- Arrest van 17 april 2012

17/04/2012 - P.12.0534.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het beginsel van de niet-terugwerkende kracht van de strafwetten, vastgelegd in het artikel 7.1 EVRM en artikel 2 Strafwetboek is niet van toepassing op de wetten die, zoals de Wet Terbeschikkingstelling Strafuitvoeringsrechtbank, geen beschuldiging of straf opleggen.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0534.N

F L,

verzoeker tot voorlopige invrijheidstelling, geïnterneerde,

eiser,

met als raadsman mr. Bart Bleyaert, advocaat bij de balie te Brugge, met kantoor te 8200 Brugge (Sint-Michiels), Heidelbergstraat 72, waar de eiser woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 20 maart 2012.

De eiser voert in een memorie, die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 25quater Wet Bescherming Maatschappij en de artikelen 11 en 12 van de wet van 26 april 2007 betreffende de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank (hierna Wet Terbeschikkingstelling Strafuitvoeringsrechtbank), evenals miskenning van het redelijkheidsbeginsel, het algemeen beginsel inzake goed bestuur en van eerbiedigende werking van de oude wet: de eiser heeft rechten geput uit artikel 25quater Wet Bescherming Maatschappij; de opheffing van die bepaling door de Wet Terbeschikkingstelling Strafuitvoeringsrechtbank geldt enkel voor de toekomst, zodat de oude wet van toepassing blijft voor alle toekomstige gevolgen van de onder deze wet ontstane toestanden, waaronder de invrijheidstelling op proef en in zoverre de nieuwe wet geen overgangsbepalingen bevat; de nieuwe wet bepaalt geen overgangsbepalingen, wanneer nog onder gelding van de oude een aanvraag tot invrijheidstelling werd gedaan aan de minister van Justitie; overeenkomstig de oude wet had de eiser recht op een uitspraak binnen de maand na zijn aanvraag en bij niet-naleving diende hij in vrijheid te worden gesteld; onder gelding van de nieuwe wet zou de eiser nog een lange tijd moeten wachten op een uitspraak over zijn aanvraag; artikel 25quater Wet Bescherming Maatschappij blijft van toepassing op de aanvragen tot invrijheidstelling, die werden gedaan vóór de opheffing ervan, en de minister van Justitie behield zijn bevoegdheid over deze aanvragen te oordelen en had overigens over eisers aanvraag van 16 december 2011 nog kunnen oordelen vóór 1 januari 2012; de eiser dient in vrijheid te worden gesteld daar geen beslissing werd genomen door de minister van Justitie binnen de maand na eisers aanvraag.

2. In zoverre het middel opkomt tegen het uitblijven van een beslissing van de minister, is het niet gericht tegen het arrest en mitsdien niet ontvankelijk.

3. Het beginsel van de niet-terugwerkende kracht van de strafwetten, vastgelegd in het artikel 7.1 EVRM en artikel 2 Strafwetboek is niet van toepassing op de wetten die, zoals de Wet Terbeschikkingstelling Strafuitvoeringsrechtbank, geen beschuldiging of straf opleggen.

4. Artikel 25quater (oud) Wet Bescherming Maatschappij bepaalde:

"Na een jaar vrijheidsbeneming die uitsluitend is gesteund op een beslissing tot internering overeenkomstig artikel 25bis, kan de geïnterneerde ter beschikking van de regering gestelde veroordeelde aan de Minister van Justitie vragen in vrijheid te worden gesteld.

Die aanvraag kan jaarlijks worden hernieuwd.

De Minister beslist binnen een maand na de aanvraag en kan deze afwijzen indien de reclassering van de betrokkene nog steeds onmogelijk blijkt.

Indien de minister niet beslist heeft binnen de gestelde termijn, wordt de betrokkene in vrijheid gesteld.

De beslissing waarbij de Minister de aanvraag afwijst, moet met redenen zijn omkleed overeenkomstig artikel 25bis, tweede lid; de directeur van de inrichting waar de betrokkene is geïnterneerd, geeft hem kennis van die beslissing en overhandigt hem een afschrift daarvan.

De ter beschikking van de regering gestelde veroordeelde die op grond van artikel 25bis wordt geïnterneerd, kan tegen de beslissing van de Minister opkomen volgens de procedure bepaald in artikel 25ter."

Artikel 11 Wet Terbeschikkingstelling Strafuitvoeringsrechtbank, die krachtens artikel 13 van deze wet in werking is getreden op 1 januari 2012, heft het hoofdstuk VII van de Wet Bescherming Maatschappij op, waaronder de artikelen 25ter en 25quater Wet Bescherming Maatschappij.

Het artikel 12 Wet Terbeschikkingstelling Strafuitvoeringsrechtbank bepaalt: "Bij de inwerkingtreding van deze wet worden de dossiers van de ter beschikking van de regering gestelden waarin de minister van Justitie hetzij een beslissing tot internering, hetzij een beslissing tot invrijheidstelling op proef heeft genomen ambtshalve en zonder kosten ingeschreven op de algemene rol van de strafuitvoeringsrechtbanken. De minister maakt de dossiers over aan de griffier van de bevoegde strafuitvoeringsrechtbank (...)".

5. Uit deze bepalingen volgt dat de strafuitvoeringsrechtbanken vanaf 1 januari 2012 uitsluitend bevoegd zijn met betrekking tot de uitvoering van de maatregel van de terbeschikkingstelling en dat de minister van Justitie vanaf 1 januari 2012 niet meer bevoegd is om over een aanvraag tot invrijheidstelling van een door hem geïnterneerde ter beschikking van de regering gestelde bij toepassing van het opgeheven artikel 25quater Wet Bescherming Maatschappij te oordelen. De omstandigheid dat de Wet Terbeschikkingstelling Strafuitvoeringsrechtbank deze mogelijkheid tot aanvraag tot invrijheidstelling door de ter beschikking gestelde heeft afgeschaft en vervangen door voor een van zijn vrijheid benomen terbeschikkingestelde qua termijn minder gunstige procedure, doet hieraan geen afbreuk.

Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt in zoverre naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 53,99 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Peter Hoet en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 17 april 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Niet-terugwerkende kracht van de strafwetten

  • Wet Terbeschikkingstelling Strafuitvoeringsrechtbank

  • Toepassing