- Arrest van 16 april 2012

16/04/2012 - S.11.0059.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de artikelen 1675/7, § 1, eerste lid, en 1675/9, § 1, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat het vermogen van de verzoeker, op het ogenblik dat hij toegelaten wordt tot de collectieve schuldenregeling, één geheel vormt en dat de rechten van de verzoeker daarop voortaan worden uitgeoefend door de schuldbemiddelaar; aangezien het cassatieberoep betrekking heeft op een geschil betreffende het vermogen van de verzoeker, dat één geheel vormt, is het niet ontvankelijk wanneer het de schuldbemiddelaar niet in de zaak oproept.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.11.0059.F

AVEVE nv,

Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

C. S.,

in aanwezigheid van

1. STARTER BELGIUM nv, e.a.,

partijen opgeroepen tot bindendverklaring van het arrest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 7 februari 2011 van het arbeidshof te Luik, afdeling Namen.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Het door het openbaar ministerie overeenkomstig artikel 1097 Gerechtelijk Wetboek ambtshalve tegen het cassatieberoep opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid: het cassatieberoep is niet gericht tegen de schuldbemiddelaar:

Krachtens artikel 1675/7, § 1, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, doet de beschikking van toelaatbaarheid een toestand van samenloop ontstaan tussen de schuldeisers en heeft ze de onbeschikbaarheid van het vermogen van de verzoeker tot gevolg.

Overeenkomstig artikel 1675/9, § 1, 4°, van hetzelfde wetboek, wordt de beschikking van toelaatbaarheid ter kennis gebracht van de betrokken schuldenaars onder toevoeging van de tekst van artikel 1675/7, waarbij zij op de hoogte worden gebracht van het feit dat iedere betaling, vanaf ontvangst van de beschikking, in handen van de schuldbemiddelaar moet gebeuren.

Uit die bepalingen volgt dat het vermogen van de verzoeker, op het ogenblik dat hij toegelaten wordt tot de collectieve schuldenregeling, één geheel vormt en dat de rechten van de verzoeker daarop voortaan worden uitgeoefend door de schuldbemiddelaar.

Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing van het arrest die, met bevestiging van het beroepen vonnis, op grond van artikel 1675/13 Gerechtelijk Wetboek, voorziet in een gerechtelijke aanzuiveringsregeling met een gedeeltelijke kwijtschelding van schulden in kapitaal, zonder de verkoop van het pand van de verweerder te bevelen.

Aangezien de zaak betrekking heeft op een geschil betreffende het vermogen van de verweerder, dat één geheel vormt, had de schuldbemiddelaar moeten zijn opgeroepen in de zaak voor het Hof, wat niet is gebeurd.

Het middel van niet-ontvankelijkheid is in zoverre gegrond.

De verwerping van het cassatieberoep ontneemt alle belang aan de vorderingen tot bindendverklaring van het arrest.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep en de vorderingen tot bindendverklaring van het arrest.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Alain

Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 16 april 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Chantal Vandenput.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Toelating

  • Geschil betreffende het vermogen

  • Cassatieberoep

  • Schuldbemiddelaar

  • Oproeping in de zaak

  • Verplichting

  • Ontvankelijkheid