- Arrest van 19 april 2012

19/04/2012 - F.11.0017.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het uit een douaneschuld voortvloeiend bedrag aan rechten wordt geboekt in de zin van artikel 2.1, tweede lid, van de Verordening 1697/79, door de opneming van dit bedrag in het door de bevoegde douaneautoriteiten opgemaakte proces-verbaal van bevinding van een inbreuk op de toepasselijke douanewetgeving (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.11.0017.N

SOCRIMEX FRANCE sa, vennootschap naar Frans recht, met zetel te F-25770 Serre-les-Sapins (Frankrijk), parc d'activité Eurespace Nord, rue Droulier 10,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Paul Lefèbvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480, bus 9, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, administratie van de douane en accijnzen, voor wie optreedt de gewestelijke directeur der douane en accijnzen te Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Kattendijkdok, Oostkaai 22,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 29 juni 2010.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 12 november 2012 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 2.1, eerste lid, Verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide (hierna: verordening 1697/79), zoals te dezen van toepassing, leiden de bevoegde autoriteiten een procedure in tot navordering van niet-geheven rechten wanneer zij constateren dat het gehele bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer dat wettelijk verschuldigd is voor een goed dat is aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide, niet van de belastingschuldige is opgeëist.

Krachtens artikel 2.1, tweede lid, Verordening 1697/79 kan de procedure niet worden ingeleid na een termijn van drie jaar vanaf de dag waarop het oorspronkelijk van de belastingschuldige opgeëiste bedrag is geboekt, of, indien geen boeking heeft plaatsgevonden, vanaf de dag waarop douaneschuld ter zake van het betrokken goed is ontstaan.

2. Het uit een douaneschuld voortvloeiende bedrag aan rechten wordt geboekt door de opneming van dit bedrag in het door de bevoegde douaneautoriteiten opgemaakte proces-verbaal van bevinding van een inbreuk op de toepasselijke douanewetgeving.

3. Door te oordelen dat inbreuken werden vastgesteld bij de processen-verbaal van 16 juni 1994 en 29 november 1994 met vermelding van de verschuldigde rechten, en deze rechten op dat ogenblik werden geboekt, verantwoorden de appelrechters naar recht hun beslissing dat de termijn van drie jaar vanaf deze data begon te lopen.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

4. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, oordelen de appelrechters in het tussenarrest van 15 juni 2004 niet dat er geen oorspronkelijke boeking plaatsvond maar stellen zij enkel vast dat aangiften werden ingediend voor de invoer van autoradio's met de eiseres als geadresseerde, waarbij certificaten van oorsprong waren gevoegd, waaruit zou dienen te blijken dat de goederen van oorsprong uit Indonesië kwamen zodat kon genoten worden van een preferentieel stelsel.

Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

5. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, vermelden de appelrechters wel de dagen van de boeking op de data van de processen-verbaal van 16 juni 1994 en 29 november 1994.

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

6. Krachtens artikel 2.2 Verordening 1697/79, zoals te dezen van toepassing, wordt de procedure tot navordering ingeleid door kennisgeving aan de betrokkene van het bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer dat hij verschuldigd is.

7. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de bedoelde kennisgeving vereist dat hierdoor een rechter gevat wordt van de betwisting omtrent de verschuldigdheid van de navordering, faalt naar recht.

Derde onderdeel

8. Krachtens artikel 2.1, tweede lid, Verordening 1697/79 kan de procedure niet worden ingeleid na een termijn van drie jaar vanaf de dag waarop het oorspronkelijk van de belastingschuldige opgeëiste bedrag is geboekt, of, indien geen boeking heeft plaatsgevonden, vanaf de dag waarop douaneschuld ter zake van het betrokken goed is ontstaan.

Deze termijn is een vervaltermijn binnen dewelke de douaneschuld moet meegedeeld worden aan de schuldenaar.

Op de invordering van de tijdig meegedeelde douaneschuld is de verjaringstermijn van artikel 2262bis, § 1, Burgerlijk Wetboek van toepassing.

9. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de verjaringstermijn van artikel 2262bis, § 1, Burgerlijk Wetboek enkel van toepassing is in het raam van artikel 3 Verordening 1697/79, faalt in zoverre naar recht.

10. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechters een stuiting van de termijn bepaald in artikel 2.2 Verordening 1697/79 hebben vastgesteld, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het mitsdien feitelijke grondslag.

Vierde onderdeel

11. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, oordelen de appelrechters niet dat de mededeling zoals bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, Verordening 1697/79 het vertrekpunt was van de verjaring voor de vordering van de verweerder maar wel dat indien deze mededeling tijdig is gebeurd, de administratie op grond van artikel 2262bis Burgerlijk Wetboek beschikt over een termijn van tien jaar vanaf de inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998.

Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 174,63 euro en voor de verweerder op 150,27 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit waarnemend eerste voorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Eric Dirix, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 19 april 2012 uitgesproken door waarnemend eerste voorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Rechten bij invoer of uitvoer

  • Procedure tot navordering

  • Termijn van drie jaar

  • Aanvang

  • Boeking