- Arrest van 17 april 2012

17/04/2012 - P.11.1300.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De klacht van de persoon die beweert te worden belaagd, als noodzakelijke voorwaarde voor de vervolging van het in artikel 442bis van het Strafwetboek omschreven misdrijf van belaging, bestaat hierin dat die persoon aangifte doet aan de overheid, waarbij hij te kennen geeft dat hij de strafrechtelijke vervolging van de dader van het misdrijf wenst.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1300.N

Y C R,

inverdenkinggestelde,

eiseres,

met als raadsman mr. Luk Janssens, advocaat bij de balie te Dendermonde,

tegen

1. L B,

burgerlijke partij,

2. M B,

burgerlijke partij,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 23 juni 2011.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Een inverdenkinggestelde kan slechts onmiddellijk cassatieberoep instellen tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat gewezen is op zijn hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer die hem naar de correctionele rechtbank verwijst, op voorwaarde dat hij tegen deze beschikking hoger beroep kon instellen.

2. Het arrest verklaart het hoger beroep niet ontvankelijk in zoverre de eiseres het bestaan van bezwaren aanvecht omdat aldus niet is voldaan aan de bij artikel 135, § 2, Wetboek van Strafvordering bepaalde ontvankelijkheidvoorwaarden.

In zoverre is het cassatieberoep niet ontvankelijk.

Eerste middel

3. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, artikel 14.3 IVBPR en de artikelen 47 en 48 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie: voorafgaand aan haar verhoor werd de eiseres niet geïnformeerd over haar zwijgrecht en haar recht op bijstand van een advocaat; zij genoot evenmin het recht op bijstand van een advocaat tijdens haar verhoor; hierdoor wordt de ganse verdere strafprocedure gecontamineerd; het arrest diende dan ook de strafvordering onontvankelijk te verklaren.

4. Het recht op bijstand van een advocaat is verbonden met de cautieplicht, het zwijgrecht en het feit dat niemand kan verplicht worden zichzelf te incrimineren. Het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces zijn in de regel geschaad wanneer een verdachte verklaringen aflegt tijdens een verhoor door politie of onderzoeksrechter zonder mogelijkheid van bijstand van een advocaat.

5. Die omstandigheid heeft nochtans niet automatisch voor gevolg dat het definitief onmogelijk is om de zaak van een verdachte of inverdenkinggestelde en vervolgens beklaagde of beschuldigde op eerlijke wijze te behandelen. Wanneer de verklaringen niet als doorslaggevend bewijs door de rechter gebruikt worden, er kennelijk geen misbruik of dwang is gebruikt en de beklaagde zich op het ogenblik van het verhoor en tijdens het onderzoek niet in een kwetsbare positie bevond, of aan de kwetsbare positie van de beklaagde op een daadwerkelijke en passende wijze is geremedieerd, blijft het eerlijke karakter van het proces gevrijwaard.

6. Het feit dat de Belgische wetgeving niet voorzag in de bijstand van een advocaat tijdens het verhoor door de politiediensten of door de onderzoeksrechter, dient te worden beoordeeld in het licht van het geheel der wettelijke waarborgen die het Wetboek van Strafvordering en de Voorlopige Hechteniswet de verhoorde persoon bieden ter vrijwaring van zijn recht van verdediging en van zijn recht op een eerlijk proces. Die waarborgen waarover hij beschikt in de loop van het opsporings- of gerechtelijk onderzoek, zijn daadwerkelijke en passende remedies op de afwezigheid van bijstand van een advocaat tijdens eerdere verhoren. Zij laten de beklaagde of de beschuldigde immers toe zijn recht van verdediging over het hele verloop van het strafproces ten volle uit te oefenen en waarborgen zijn recht op een eerlijk proces.

7. De onrechtmatigheid van het bewijs omwille van het afleggen door een beklaagde, tijdens zijn vrijheidsberoving, van verklaringen zonder bijstand van een advocaat of met miskenning van de cautieplicht, leidt niet tot de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering maar enkel tot de gebeurlijke uitsluiting of ontoelaatbaarheid van dit bewijs.

Het recht de strafvordering uit te oefenen ontstaat immers door het plegen van het misdrijf, ongeacht de wijze waarop ze verder wordt uitgeoefend en onafhankelijk van de wijze waarop de bewijsgaring verloopt.

Voor de feitenrechter kan de beklaagde of de beschuldigde met de bijstand van een advocaat alle verklaringen die hij nodig acht, afleggen en zijn eerder afgelegde verklaringen verduidelijken, vervolledigen of intrekken. Het staat de feitenrechter om, in het licht van het geheel van het proces, na te gaan of de bewijswaarde van alle hem voorgelegde gegevens aangetast is door het enkele feit dat bepaalde verklaringen tijdens het onderzoek afgelegd werden zonder de bijstand van een advocaat en, in voorkomend geval, te beslissen tot de niet-toelaatbaarheid of de uitsluiting van deze bewijsmiddelen.

Het middel faalt in zoverre naar recht.

8. Het arrest oordeelt dat:

- op basis van de processtukken kan worden vastgesteld dat de onthouding van het recht op bijstand en de cautieplicht bij de ondervraging het recht op een eerlijk proces niet noodzakelijk in de weg staat;

- het onmogelijk is al te beweren dat de feitenrechter zich op doorslaggevende wijze zal baseren op de verklaringen, afgelegd zonder bijstand van een raadsman;

- de eiseres geen enkele zelfincriminerende verklaring heeft afgelegd;

- er op geen enkel ogenblik sprake is van kennelijk misbruik of dwang;

- de eiseres en haar raadsman de gelegenheid hebben kennis te nemen van al de elementen van het strafdossier en daaromtrent verweer te voeren.

9. Aldus beoordeelt het arrest welke de impact geweest is van de afwezigheid van de bijstand van een advocaat bij het verhoor van de eiseres op haar recht van verdediging en recht op een eerlijk proces en is de beslissing dat de afwezigheid van die bijstand in de huidige stand van de rechtspleging niet leidt tot een onherstelbare aantasting van eiseres' recht op een eerlijk proces, naar recht verantwoord.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Tweede middel

10. Het middel voert aan dat de strafvordering voor de telastlegging A onontvankelijk diende te worden verklaard omdat de omschrijving ervan onduidelijk is: er wordt in de omschrijving niet verwezen naar één welbepaalde plaats of één welbepaalde datum waarop het feit zich zou hebben voorgedaan; het is niet de taak van de eiseres of van de rechter om uit de veelheid aan feitelijke elementen in het strafdossier te distilleren welk feit haar wordt ten laste gelegd.

11. Aan de bepaling van artikel 6.3.a EVRM, krachtens dewelke eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, onverwijld, in een taal die hij verstaat, en in bijzonderheden, op de hoogte moet worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldigingen, is voldaan wanneer de verdachte of de beklaagde zodanig is ingelicht dat hij zijn recht van verdediging ten volle kan uitoefenen, wat door de feitenrechter op onaantastbare wijze wordt beoordeeld.

12. De appelrechters oordelen dat:

- uit de lezing van de eindvordering en het strafdossier blijkt dat de eiseres ervan verdacht wordt als mededader het voertuig Audi 80 van de tweede verweerster onbruikbaar te hebben gemaakt te Putte op een niet nader te bepalen tijdstip in de beperkte periode van zes dagen tussen 29 augustus 2008 en 5 september 2008;

- uit die stukken overduidelijk blijkt op welke sabotage de telastlegging betrekking heeft;

- de eiseres in haar conclusie daaromtrent verweer voert wat betreft het bestaan van voldoende bezwaren.

Op grond van die gegevens oordeelt het arrest dat de eiseres zonder enige twijfel weet welk feit haar ten laste gelegd wordt en verantwoordt het zijn beslissing naar recht.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

13. Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feitelijke gegevens door de rechter.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Derde middel

14. Het middel voert aan dat de strafvordering voor de telastleggingen B en C onontvankelijk diende te worden verklaard: belaging is een klachtmisdrijf; in hun respectieve aangiften van 5 september 2008 hebben noch de eerste verweerder, noch de tweede verweerster "expressis verbis" klacht neergelegd lastens de eiseres wegens belaging (telastlegging B); zij hebben enkel gevraagd dat de eiseres zou worden aangemaand de verweerders met rust te laten.

15. In zoverre het middel niet aangeeft waarom de strafvordering voor de telastlegging C onontvankelijk zou zijn, is het wegens onduidelijkheid niet ontvankelijk.

16. Artikel 442bis, tweede lid, Strafwetboek bepaalt dat het misdrijf belaging alleen kan worden vervolgd op een klacht van de persoon die beweert te worden belaagd.

De klacht bestaat hierin dat de persoon die beweert te zijn belaagd, aangifte doet aan de overheid, waarbij hij te kennen geeft dat hij de strafrechtelijke vervolging van de dader van het misdrijf wenst.

Ook al zijn geen specifieke vormvereisten vereist, is de enkele aangifte van het misdrijf geen klacht als bedoeld in artikel 442bis, tweede lid, voormeld, wanneer de benadeelde van het misdrijf niet op ondubbelzinnige wijze vraagt dat een strafvervolging wordt ingesteld.

17. De rechter stelt het bestaan daarvan onaantastbaar in feite vast.

In zoverre het middel opkomt tegen die beoordeling door de rechter of het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk. Het Hof kan enkel nagaan of de appelrechters uit de door hen gedane vastgestelde feiten geen gevolgen trekken die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.

18. De appelrechters stellen vast dat:

- in het aanvankelijk proces-verbaal (stuk 30) door de verweerders wel degelijk klacht werd ingediend uit hoofde van belaging;

- uit de redactie van het voormeld aanvankelijk proces-verbaal waarin door de verbalisant een "kort relaas van de feiten" wordt geakteerd, blijkt dat de verweerders uitdrukkelijk de wens hebben geuit om klacht neer te leggen uit hoofde van belaging.

Zij oordelen dat de aangifte van de verweerders een klacht is waarbij de benadeelde van het misdrijf op ondubbelzinnige wijze vraagt dat een strafvervolging wordt ingesteld om reden dat uit het verhoor van de tweede verweerster (stuk 22) blijkt dat zij uitdrukkelijk stelt dat zij wenst dat de eiseres aangemaand wordt om hen volledig met rust te laten.

Aldus verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.

Het middel is in zoverre gegrond.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering voor het overige

19. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de telastlegging B.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiseres in 2/3 van de kosten en laat de overige kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld.

Bepaalt de kosten op 158,76 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Peter Hoet en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 17 april 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Belaging

  • Instellen van de strafvordering

  • Voorwaarde

  • Klacht