- Arrest van 17 april 2012

17/04/2012 - P.11.1403.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De wijze van instaatstelling, bepaald in artikel 4, derde tot twaalfde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, laat de meest gerede partij toe op de rechtsdag een vonnis op tegenspraak te vorderen zodat de partij die alsdan niet verschijnt en nalaat conclusie te nemen binnen de door de rechter bepaalde termijn, niet beschikt over de mogelijkheid alsnog verzet aan te tekenen.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1403.N

M M,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Mounir Souidi, advocaat bij de balie te Antwerpen,

tegen

O.V. IMEA bv, Intercommunale maatschappij voor Energievoorziening Antwerpen, met zetel te 2100 Deurne, Stadhuis, Merksemsesteenweg 233,

burgerlijke partij,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 28 juni 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 186 en 187 Wetboek van Strafvordering, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: wanneer de benadeelde partij er voor opteert haar burgerlijke rechtsvordering voor de strafrechter te brengen, zijn de regels van het strafprocesrecht van toepassing; degene die bij verstek is veroordeeld, kan overeenkomstig artikel 187 Wetboek van Strafvordering hiertegen in verzet komen; uit de processtukken blijkt dat de eiser nooit persoonlijk aanwezig was op enige rechtszitting, noch vertegenwoordigd werd door een advocaat; hij heeft bijgevolg nooit tegenspraak kunnen voeren; het feit dat het arrest van 30 maart 2010 "op tegenspraak" gewezen werd, doet geen afbreuk aan eisers recht om verzet aan te tekenen.

2. Artikel 4, elfde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt: "Behoudens akkoord van de partijen of de in artikel 748, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde uitzondering, worden de conclusies die na het verstrijken van de in het tiende lid vastgestelde termijnen worden overgelegd, ambtshalve uit de debatten geweerd. Op de vastgestelde dag kan de meest gerede partij een vonnis op tegenspraak vorderen."

Artikel 187, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat hij die bij verstek is veroordeeld, tegen het vonnis in verzet kan komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop het is betekend.

Verzet kan slechts aangetekend worden tegen een vonnis dat bij verstek is gewezen, maar niet tegen een vonnis op tegenspraak.

De wijze van instaatstelling, bepaald in artikel 4, derde tot twaalfde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, laat de meest gerede partij toe op de rechtsdag een vonnis op tegenspraak te vorderen. De partij die alsdan niet verschijnt en nalaat conclusie te nemen binnen de door de rechter bepaalde termijn, beschikt niet over de mogelijkheid alsnog verzet aan te tekenen.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt in zoverre naar recht.

3. Het hof van beroep stelt onaantastbaar vast dat:

- de eiser bij schrijven van 23 oktober 2009 aan zijn woonplaats op de hoogte werd gebracht van de verdere gang van de procedure en in bijlage een afschrift ontving van de bepaling van artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering;

- een afschrift van het verzoekschrift van de verweerster bij gerechtsbrief van 12 november 2009 ter kennis werd gebracht aan de eiser;

- deze zending tegen ontvangstbewijs op 17 november 2009 aan de eiser persoonlijk werd afgeleverd;

- bij beschikking van 7 december 2009 de partijen op de hoogte werden gebracht van de bepaling van de conclusietermijnen en van de rechtsdag;

- een afschrift van die beschikking bij gerechtsbrief van 8 december 2009 tegen ontvangstbewijs werd afgeleverd op 11 december 2009 aan eisers woonplaats;

- op de vastgestelde rechtsdag de eiser niet verscheen, noch vertegenwoordigd werd alhoewel hij regelmatig opgeroepen werd, en de verweerster de toepassing van artikel 4, elfde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering vorderde.

Aldus verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht dat het arrest van 30 maart 2010 dat hierop gewezen werd, een arrest op tegenspraak is en het door de eiser hiertegen aangetekende verzet niet ontvankelijk is.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering iuncto de artikelen 2 en 747, § 2, Gerechtelijk Wetboek, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: de wetgever heeft op generlei wijze de regels inzake het verstek willen uitsluiten van het toepassingsgebied van artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering; de eiser was nooit persoonlijk aanwezig op enige rechtszitting, noch vertegenwoordigd door een advocaat; hij heeft evenmin een conclusie neergelegd ter griffie van het hof van beroep; het arrest oordeelt dan ook ten onrechte dat de eiser niet op ontvankelijke wijze verzet kon aantekenen tegen het arrest van 30 maart 2010; minstens verzoekt de eiser de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof:

"Schendt artikel 4 van de Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, in samenhang gelezen met de artikelen 2 en 747, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet juncto het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging doordat de burgerlijke vordering die door een vermeende benadeelde wordt ingesteld voor de strafrechter, aan de beweerdelijk schadeveroorzakende partij die geen enkele conclusie neerlegt ter griffie en op geen enkele terechtzitting verschijnt noch vertegenwoordigd is door een raadsman en aldus verstek laat, geen wettelijke mogelijkheid biedt om op ontvankelijke wijze verzet in te stellen tegen de gewezen beslissing, zulks terwijl wanneer diezelfde burgerlijke vordering door dezelfde vermeende benadeelde partij wordt ingesteld voor de burgerlijke rechter, hetgeen an sich een volstrekt willekeurige keuze betreft van deze laatste partij, in dezelfde omstandigheden van een versteklatende beweerdelijk schadeveroorzakende partij aan deze laatste wel een wettelijke mogelijkheid biedt om verzet te betekenen?"

5. In zoverre het onderdeel is afgeleid uit de in het eerste onderdeel aangevoerde onwettigheid, is het niet ontvankelijk.

6. Artikel 747, § 2, zesde lid, Gerechtelijk Wetboek is in dezelfde woorden gesteld als artikel 4, elfde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en heeft dezelfde draagwijdte.

Artikel 1047, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat tegen ieder verstekvonnis verzet kan worden gedaan, onverminderd de bij de wet bepaalde uitzonderingen.

De wijze van instaatstelling, bepaald in artikel 747, § 2, Gerechtelijk Wetboek, laat de meest gerede partij toe op de rechtsdag een vonnis op tegenspraak te vorderen. De partij die alsdan niet verschijnt en nalaat conclusie te nemen binnen de door de rechter bepaalde termijn, beschikt evenmin over de mogelijkheid alsnog verzet aan te tekenen.

Er is geen aanleiding om aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen die uitgaat van een verkeerde rechtsopvatting.

Derde onderdeel

7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM: het feit dat de benadeelde partij die zijn burgerlijke rechtsvordering voor de strafrechter brengt, overeenkomstig artikel 4, elfde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering systematisch het rechtsmiddel van verzet kan uitsluiten wanneer de beweerdelijk schadeveroorzakende partij afwezig blijft ter rechtszitting, leidt tot het absoluut aantasten van het recht op toegang tot een rechter.

8. Artikel 6.1 EVRM vereist niet dat een partij die regelmatig werd opgeroepen en de gelegenheid werd geboden conclusie te nemen overeenkomstig de bepalingen van artikel 4, derde tot elfde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, maar niet verschijnt, noch vertegenwoordigd wordt door een raadsman en nalaat tijdig conclusie over te leggen, alsnog de mogelijkheid moet worden geboden verzet aan te tekenen tegen de beslissing die aldus gewezen wordt.

Het onderdeel faalt in zoverre naar recht.

9. De appelrechters die in die zin oordelen, verantwoorden hun beslissing naar recht.

Het onderdeel kan in zoverre niet aangenomen worden.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 66,53 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Peter Hoet en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 17 april 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Burgerlijke vordering uit misdrijf

  • Behandeling voor het gerecht dat uitspraak heeft gedaan over de strafvordering

  • Vordering van vonnis op tegenspraak door meest gerede partij

  • Niet verschijnende partij

  • Partij die nalaat conclusie te nemen