkomen, mag de door de principaal in acht te nemen opzeggingstermijn niet korter zijn dan die welke aan de handelsagent is opgelegd.

§ 2. De kennisgeving van de opzegging geschiedt door afgifte aan de andere partij van een geschrift waarin het begin en de duur van de opzeggingstermijn worden aangegeven. De kennisgeving kan ook geschieden hetzij bij een ter post aangetekende brief, die uitwerking heeft de derde werkdag na de datum van verzending, hetzij bij gerechtsdeurwaardersexploot. Behoudens andersluidende bepaling moet het einde van de opzeggingstermijn samenvallen met het einde van een kalendermaand.

§ 3. De partij die de overeenkomst beëindigt zonder een van de in artikel 19, eerste lid, vermelde redenen op te geven of zonder de in § 1, tweede lid, vastgestelde opzeggingstermijn in acht te nemen, is gehouden de andere partij een opzeggingsvergoeding te betalen die gelijk is aan de vergoeding die gebruikelijk is en overeenstemt hetzij met de duur van de opzeggingstermijn, hetzij met het resterende deel van die termijn.

Wanneer de vergoeding van de handelsagent geheel of gedeeltelijk uit commissies bestaat, wordt de vergoeding berekend op basis van het maandelijks gemiddelde van de commissies verdiend gedurende de twaalf maanden die aan de beëindiging van de overeenkomst voorafgaan of, in voorkomend geval, gedurende de maanden die de beëindiging van de overeenkomst voorafgaan.

§ 4. In afwijking van artikel 19, eerste lid, kan in een instelling in de sector van het verzekeringswezen, van de kredietinstellingen of van de gereglementeerde markten voor effecten waar een paritair overlegorgaan werd opgericht, de handelsagentuurovereenkomst met een in dat orgaan verkozen handelsagent tijdens de volledige duur van diens mandaat niet eenzijdig worden beëindigd door de principaal. Hetzelfde geldt voor de handelsagentuurovereenkomst gesloten met de rechtspersoon waarvan de zaakvoerder of de afgevaardigde bestuurder verkozen werd als vertegenwoordiger van de handelsagenten.

In afwijking van het vorige lid kan de handelsagentuurovereenkomst door de principaal worden opgezegd, indien hij aantoont dat de opzegging is gebaseerd op objectieve economische criteria die voor al zijn handelsagenten op dezelfde wijze worden toegepast, onder meer wanneer het in onderling overleg afgesproken business-plan in belangrijke mate niet gerealiseerd wordt en de handelsagent dat niet aan de hand van objectieve feiten kan verantwoorden.

Indien de overeenkomst door de principaal wordt beëindigd zonder een ernstige tekortkoming van de handelsagent in de zin van artikel 19, eerste lid, of wordt opgezegd zonder dat het bewijs wordt geleverd dat de opzegging is gebaseerd op de in het tweede lid bedoelde objectieve economische criteria, is de principaal aan de handelsagent een bijzondere vergoeding verschuldigd waarvan het bedrag gelijk is aan achttien maanden vergoeding berekend overeenkomstig § 3, onverminderd de andere voor de handelsagent uit de wet voortvloeiende rechten naar aanleiding van de beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst.

Deze bepalingen blijven van toepassing tijdens een periode van zes maanden vanaf de beëindiging van het mandaat in het paritair overlegorgaan. Het mandaat eindigt op de datum van de eerste vergadering van het nieuw verkozen paritair overlegorgaan.

§ 5. Bovendien kan de handelsagentuurovereenkomst met een handelsagent die kandidaat is voor het paritair overlegorgaan niet eenzijdig worden beëindigd door de principaal vanaf de kandidaatstelling tot aan de eerste vergadering van het nieuw gekozen overlegorgaan. Hetzelfde geldt voor de handelsagentuurovereenkomst gesloten met de rechtspersoon waarvan de zaakvoerder of de afgevaardigde bestuurder zich kandidaat heeft gesteld als vertegenwoordiger van de handelsagenten.

In afwijking van het vorige lid kan de handelsagentuurovereenkomst wel door de principaal met onmiddellijke ingang worden beëindigd omwille van een in artikel 19, eerste lid, bedoelde uitzonderlijke omstandigheid of ernstige tekortkoming van de handelsagent.

Indien de overeenkomst door de principaal met toepassing van het vorige lid met onmiddellijke ingang werd beëindigd zonder dat er sprake is van een uitzonderlijke omstandigheid of een ernstige tekortkoming van de handelsagent in de zin van artikel 19, eerste lid, is er door de principaal aan de handelsagent een bijzondere vergoeding verschuldigd waarvan het bedrag gelijk is aan één jaar vergoeding berekend overeenkomstig § 3, onverminderd de andere voor de handelsagent uit de wet voortvloeiende rechten naar aanleiding van de beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst."

Het artikel 20 van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst bepaalt:

"Artikel 20. Na de beëindiging van de overeenkomst heeft de handelsagent recht op een uitwinningsvergoeding wanneer hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of wanneer hij de zaken met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid, voor zover dit de principaal nog aanzienlijke voordelen kan opleveren.

Indien de overeenkomst voorziet in een concurrentiebeding, wordt de principaal geacht, behoudens tegenbewijs, nog aanzienlijke voordelen te krijgen.

Het bedrag van deze uitwinningsvergoeding wordt bepaald rekening houdend zowel met de gerealiseerde uitbreiding van de zaken als met de aanbreng van klanten.

De uitwinningsvergoeding mag niet meer bedragen dan het bedrag van een jaar vergoeding berekend op basis van het gemiddelde van de vijf voorafgaande jaren of op basis van de gemiddelde vergoeding in de voorafgaande jaren indien de overeenkomst minder dan vijf jaar heeft geduurd.

De uitwinningsvergoeding is niet verschuldigd:

1° indien de principaal de overeenkomst heeft beëindigd vanwege een aan de agent te wijten ernstige tekortkoming zoals bepaald in artikel 19, eerste lid;

2° indien de handelsagent de overeenkomst heeft beëindigd, tenzij de beëindiging voortvloeit uit een aan de principaal te wijten reden, zoals bepaald in artikel 19, eerste lid, of het gevolg is van leeftijd, invaliditeit of ziekte van de handelsagent op grond waarvan redelijkerwijze niet meer van hem kan worden gevergd dat hij zijn werkzaamheden voortzet;

3° indien de handelsagent of diens erfgenamen, overeenkomstig een afspraak met de principaal, hun rechten en verplichtingen uit hoofde van de agentuurovereenkomst aan een derde overdragen.

De handelsagent verliest zijn recht op de uitwinningsvergoeding indien hij de principaal niet binnen een jaar na de beëindiging van de overeenkomst ervan in kennis gesteld heeft dat hij voornemens is zijn rechten te doen gelden."

Het artikel 21 van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst bepaalt:

"Artikel 21. Voor zover de handelsagent recht heeft op de uitwinningsvergoeding bepaald in artikel 20 en het bedrag van deze vergoeding de werkelijk geleden schade niet volledig vergoedt, kan de handelsagent, mits hij de werkelijke omvang van de beweerde schade bewijst, boven deze vergoeding schadeloosstelling verkrijgen ten belope van het verschil tussen het bedrag van de werkelijk geleden schade en het bedrag van die vergoeding".

4. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat voormelde bepalingen van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst, die in de Belgische wetgeving richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen in de Lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten omzette, als bepalingen van dwingend recht dienen te worden aangezien en dit omwille van het dwingend karakter van de richtlijn.

5. Artikel 27 van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst bepaalt:

"Onverminderd de toepassing van internationale verdragen die België heeft gesloten, is elke activiteit van een handelsagent met hoofdvestiging in België onderworpen aan de Belgische wet en behoort tot de bevoegdheid van de Belgische rechtbanken."

6. Uit die bepaling en de wetsgeschiedenis volgt derhalve dat het de bedoeling is aan de agent die zijn hoofdvestiging in België heeft de bescherming te bieden van de dwingende bepalingen van de Belgische wet, ongeacht het op de overeenkomst toepasselijke recht.

7. Krachtens het artikel 3 van het hier toepasselijke Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: EVO), kan een overeenkomst worden beheerst door het recht dat partijen hebben gekozen.

Het artikel 7.2 EVO bepaalt dat dit verdrag de toepassing onverlet laat van de bepalingen van het recht van het land van de rechter die ongeacht het op de overeenkomst toepasselijke recht, het geval dwingend beheersen.

8. Een uitlegging van voormelde verdragsbepalingen uit het EVO, waarvoor het Hof van Justitie bevoegd is, is te dezen noodzakelijk voor de te wijzen beslissing.

De vraag rijst meer bepaald of, mede in acht genomen de kwalificatie naar Belgisch recht van de in het geding zijnde artikelen 18, 20 en 21 van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst als bepalingen van bijzonder dwingend recht in de zin van artikel 7.2 EVO, de artikelen 3 en 7.2 EVO, al dan niet in samenhang gelezen met richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen in de Lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten, aldus moeten worden uitgelegd dat zij toelaten dat de bepalingen van bijzonder dwingend recht van het land van de rechter die een ruimere bescherming bieden dan het door richtlijn 86/653/EEG opgelegde minimum, worden toegepast op de overeenkomst, ook indien blijkt dat het op de overeenkomst toepasselijke recht het recht van een andere EU-lidstaat is waarin tevens de minimumbescherming die geboden wordt door voormelde richtlijn 86/653/EEG werd geïmplementeerd.

Dictum

Het Hof,

Houdt iedere nadere uitspraak aan tot het Hof van Justitie van de Europese Unie over de hiernavolgende vraag uitspraak zal hebben gedaan:

"Moeten, mede in acht genomen de kwalificatie naar Belgisch recht van de in het geding zijnde artikelen 18, 20 en 21 van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomt als bepalingen van bijzonder dwingend recht in de zin van artikel 7.2 EVO, de artikelen 3 en 7.2 EVO, al dan niet in samenhang gelezen met richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen in de Lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten, aldus worden uitgelegd dat zij toelaten dat de bepalingen van bijzonder dwingend recht van het land van de rechter die een ruimere bescherming bieden dan het door richtlijn 86/653/EEG opgelegde minimum, worden toegepast op de overeenkomst, ook indien blijkt dat het op de overeenkomst toepasselijke recht het recht van een andere EU-lidstaat is waarin tevens de minimumbescherming die geboden wordt door voormelde richtlijn 86/653/EEG werd geïmplementeerd?"

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit raadsheer Eric Stassijns, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, Koen Mestdagh en Antoine Lievens, en in openbare rechtszitting van 5 april 2012 uitgesproken door waarnemend voorzitter Eric Stassijns, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Europese Unie

  • Artikel 3 en 7.2 EVO

  • Artikel 2, richtlijn 86/653/EEG van 18 dec. 1986

  • Handelsagentuurovereenkomst

  • Handelsagentuurwet

  • Dwingend recht

  • Ruimere bescherming dan het minimum van de richtlijn

  • Recht van een andere lidstaat

  • Toepasselijkheid

  • Uitlegging

  • Hof van Justitie

  • Hof van Cassatie

  • Prejudiciële vraag

  • Verplichting