- Arrest van 10 april 2012

10/04/2012 - P.12.0584.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Geen wettelijke bepaling vereist dat de onderzoeksrechter een bevestiging via fax of e-mail dient te vragen van datgene wat hem telefonisch is meegedeeld.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0584.N

M. M. E. D. R.,

verdachte, aangehouden,

eiseres,

met als raadsman mr. Bruno François, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 29 maart 2012.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 16, § 2, Voorlopige Hechteniswet, evenals miskenning van bewijskracht van een proces-verbaal: de eiseres heeft in conclusie aangevoerd dat de overmacht waardoor de voorafgaande ondervraging door de onderzoeksrechter, bij ontstentenis waarvan de inverdenkinggestelde in vrijheid dient te worden gesteld, niet kon plaatsvinden, niet afdoende bewezen wordt door een proces-verbaal dat de weergave bevat van een telefoongesprek van de onderzoeksrechter met een persoon waarvan de onderzoeksrechter aanneemt dat het de wetsdokter was; de onderzoeksrechter had een bevestiging via fax of e-mail dienen te vragen.

2. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing inzake voorlopige hechtenis.

Het onderdeel faalt in zoverre naar recht.

3. Geen wettelijke bepaling vereist dat de onderzoeksrechter een bevestiging via fax of e-mail dient te vragen van datgene wat hem telefonisch is meegedeeld.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

4. In zoverre het onderdeel miskenning aanvoert van de bewijskracht "van een proces-verbaal, dat de weergave bevat van een telefoongesprek" zonder te preciseren van welk proces-verbaal de appelrechters de bewijskracht hebben miskend, is het onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

5. De ondervraging van de verdachte door de onderzoeksrechter, voorafgaand aan het verlenen van een bevel tot aanhouding, is een substantiële vormvereiste die verband houdt met het recht van verdediging. Het bevel tot aanhouding is evenwel regelmatig verleend wanneer de wettelijke verplichting van het voorafgaand verhoor niet kan worden nagekomen wegens overmacht.

6. De rechter beoordeelt in feite of de aangevoerde omstandigheden een geval van overmacht uitmaken. Het Hof is alleen bevoegd om te onderzoeken of de rechter uit de omstandigheden die hij in aanmerking neemt, al dan niet wettig overmacht heeft kunnen afleiden.

7. Met verwijzing naar het bevel tot aanhouding en de beschikking van de raadkamer stellen de appelrechters vast dat de eiseres weliswaar niet verhoord werd door de onderzoeksrechter, voorafgaand aan het verlenen van een bevel tot aanhouding, maar dat:

- de eiseres op de luchthaven is geland met vermoedelijk tal van bolletjes verdovende middelen, meer bepaald cocaïne, in haar lichaam, wat bevestigd werd door de resultaten van de urinetest;

- de eiseres, gelet op de levensbedreigende omstandigheden van de mogelijke aanwezigheid van een grote hoeveelheid drugs in haar lichaam, meteen zonder verhoor door de politie op bevel van de procureur des Konings is overgebracht naar de ziekenboeg van de gevangenis;

- de onderzoeksrechter een geneesheer heeft aangesteld die hem, na onderzoek van de eiseres, telefonisch heeft meegedeeld dat zij al een aantal bolletjes had ontlast, maar nog tal van bolletjes in haar lichaam had, en dat zij op dat ogenblik niet verhoorbaar was, alsook dat zij pas kon worden ondervraagd na een termijn van 48 uren na de ontlasting van het laatste bolletje.

Op grond van deze feitelijke vaststellingen vermochten de appelrechters wettig te oordelen dat de eiseres ingevolge overmacht door de onderzoeksrechter niet kon verhoord worden voorafgaand aan het verlenen van een bevel tot aanhouding en dat het bevel tot aanhouding dat in die omstandigheden werd verleend, door geen onregelmatigheid is aangetast.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 47bis Wetboek van Strafvordering en artikel 2bis, § 1 en § 2, Voorlopige Hechteniswet: het arrest beantwoordt het argument van de eiseres niet "dat er in werkelijkheid wel een verhoor door de politiediensten moet hebben plaatsgevonden, vermits er tussen de vaststellingen van de verbalisanten verklaringen werden opgenomen, die duidelijk verder gaan dan het antwoord op de vraag of (de eiseres) boleta's had geslikt"; er werd niet gepreciseerd dat deze verklaringen spontaan werden afgelegd.

9. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing inzake voorlopige hechtenis.

Het onderdeel faalt in zoverre naar recht.

10. Het in artikel 47bis Wetboek van Strafvordering bedoelde verhoor waarvoor de verdachte krachtens artikel 2bis, § 1, Voorlopige Hechteniswet vooraf recht heeft om vertrouwelijk overleg te plegen met een advocaat naar keuze en waarbij hij krachtens artikel 2bis, § 2, Voorlopige Hechteniswet recht heeft op bijstand door zijn advocaat tijdens dat verhoor dat plaatsvindt binnen de bij de artikelen 1, 1°, 2, 12 of 15bis bedoelde termijnen, is elk door een daartoe bevoegde persoon of instantie in het kader van een strafvordering verricht verhoor in verband met een feit dat aanleiding kan geven tot een sanctie in de zin van het EVRM.

Wanneer evenwel dringend medische hulp noodzakelijk is en de betrokkene zelf inlichtingen verstrekt, hetzij op eigen initiatief, hetzij op vraag om uit te maken welke hulp zich opdringt, is dat geen verhoor in de zin van de in het onderdeel vermelde wetsartikelen.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

11. Het arrest beantwoordt door overname van de redenen van de bestreden beschikking het verweer van de eiseres.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

12. Voor het overige verplicht het onderdeel het Hof tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is.

In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten op 50,85 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Benoît Dejemeppe en Françoise Roggen, en op de openbare rechtszitting van 10 april 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Telefonische mededeling

  • Bevestiging

  • Vereiste