- Arrest van 19 april 2012

19/04/2012 - C.11.0199.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De vrijstelling van de verhoging van de bijzondere accijns voor welbepaalde gasolie gebruikt als motorbrandstof voor het vervoer van goederen, geldt niet voor door de overheid gebruikte gasolie voor het vervoer van goederen over de weg (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0199.N

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de gewestelijke directeur der douane en accijnzen te Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Kattendijkdok, Oostkaai 22,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

STAD ANTWERPEN, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, met zetel te 2000 Antwerpen, Grote Markt 1,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 5 oktober 2010.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 6 december 2011 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de com¬mu¬nautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (hierna: Richtlijn 2003/96) bepaalt in artikel 5, derde streepje, dat de lidstaten, onder fiscaal toezicht, gedifferentieerde belastingniveaus kunnen toepassen voor plaatselijk openbaar personenvervoer (taxi's inbegrepen), afvalinzameling, strijdkrachten en overheidsadministraties, gehandicapten en ziekenauto's, op voorwaarde dat deze belastingniveaus niet onder de bij deze richtlijn voorgeschreven minimumbelastingniveaus liggen en verenigbaar zijn met het Gemeenschapsrecht.

Artikel 7 Richtlijn 2003/96 bepaalt:

"1. Met ingang van 1 januari 2004 en vanaf 1 januari 2010 worden de minimumbelastingniveaus voor motorbrandstoffen vastgesteld zoals beschreven in bijlage I.A. (...).

2. De lidstaten mogen onderscheid maken tussen commerciële en niet-commerciële aanwending van gasolie gebruikt voor voortbeweging, op voorwaarde dat de communautaire minimumbelastingniveaus gerespecteerd worden en het belastingniveau voor commerciële gasolie gebruikt voor voortbeweging niet onder het op 1 januari 2003 geldende nationale belastingniveau daalt, niettegenstaande de in deze richtlijn bepaalde afwijkingen voor dit gebruik.

3. Onder commerciële gasolie gebruikt voor voortbeweging wordt verstaan gasolie gebruikt voor voortbeweging voor onderstaande doeleinden: a) het vervoer van goederen voor eigen rekening of voor rekening van derden met een motorvoertuig of een samenstel van voertuigen dat uitsluitend bestemd is voor het goederenvervoer over de weg met een maximum toegelaten laadvermogen van 7,5 ton of meer bedraagt (...)."

Volgens overweging 19 bij Richtlijn 2003/96, moet, om belasting te kunnen heffen op dieselbrandstof die gebruikt wordt door vervoerders met name die met intracommunautaire activiteiten, een specifieke behandeling mogelijk zijn, inclusief maatregelen met het oog op de invoering van een systeem van heffingen op het weggebruik, om de concurrentieverstoring die deze vervoerders zouden kunnen ondervinden, te beperken.

Overweging 20 bij Richtlijn 2003/96 bepaalt dat de lidstaten wellicht behoefte hebben aan een mogelijkheid om te differentiëren tussen commerciële en niet commerciële diesel. Zij kunnen die mogelijkheid benutten om het verschil tussen de belastingheffing op niet-commerciële gasolie gebruikt voor voortbeweging en op benzine kleiner te maken.

2. Uit overweging 19 bij Richtlijn 2003/96 en de voorgeschiedenis ervan volgt dat de Europese wetgever heeft willen remediëren aan de verschillen tussen de fiscale behandeling van energieproducten in de lidstaten waarmee het bedrijfsleven, met name de professionele vervoerders over de weg van goederen en personen, wordt geconfronteerd. De bedoeling van de richtlijn is het fundament te vormen voor een doelmatige markt en eerlijkere concurrentie.

Naast de mogelijke gedifferentieerde behandeling in het geval van commerciële aanwending van gasolie zoals bepaald in artikel 7 Richtlijn 2003/96, laat artikel 5 van die richtlijn gedifferentieerde belastingniveaus toe voor het openbaar personenvervoer, afvalinzameling, strijdkrachten en overheidsadministraties, gehandicapten en ziekenauto's. Dit zijn vormen van gebruik die in de regel door de overheid worden verzorgd.

Uit de richtlijn zelf en haar voorgeschiedenis blijkt kennelijk dat de commerciële gasolie, zoals gedefinieerd in artikel 7.3 Richtlijn 2003/96, niet doelt op door de overheid gebruikte gasolie voor het vervoer van goederen over de weg.

3. Richtlijn 2003/96 is in het Belgisch recht omgezet bij koninklijk besluit van 29 februari 2004 houdende diverse bepalingen inzake accijnzen en verder bij de programmawet van 27 december 2004.

Artikel 3, b), koninklijk besluit van 29 februari 2004 en artikel 429, § 5, 1), c), van de programmawet van 27 december 2004, zoals te dezen van toepassing, bepalen dat welbepaalde gasolie met een zwavelgehalte van niet meer dan 50 mg/kg, gebruikt als motorbrandstof, vrijgesteld is van de verhoging van de bijzondere accijns na 1 januari 2004, indien deze gasolie wordt gebruikt voor "het vervoer van goederen voor eigen rekening of voor rekening van derden met een motorvoertuig of een samenstel van voertuigen dat uitsluitend bestemd is voor het goederenvervoer over de weg en waarvan de maximaal toegelaten massa gelijk is aan of meer is dan 7,5 ton".

Het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 29 februari 2004 legt artikel 3 van het koninklijk besluit als volgt uit: "Artikel 3 in huidige besluit voorziet in een specifiek tarief van de accijnzen voor de transportsector van personen en goederen. Deze professionele sectoren zullen in dit geval voor de door hen gebruikte gasolie met een laag zwavelgehalte vrijgesteld zijn van de verhogingen van de bijzondere accijns na 1 januari 2004."

Hieruit blijkt dat de bedoelde vrijstelling van de verhoging van de accijns niet geldt voor door de overheid gebruikte gasolie voor het vervoer van goederen over de weg.

4. Door te oordelen dat de vrijstelling van artikel 429, § 5, 1), c), van de programmawet van 27 december 2004, ook van toepassing is op de verweerster, schenden de appelrechters deze wetsbepaling.

Het onderdeel is gegrond.

Prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof

5. De publiekrechtelijke rechtspersonen kunnen geen categorie van personen vormen die vergelijkbaar zijn met de privaatrechtelijke rechtspersonen, ook wanneer deze vergelijkbare diensten verlenen.

De aangevoerde ongelijkheid heeft derhalve geen betrekking op gelijke toestanden.

6. Er is geen reden het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit waarnemend eerste voorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Eric Dirix, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 19 april 2012 uitgesproken door waarnemend eerste voorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Accijnzen

  • Gasolie

  • Verhoging van de bijzondere accijns

  • Vervoer van goederen

  • Vrijstelling