- Arrest van 5 april 2012

05/04/2012 - D.11.0009.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer de stafhouder aan de tuchtraad kennis geeft van een tuchtzaak, nadat hij een klacht tegen een advocaat van zijn Orde heeft ontvangen en onderzocht of daartoe een onderzoeker heeft aangesteld of nadat hij ambtshalve of op schriftelijke aangifte van de procureur-generaal een onderzoek heeft ingesteld en oordeelt dat er redenen bestaan om de betrokken advocaat te laten verschijnen voor de tuchtraad, treedt hij op als een orgaan van de Orde, maar is hij geen rechterlijke instantie zoals bedoeld in artikel 6.1 EVRM (1). (1) Cass. 24 juni 2004, AR D.02.0022.N, AC 2004, nr. 355; zie Cass. 18 mei 2006, AR D.05.0015.N, AC 2006, nr. 281, met concl. O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. D.11.0009.N

Y.,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480/3, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL, met kantoor te 1000 Brussel, Justitiepaleis, Poelaertplein 1,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing van de tuchtraad van beroep van de Orde van advocaten van 17 maart 2011.

Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Na te hebben vastgesteld dat de eiseres aanvoerde dat X tegen haar geen klacht neerlegde maar zich enkel verzette tegen haar tussenkomst als raadsman van haar echtgenoot in de echtscheidingsprocedure, oordelen de appelrechters: "De Tuchtraad van Beroep oordeelt wel dat de brief van X van 30 december 2009 aan de Stafhouder van de Orde van Advocaten (...) geen klacht inhoudt in de zin van artikel 458 Gerechtelijk Wetboek. Er wordt bijgevolg geen rekening gehouden met de inhoud van de klacht. De Tuchtraad van Beroep doet derhalve de beslissing van de Tuchtraad voor Advocaten van de Balies van het rechtsgebied van het hof van beroep te Gent van 15 september 2010 teniet en trekt de zaak tot zich. De Tuchtraad van Beroep stelt daarbij vast dat de Stafhouder eveneens ambtshalve een onderzoek kan instellen en een advocaat naar de Tuchtraad kan verwijzen."

2. Door aldus te oordelen geven de appelrechters te kennen dat de stafhouder ambtshalve een onderzoek had ingesteld.

Het onderdeel dat van een onjuiste lezing uitgaat mist in zoverre feitelijke grondslag.

3. Het onderdeel dat voor het overige is afgeleid uit de tevergeefs aangevoerde onregelmatigheid bij de aanhangigmaking van de tuchtvervolging, is niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

4. Het onderdeel gaat geheel ervan uit dat X steeds formeel als klager werd behandeld "gedurende de volledige tuchtprocedure", hetgeen een schending van de in het middel aangewezen wettelijke bepalingen door de tuchtraad van beroep tot gevolg zou hebben.

5. Het onderdeel steunt zich hiertoe evenwel enkel op de afwikkeling van de procedure in eerste aanleg, die door de bestreden tuchtbeslissing werd teniet gedaan.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

6. In haar conclusie voerde de eiseres haar verweer inzake artikel 6.1. EVRM met betrekking tot de handelingen van de stafhouder bij:

- het aanhangig maken van een onderzoek en de plaats van de klager;

- bij het aanhangig maken van de procedure voor de tuchtraad;

- de samenstelling van het tuchtdossier lopende het tuchtonderzoek;

- de beslissing tot verwijzing naar de tuchtraad.

7. In deze concrete context viseren de appelrechters met hun oordeel enkel het optreden van de stafhouder in de onderzoeksfase en niet de eigenlijke beoordelingsfase.

Het onderdeel dat op een onjuiste lezing berust, mist feitelijke grondslag.

Tweede middel

8. Krachtens artikel 459, § 1, Gerechtelijk Wetboek zoals gewijzigd bij wet van 21 juni 2006, neemt de tuchtraad kennis van de tuchtzaken door toedoen van de stafhouder van de betrokken advocaat, nadat de stafhouder krachtens artikel 458, § 1 en § 2, Gerechtelijk Wetboek een klacht heeft ontvangen en onderzocht of daartoe een onderzoeker heeft aangesteld, of nadat hij ambtshalve of op schriftelijke aangifte van de procureur-generaal een onderzoek heeft ingesteld. Wanneer hij oordeelt dat er redenen bestaan om de advocaat te laten verschijnen voor de tuchtraad, zendt hij het dossier over aan de voorzitter van die tuchtraad met zijn met redenen omklede beslissing.

De stafhouder treedt ter zake op als een orgaan van de Orde, maar is geen rechterlijke instantie zoals bedoeld in artikel 6.1 EVRM.

Het middel dat geheel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Derde middel

Eerste onderdeel

9. Het onderdeel legt niet uit hoe en waardoor de omstandigheid dat de eiseres bij het verhoor door de stafhouder nog niet kennis heeft kunnen nemen van alle stukken van het tuchtdossier en zij zelf nuttige stukken aan het dossier heeft moeten toevoegen, verhindert dat zij voor de tuchtraad en de tuchtraad in beroep een eerlijk proces heeft kunnen krijgen.

Het onderdeel is bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

10. Het is niet tegenstrijdig vast te stellen, eensdeels, dat het tuchtdossier regelmatig was samengesteld bij de afsluiting van de onderzoeksfase en, anderdeels, dat dit niettemin verder kon worden aangevuld in de loop van de eigenlijke tuchtprocedure.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Vierde middel

Eerste onderdeel

11. De appelrechters dateren hun beslissing in de hoofding ervan met de vermelding "zitting van 17 maart 2011" en stellen vervolgens in hun beslissing vast dat de zaak voor uitspraak was vastgesteld op 17 februari 2011, maar "door onvoorziene omstandigheden niet heeft kunnen plaatsvinden" en verder dat "partijen vooraf hiervan en van de verdaging van de uitspraak naar de zitting van 17 maart 2011 in kennis werden gesteld bij mail van 15 februari 2011".

Het proces-verbaal van de rechtszitting van 17 maart 2011 vermeldt vervolgens de ondertekening en lezing van de uitspraak in deze zaak.

Hieruit volgt ondubbelzinnig dat de beslissing werd uitgesteld naar 17 maart 2011 en op die datum werd uitgesproken.

De vermelding in fine van de beslissing "aldus uitgesproken door de Nederlandstalige Tuchtraad van beroep op de zitting van 17 februari 2011", berust derhalve op een materiële vergissing.

Het Hof vermag die materiële vergissing van datumvermelding in fine van die beslissing van "17 februari 2011" te verbeteren in "17 maart 2011".

12. Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

13. Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 17 maart 2011 volgt dat de tweede kamer van de Nederlandstalige tuchtraad van beroep voor advocaten, die de zaak behandelde, uitspraak deed met als samenstelling: kamervoorzitter J-M W. als voorzitter, advocaat L. K. als secretaris en R. D. als procureur-generaal.

Het onderdeel dat volledig ervan uitgaat dat de beslissing niet werd uitgesproken in aanwezigheid van het openbaar ministerie, mist feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 597,69 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit raadsheer Beatrijs Deconinck, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Pierre Cornelis en Antoine Lievens, en in openbare rechtszitting van 5 april 2012 uitgesproken door voorzitter Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Tuchtzaak

  • Tuchtraad

  • Aangifte

  • Stafhouder

  • Hoedanigheid

  • Rechterlijke instantie