- Arrest van 19 april 2012

19/04/2012 - F.10.0121.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer de belastbare grondslag wordt vastgesteld op basis van tekenen en indiciën en de taxatieambtenaar de door de belastingplichtige zelf aangegeven nettowinst hiervan in mindering brengt, maakt dit geen opeenstapeling van vermoedens uit (1). (1) Zie de concl. va het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.10.0121.N

1. M.C.,

2. C.L.,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. Frank De Langhe en mr. Tony Leeuwerck, advocaten bij de balie te Kortrijk, met kantoor te 8790 Waregem, Henri Lebbestraat 109, waar de eisers woonplaats kiezen,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de gewestelijk directeur der directe belastingen te Brugge, met kantoor te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat 4,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 26 januari 2010.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 4 oktober 2011 een conclusie neergelegd.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, vijf middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Krachtens artikel 340 WIB92 kan de administratie ter bepaling van het bestaan en van het bedrag van de belastingschuld alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen aanvoeren, met uitzondering van de eed.

Krachtens artikel 341, eerste lid, WIB92 mag de raming van de belastbare grondslag, behoudens tegenbewijs, zowel voor rechtspersonen als voor natuurlijke personen worden gedaan volgens tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten.

Krachtens artikel 342, § 1, tweede lid, WIB92 kan de administratie, in overleg met de betrokken beroepsgroeperingen forfaitaire grondslagen van aanslag vaststellen.

Hieruit volgt dat wanneer de belastbare grondslag wordt vastgesteld op basis van tekenen en indiciën en de taxatieambtenaar de door de belastingplichtige zelf aangegeven nettowinst hiervan in mindering brengt, dit geen opeenstapeling van vermoedens uitmaakt, ook al is de aangifte van de belastingplichtige gebaseerd op een dergelijke forfaitaire grondslag.

Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Tweede middel

2. Krachtens artikel 341, eerste lid, WIB92 mag de raming van de belastbare grondslag, behoudens tegenbewijs, zowel voor rechtspersonen als voor natuurlijke personen worden gedaan volgens tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten.

Uit deze bepaling volgt dat wanneer de administratie, na te hebben geoordeeld dat het bedrag van de aangegeven inkomsten niet met de werkelijkheid overeenstemt, de belastbare grondslag heeft vastgesteld volgens zodanige tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten, het tegenbewijs rust op de belastingplichtige. De belastingplichtige moet aan de hand van positieve en controleerbare gegevens aantonen dat die hogere graad van gegoedheid voortkomt uit andere inkomsten dan die welke belastbaar waren in de inkomstenbelastingen of uit inkomsten die tijdens een vroegere periode dan de belastbare periode zijn verkregen.

3. Door te oordelen dat de eisers het indiciaire tekort niet kunnen weerleggen door hun werkelijk belastbaar bruto-inkomen te bewijzen in plaats van hun forfaitair semi-bruto belastbaar inkomen uit hun fiscale aangifte, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde middel

4. Anders dan waarvan het middel uitgaat, oordelen de appelrechters niet dat de vervangende of nieuwe aanslag met betrekking tot het aanslagjaar 1995 gebaseerd is op dezelfde belastingelementen omdat de terbeschikkingstelling van kapitaal aan De Mahoney bvba als een zelfde belastingelement te beschouwen is, maar wel omdat dit gegeven slechts een element van bewijsvoering is van een bepaald belastingelement, namelijk het in de oorspronkelijke aanslag belast inkomen volgens indiciën.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Vierde middel

5. Artikel 170 Grondwet bepaalt dat geen belasting ten behoeve van de Staat kan worden ingevoerd dan door een wet.

6. Artikel 355 WIB92, in de versie voor de wijziging door de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, bepaalt: "Wanneer een aanslag nietig verklaard is omdat hij niet werd gevestigd overeenkomstig een wettelijke regel, met uitzondering van een regel betreffende de prescriptie, kan de administratie, zelfs wanneer de voor het vestigen van de aanslag gestelde termijn reeds verlopen is, ten name van dezelfde belastingschuldige, op grond van dezelfde belastingelementen of op een gedeelte ervan, een nieuwe aanslag vestigen, zulks hetzij binnen drie maanden van de datum waarop de beslissing van de directeur der belastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar niet meer vatbaar is voor een voorziening als bedoeld bij de artikelen 377 tot 385, hetzij binnen zes maanden van de datum waarop de rechterlijke beslissing niet meer vatbaar is voor de voorzieningen als bedoeld bij de artikelen 387 tot 391."

7. Het middel gaat uit van de veronderstelling dat de opheffing door artikel 34 van de voormelde wet van 15 maart 1999 van de bepalingen in het WIB92 die de geschillenprocedure regelden, tot gevolg heeft dat de in artikel 170 Grondwet bedoelde wettelijke grondslag van de inkomstenbelastingen betreffende de aanslagjaren 1998 en vorige die na de voormelde opheffing van de oude geschillenprocedure werden gevestigd, wegvalt.

De voormelde bepalingen in het WIB92 die de geschillenprocedure regelden, vormen niet de in artikel 170 Grondwet bedoelde wettelijke grondslag van de litigieuze aanslagen in de personenbelasting.

Het middel faalt naar recht.

8. De door de eisers geformuleerde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof gaat uit van dezelfde verkeerde rechtsopvatting en hoeft derhalve niet te worden gesteld.

Vijfde middel

9. Artikel 355 WIB92 zoals van toepassing op de aanslagjaren 1998 en vorige, geeft de administratie, na de nietigverklaring van een aanslag door de rechter, het recht een nieuwe aanslag vast te stellen binnen zes maanden te rekenen van de dag waarop die beslissing niet meer vatbaar is voor de voorzieningen als bedoeld in de artikelen 387 tot 391 van hetzelfde wetboek.

De artikelen 387 tot 391, zoals ze van kracht waren vóór 1 maart 1999, regelen het cassatieberoep dat kan worden ingesteld tegen het arrest van het hof van beroep dat rechtstreeks uitspraak heeft gedaan over de voorziening van de belastingschuldige tegen de beslissing van de directeur van de belastingen.

Artikel 34 van de wet van 15 maart 1999 vervangt de artikelen 378 tot 391 WIB92 door de artikelen 377 en 378, die betrekking hebben op de procedures van verzet, hoger beroep en cassatieberoep en waarvan de inwerkingtreding bij artikel 97 van deze wet is vastgesteld op 1 maart 1999.

Het nieuwe artikel 355, zoals het gewijzigd is bij artikel 20 van deze wet, volgens welk geen nieuwe aanslag meer mag worden vastgesteld na een nietigverklaring van de aanslagen door de rechter, treedt overeenkomstig voormeld artikel 97 in werking vanaf het aanslagjaar 1999.

Uit het opzet van de wet van 15 maart 1999 en de parlementaire voorbereiding volgt dat voor het aanslagjaar 1998 en vorige aanslagjaren het oude artikel 355 aldus moet worden opgevat dat een nieuwe aanslag kan worden vastgesteld "binnen zes maanden van de datum waarop de rechterlijke beslissing niet meer vatbaar is voor de voorzieningen als bedoeld bij de nieuwe artikelen 377 en 378 van genoemd wetboek", ongeacht of het gaat om een vonnis van een rechtbank van eerste aanleg dan wel om een arrest van een hof van beroep.

10. Het middel dat ervan uitgaat dat artikel 355 WIB92, in de versie van vóór de vervanging ervan bij artikel 20 van de voormelde wet van 15 maart 1999, tussen belastingplichtigen een verschillende behandeling instelt, namelijk, enerzijds, belastingplichtigen wier aanslag met betrekking tot het aanslagjaar 1998 of een eerder aanslagjaar werd vernietigd na een beroep dat werd ingesteld vóór 1 maart 1999 en, anderzijds, belastingplichtigen wier aanslag met betrekking tot het aanslagjaar 1998 of een eerder aanslagjaar werd vernietigd na een beroep ingesteld na 1 maart 1999, faalt naar recht.

11. De voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting en hoeft derhalve niet te worden gesteld.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eisers in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eisers op 275,56 euro en voor de verweerder op 309,19 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Alain Smetryns, Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 19 april 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier

Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Opeenstapeling van vermoedens