- Arrest van 17 april 2012

17/04/2012 - P.12.0240.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De kamer van inbeschuldigingstelling die overeenkomstig artikel 235ter Wetboek van Strafvordering de regelmatigheid moet onderzoeken van de in een strafdossier aangewende bijzondere opsporingsmethode observatie, die is gesteund op of afgeleid uit een in een ander strafdossier aangewende bijzondere opsporingsmethode observatie, is ertoe gehouden de in de conclusie aangevoerde opmerkingen van partijen over de regelmatigheid van de in het niet-afgesloten strafdossier aangewende bijzondere opsporingsmethode observatie en hun impact op de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethode observatie in het afgeleide dossier te beantwoorden (1). (1) Zie concl. O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0240.N

I en II

K G,

inverdenkinggestelde,

eiser,

met als raadslieden mr. Filip Van Hende en mr. Frank Scheerlinck, beiden advocaat bij de balie te Gent.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep I is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 24 januari 2012 (nr. K/126/12) (hierna arrest I).

Het cassatieberoep II is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 24 januari 2012 (nr. K/127/12) (hierna arrest II), gewezen na verwijzing bij arrest van het Hof van 13 december 2011.

De eiser voert in twee gelijkluidende memories die aan dit arrest zijn gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

1. Het arrest I is gewezen met toepassing van artikel 235quater Wetboek van Strafvordering in het witwasdossier GE.27.98.3278/09. Het stelt vast dat de tijdens dit gerechtelijk onderzoek toegepaste bijzondere opsporingsmethode observatie regelmatig is verlopen.

Het arrest I is geen eindbeslissing en doet evenmin uitspraak in een van de gevallen bedoeld in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

Het cassatieberoep I is niet ontvankelijk.

2. Het arrest II verklaart de op artikel 235ter Wetboek van Strafvordering gesteunde vordering tot onderzoek van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethode observatie in het witwasdossier GE.27.98.3278/09 niet ontvankelijk, omdat dit dossier nog niet is meegedeeld aan de procureur des Konings voor eindvordering.

Het arrest II is in zoverre geen eindbeslissing en doet evenmin uitspraak in een van de gevallen bedoeld in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

Het cassatieberoep II is in zoverre niet ontvankelijk.

Ambtshalve middel

Geschonden wettelijke bepaling

- artikel 235ter Wetboek van Strafvordering

3. De kamer van inbeschuldigingstelling die overeenkomstig artikel 235ter Wetboek van Strafvordering de regelmatigheid moet onderzoeken van de in een strafdossier aangewende bijzondere opsporingsmethode observatie, die is gesteund op of afgeleid uit een in een ander strafdossier aangewende bijzondere opsporingsmethode observatie, dient daartoe ook de regelmatigheid te beoordelen van de in dat laatste strafdossier aangewende bijzondere opsporingsmethode observatie.

4. Indien dit laatste strafdossier een gerechtelijk onderzoek betreft dat nog niet door de onderzoeksrechter aan de procureur des Konings krachtens artikel 127, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering is overgezonden en de procureur-generaal van oordeel is dat in het kader van de door artikel 235ter Wetboek van Strafvordering bedoelde controle van de regelmatigheid van de in het eerste dossier aangewende bijzondere opsporingsmethode observatie aan partijen geen gehele of gedeeltelijke inzage van het niet-afgesloten strafdossier kan worden gegeven, dient de controle door de kamer van inbeschuldigingstelling te gebeuren aan de hand van eensdeels de door artikel 47septies, § 2, tweede en derde lid, bedoelde processen-verbaal en schriftelijke beslissingen van de bevoegde magistraat, waarvan de partijen kennis kunnen nemen en waarover zij tegenspraak kunnen voeren, en anderdeels het door artikel 47septies, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde vertrouwelijk dossier.

5. De kamer van inbeschuldigingstelling is ertoe gehouden de in de conclusie aangevoerde opmerkingen van partijen over de regelmatigheid van de in het niet-afgesloten strafdossier aangewende bijzondere opsporingsmethode observatie en hun impact op de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethode observatie in het andere dossier te beantwoorden.

6. Het arrest oordeelt dat:

- de kamer van inbeschuldigingstelling bij toepassing van artikel 235quater Wetboek van Strafvordering kennis heeft genomen van het vertrouwelijk dossier in de zaak GE.27.98.3278/09, in samenhang met de voeging van eensluidend verklaarde afschriften ex artikel 47septies, § 2, laatste lid, Wetboek van Strafvordering van dit strafdossier;

- uit het arrest van 24 januari 2012 van de controle op grond van artikel 235quater Wetboek van Strafvordering in de zaak GE.27.98.3278/09 volgt dat de toegepaste bijzondere opsporingstechniek van de observatie in deze zaak op volledig wettelijke gronden is tot stand gekomen en ten uitvoer gelegd;

- in zoverre eisers in de zaak GE.60.F1.3202/11 neergelegde besluiten betrekking hebben op de zaak GE.27.98.3278/09, de erin ontwikkelde argumenten geen antwoord behoeven omdat dit dossier niet ter behandeling voorligt;

- de beweringen van de eiser met betrekking tot de observatie in het dossier GE.27.98.3278/09 geen steun vinden in het onderzoek ex artikel 235quater Wetboek van Strafvordering.

Die beslissing, die aldus de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethode observatie in het niet-afgesloten strafdossier GE.27.98.3278/09 en de impact ervan op de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethode observatie in de zaak GE.60.F1.3202/11 uitsluitend toetst op grond van de op niet-tegensprekelijke wijze uitgevoerde controle ex artikel 235quater Wetboek van Strafvordering en die oordeelt dat de argumenten van de eiser ter zake om die reden geen antwoord behoeven, is niet naar recht verantwoord.

Middelen

7. De middelen van partijen die niet kunnen leiden tot cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest II in zoverre het uitspraak doet over de door artikel 235ter Wetboek van Strafvordering bedoelde controle in het dossier GE.60.F1.3202/11.

Verwerpt het cassatieberoep I.

Verwerpt het cassatieberoep II voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest II.

Veroordeelt de eiser in de kosten van het cassatieberoep I en tot een derde van de kosten van het cassatieberoep II.

Laat de overige kosten van het cassatieberoep II ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld.

Bepaalt de kosten in het geheel op 193,68 euro, waarvan op het cassatieberoep I 48,19 euro erschuldigd is en op het cassatieberoep II 145, 49 euro verschuldigd is.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 17 april 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Kamer van inbeschuldigingstelling

  • Controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethode observatie

  • Observatie gesteund of afgeleid uit observatie aangewend in ander strafdossier

  • Conclusies

  • Verweer over de regelmatigheid van de observatie aangewend in niet-afgesloten strafdossier

  • Verweer over de impact op de regelmatigheid van de observatie aangewend in afgeleid dossier