- Arrest van 20 april 2012

20/04/2012 - C.10.0434.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De leraar die voor een identieke werktijdenlast een beroepsactiviteit als zelfstandige uitoefent en die het vermoeden van bijbetrekking voor de uitoefening van zijn leraarsambt niet weerlegt, ontvangt een lagere bezoldiging dan die van een leraar die titularis is van een hoofdambt (1). (1) KB van 15 april 1958, art. 5, eerste lid, b), gewijzigd door art. l, W. 27 feb. 1986; art. 5bis, eerste lid ingevoegd door art. 2, van de Wet van 8 feb. 1974 en gewijzigd door art. 2, Wet. 27 feb. 1986; art. 44ter, § 1, KB van 10 maart 1965; art. 44ter, § 2, ingevoegd door het KB van 10 maart 1965 en gewijzigd door het KB van 22 okt. 1971.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0434.F

É. D.,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

FRANSE GEMEENSCHAP,

Mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 5 januari 2010.

Raadsheer Didier Batselé heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert één middel aan dat luidt als volgt:

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 10, 11 en 159 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het arrest veroordeelt de eiser tot het betalen van 69.613,09 euro aan de verweerster te vermeerderen met de wettelijke interest op 67.560,90 euro sinds de dag van de ingebrekestelling op 23 oktober 1998 en vervolgens op 69.613,09 euro sinds de dag van de ingebrekestelling op 11 augustus 2000 en tot de volledige betaling, verwerpt de tegenvordering tot schadevergoeding van de eiser die overeenstemt met het bedrag van het onverschuldigd betaalde en veroordeelt hem tot de kosten van het hoger beroep vastgesteld op 3.000 euro, op grond van alle motieven die hier beschouwd worden integraal te zijn hernomen, en in het bijzonder om de volgende overwegingen:

"2. Wat de grond van de vordering betreft

a) Inzake de wettelijkheid van de artikelen 5, 42 en 44ter van het koninklijk besluit van 15 april 1958

Het hof [van beroep] is het niet eens met de overwegingen [van de eiser] op dat punt.

Het is de bedoeling van bovenbedoeld artikel 5 dat de personen die een andere activiteit uitoefenen dan die van leraar ook mogen onderwijzen.

In het licht daarvan is het volstrekt logisch dat de wettelijke of reglementaire bepalingen een onderscheid maken tussen leraars voor wie het onderwijs een hoofdambt is en leraars die een ander beroep in hoofdambt uitoefenen ongeacht of het een zelfstandig beroep of een andere betrekking betreft.

[Verweerster] vermeldt de parlementaire voorbereiding van de wet van 8 februari 1974 die voornoemd artikel 5 gewijzigd heeft en wijst erop dat de huidige bepaling van dat artikel 5 tot doel heeft ‘om voor de zelfstandigen een analoge toestand te bekomen als voor de bezoldigden. Hiervoor hanteert men een geldelijk criterium zodat de verhouding hoofdambt-bijambt geen verschillende gevolgen heeft voor leraars die een zelfstandige activiteit uitoefenen als voor leraars die een bezoldigde nevenactiviteit hebben'.

In het kader daarvan is het eveneens logisch dat de leraars die daarnaast een andere beroepsactiviteit in hoofdambt uitoefenen een lager bedrag ontvangen voor een activiteit die voor hen slechts bijkomstig is.

De criteria en normen die in voornoemde bepalingen gehanteerd worden passen in de logica van het stelsel te weten voor de zelfstandigen het criterium van ‘60 pct. van de wekelijkse arbeidsprestaties geleverd door iemand die dezelfde activiteit op uitsluitende wijze uitoefent' en voorts, een verschil in bezoldiging die volgens [eiser] varieert van één tot drie.

Die criteria en normen zijn overigens op gelijke wijze van toepassing op andere personen die een hoofdactiviteit buiten het onderwijs cumuleren met een onderwijsopdracht.

In die omstandigheden ziet het hof [van beroep] niet in waarin bovenvermelde bepalingen tegenstrijdig zouden zijn met het nagestreefde doel of onevenredig zouden zijn in hun toepassingen, aangezien een persoon die zijn volledige arbeidstijd besteedt aan een onderwijsactiviteit zich niet in dezelfde objectieve situatie bevindt als een persoon die het grootste deel van zijn arbeidstijd aan een andere activiteit besteedt dan die van leraar en dat laatste beroep zodoende slechts op zeer deeltijdse basis uitoefent.

Bovendien vertrekt [eiser] van het principe dat ‘de prestaties die de leraars in hoofdambt en in bijbetrekking uitoefenen volledig identiek zijn'.

Maar dat principe is een bewering die geenszins bewezen is en die zelfs onverenigbaar is met de tekst van de regelgeving zelf die met name de tijd beoogt die besteed wordt aan de respectieve activiteiten van diegene die een onderwijsactiviteit cumuleert met een andere beroepsactiviteit.

Wat de terugwerkende kracht van de maatregel betreft verliest [eiser] ook de logica uit het oog van de werking van voornoemde artikels.

Het gaat inderdaad niet zozeer om de terugwerkende kracht dan wel om na te gaan welke de precieze toestand is van de leraar die cumuleert en de beslissingen te nemen die nodig zijn op grond van de analyse van die situatie.

Wat dat punt betreft ten slotte, moet erop worden gewezen dat de theorie van de feitelijke ambtenaar hier van geen belang is aangezien die theorie tot doel heeft te beletten dat de handelingen van een ambtenaar van wie de benoeming geschrapt of ingetrokken werd zou worden betwist.

In casu gaat het er echter niet om de handelingen te betwisten die (eiser) heeft gesteld in de hoedanigheid van leraar maar louter de bedragen te bepalen die hij kon ontvangen voor het werk dat hij heeft verricht en dat in overeenstemming met de toepasselijke regelgeving.

b) Wat de wettigheid betreft van artikel 5bis tot oprichting van de Commissie D. B.

[Eiser] verliest de logica van het stelsel uit het oog :

- de persoon die een onderwijsopdracht heeft terwijl hij een activiteit als zelfstandige uitoefent mag vragen om voor zijn onderwijsopdracht in hoofdambt te worden bezoldigd, en, zoniet, wordt hij bezoldigd in bijambt ;

- de Commissie D. B. moet de bevoegde minister adviseren over de gegrondheid van het verzoek;

- bovenvermeld artikel 5bis somt expliciet de elementen op waarmee die Commissie rekening moet houden bij het beoordelen van voornoemd criterium van 60 pct., i.e. tekstueel: ‘de aard en de duur van de dienstprestaties die het zelfstandig beroep omvat, de werktijden alsmede de inkomsten voortspruitend uit zijn beroep'.

[Eiser] beweert dus ten onrechte dat er 'geen enkel voorafbepaald criterium is waaruit kan worden opgemaakt op welke wijze het bedrag van 60 pct. van de wekelijkse arbeidsprestaties kan worden bepaald'.

De beoordelingselementen die voorkomen in voornoemd artikel 5bis zijn bovendien niet willekeurig of niet in verhouding tot het in aanmerking genomen criterium van 60 pct.van de arbeidsprestaties.

Daarenboven is het onjuist te beweren dat, als die Commissie niet bestond, [eiser] had kunnen worden beschouwd als een persoon met een hoofdberoep in het onderwijs.

Het was immers duidelijk de bedoeling van de wetgever om te beletten dat een persoon die een hoofdberoep uitoefent buiten het onderwijs ook een hoofdberoep zou kunnen uitoefenen in het onderwijs.

Als bovenbedoeld mechanisme niet had bestaan, dan zou een ander mechanisme zijn ingesteld om dat doel te bereiken.

Bovendien biedt de Commissie D. B. het voordeel dat zij uit vakmensen bestaat die het best het bijzonder karakter van de verschillende beroepen van zelfstandigen kunnen beoordelen (zie in die zin de referenties van de [verweerster])".

Grieven

De artikelen 10 en 11 van de Grondwet impliceren dat alwie zich in dezelfde situatie bevindt op gelijke wijze behandeld wordt. Die regel sluit niet uit dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen verschillende categorieën van personen voor zover het gehanteerde criterium voor het maken van dat onderscheid objectief en redelijk kan worden gerechtvaardigd en in verhouding is tot het doel en de gevolgen van de genomen maatregel.

Het gelijkheidsbeginsel is miskend als er geen redelijke verhouding van evenredigheid is tussen de gebruikte middelen en het beoogde doel.

Het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs voorziet in bezoldigingscriteria die verschillen al naargelang de leraar functies in hoofdambt uitoefent, in hoofdambt met onvolledige prestaties, in bijbetrekking of op niet uitsluitende wijze.

Krachtens de artikelen 44bis tot 44sexies van het koninklijk besluit van 15 april 1958, geniet de leraar die een bijbetrekking uitoefent - ongeacht of het al dan niet volledige prestaties betreft - van een lagere bezoldiging dan die van de titularis van een hoofdambt, voor een identieke werktijdenlast. Bovenvermelde artikelen schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat zij een verschillende behandeling invoeren van die verschillende functies; het arrest maakt de toepassing hiervan niet ongedaan en schendt zodoende zowel die bepalingen als artikel 159 van de Grondwet.

Artikel 1, van de wet van 8 februari 1974 en artikel 1 van de wet van 27 februari 1986 hebben artikel 5, eerste lid, b), van het koninklijk besluit van 15 april 1958 gewijzigd. Voor de afschaffing ervan door artikel 1 van het decreet van 27 januari 2006, bepaalde dat artikel dat de leraar die reeds een zelfstandig beroep uitoefent waarin een beroepsactiviteit wordt ontwikkeld die ten minste 60 pct. vereist van de wekelijkse arbeidsprestaties verstrekt door iemand die dezelfde activiteit op uitsluitende wijze uitoefent zijn beroep van leraar als bijbetrekking uitoefent.

Artikel 2 van de wet van 8 februari 1974, aangevuld met artikel 2 van de wet van 27 februari 1986, heeft in het koninklijk besluit van 15 april 1958 een artikel 5bis ingevoegd. Voor de wijziging ervan door artikel 2 van het decreet van 27 januari 2006, bepaalde dat artikel dat de leraar het in artikel 5, eerste lid, b), bepaalde vermoeden kon weerleggen door aan de minister te vragen vast te stellen dat zijn beroep als zelfstandige zijn arbeidsactiviteit als leraar niet volkomen in beslag nam. De minister beslist op grond van het advies van de zogeheten Commissie D. B. die de aard en duur van de prestaties die het beroep als zelfstandige vergen, de tijd die eraan besteed is en de inkomens die het beroep oplevert, in overweging te neemt.

De leraar die het door artikel 5, eerste lid, b), van het koninklijk besluit van 15 april 1958 bepaalde vermoeden niet weerlegde oefende zijn activiteit uit als bijbetrekking en kreeg bijgevolg een lagere bezoldiging dan een leraar die zijn activiteit als hoofdambt uitoefende voor een identieke werktijdenlast.

De situaties van de leraars die een activiteit als zelfstandige uitoefenen en die het door artikel 5, eerste lid, b), van het koninklijk besluit van 15 april 1958 bepaalde vermoeden niet weerleggen en de situaties van de leraars die hun activiteit in hoofdambt uitoefenen zijn echter vergelijkbaar wanneer ze dezelfde werktijden presteren. Uit niets valt af te leiden dat zij niet dezelfde prestaties verrichten voor de onderwijsinstelling. Het arrest stelt trouwens vast dat "de door [eiser] gestelde handelingen als leraar geenszins ter discussie staan maar dat de bedragen moeten worden bepaald die hij kon ontvangen voor de verrichte arbeid in overeenstemming met de toepasselijke regelgeving".

De artikelen 5 en 5bis van het koninklijk besluit van 15 april 1958, ingevoegd door de hierbovenvermelde wettelijke bepalingen, in samenhang gelezen met de artikelen 44bis tot 44sexies van dat koninklijk besluit voeren een verschillende bezoldiging in voor leraars die een activiteit uitoefenen als zelfstandige en die het vermoeden van bijbetrekking niet weerleggen en leraars die dezelfde functie als hoofdambt uitoefenen, zonder dat dat verschil in bezoldiging gerechtvaardigd is door objectieve en redelijke redenen en schenden aldus de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Verweerster vorderde in casu het verschil tussen het bedrag van de door de eiser ontvangen weddetoelagen voor een hoofdactiviteit tussen 1995 en 1999 en het bedrag van de voor een bijbetrekking verschuldigde weddetoelagen.

Het arrest, dat die vraag inwilligt omdat geenszins is aangetoond dat een leraarsambt als bijbetrekking identiek is aan een leraarsambt als hoofdambt en omdat het hof [van beroep] "niet inziet hoe de bovenvermelde bepalingen van het koninklijk besluit van 15 april 1958 tegenstrijdig zouden zijn met het nagestreefde doel of onevenredig zouden zijn in hun toepassingen", schendt de artikelen 10, 11 en 159 van de Grondwet.

Aangezien artikel 5, eerste lid, b), van het koninklijk besluit van 15 april 1958 werd ingevoegd door artikel 1 van de wet van 8 februari 1974, aangevuld met artikel 1 van de wet van 27 februari 1986, en artikel 5bis ingevoegd werd door artikel 2 van de wet van 8 februari 1974, aangevuld met artikel 2 van de wet van 27 februari 1986, moet bijgevolg aan het Grondwettelijk Hof de prejudiciële vraag betreffende de overeenstemming van die wettelijke bepalingen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet worden gesteld zoals die geformuleerd is in het beschikkend gedeelte van het verzoek.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Het arrest stelt zowel met eigen motieven als met die van het beroepen vonnis die het overneemt vast dat de eiser die een zelfstandig beroep als arts uitoefent daarnaast, van het academiejaar 1985-1986 tot het academiejaar 1998-1999, het ambt van docent heeft uitgeoefend in een provinciale onderwijsinstelling, dat dit docentschap vanaf het burgerlijk jaar 1995 beschouwd werd als een bijbetrekking en dat de vordering van de verweerster strekt tot de terugbetaling van het verschil in weddetoelagen betaald aan de eiser vanaf 1 januari 1995 tot 31 augustus 1999 voor een vermeend hoofdambt en de weddetoelagen die hem verschuldigd waren voor zijn ambt als bijbetrekking.

Luidens artikel 4, § 1, eerste lid van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs, wordt onder "ambt met volledige prestaties" het ambt verstaan dat prestaties behelst waarvan de uurregeling een normale beroepsactiviteit volkomen in beslag neemt.

Volgens artikel 4, § 1, tweede lid, zijn onder meer volledig de prestaties van hem die, als lid van het rijkspersoneel, aan een of meer bij de onderhavige bezoldigingsregeling beoogde scholen, ten minste het minimumaantal lesuren geeft dat voor zijn ambt is vastgesteld bij het in artikel 7 bedoelde koninklijk besluit.

Artikel 5, eerste lid, b), van dat koninklijk besluit, gewijzigd door artikel 1 van de wet van 8 fabruari 1974 en door artikel 1 van de wet van 27 februari 1986, bepaalt dat onder de uitdrukking "bijbetrekking" het ambt wordt verstaan met al dan niet volledige prestaties, dat aan een of meer bij de onderhavige bezoldigingsregeling beoogde scholen of instellingen wordt uitgeoefend door het personeelslid dat reeds een zelfstandig beroep uitoefent waarin een beroepsactiviteit wordt ontwikkeld die ten minste 60 % vereist van de wekelijkse arbeidsprestaties verstrekt door iemand die dezelfde activiteit op uitsluitende wijze uitoefent.

Krachtens artikel 5bis, eerste lid, ingevoegd door artikel 2 van de wet van 8 februari 1974 en gewijzigd door artikel 2 van de wet van 27 februari 1986, kan elk aan dat besluit onderworpen personeelslid dat een zelfstandig beroep uitoefent, aan de Minister die met de uitvoering van dit besluit belast is en onder wie de onderwijsinrichting ressorteert waarin het personeelslid zijn ambt uitoefent, vragen dat vastgesteld wordt dat het zelfstandig beroep dat hij uitoefent geen beroepsactiviteit in beslag neemt en het niet indienen van zodanige aanvraag betekent automatisch een bezoldiging in bijambt.

Overeenkomstig artikel 5, tweede lid, wordt verstaan onder de "bijbetrekking" het ambt met al dan niet volledige prestaties dat overeenkomstig de vorige bepalingen niet als bijambt wordt beschouwd.

Artikel 44ter, § 1, ingevoegd door het koninklijk besluit van 10 maart 1965, bepaalt dat de wedde van de titularis van een bijbetrekking, in het Rijksonderwijs, andere dan die bedoeld in artikel 45, gelijk is aan het product dat bekomen wordt door het bedrag per wekelijks lesuur over het jaar te vermeningvuldigen met het aantal wekelijkse lesuren dat voornoemd ambt geduren het schooljaar behelst.

Artikel 44ter, § 2, ingevoegd door het koninklijk besluit van 10 maart 1965 en gewijzigd door het koninklijk besluit van 22 oktober 1971, bepaalt dat voor de toepassing van § 1:

1° het bedrag per wekelijks lesuur over het jaar gelijk is aan de uitkomst welke verkregen wordt door de minimumwedde van de schaal die het personeelslid zou genieten indien hij dat zelfde ambt als hoofdambt met volledige prestaties uitoefende, te delen door een getal dat, volgens het minimum aantal lesuren dat het hoofdambt met volledige prestaties behelst, verandert;

2° het aantal lesuren dat in aanmerking dient genomen voor de berekening van de aan de bijbetrekking verbonden wedde altijd beperkt wordt tot het minimumaantal lesuren vastgesteld voor de overeenkomstige hoofdbetrekking met volledige prestaties.

Uit die bepalingen volgt dat de leraar die voor een identieke werktijdenlast een beroepsactiviteit als zelfstandige uitoefent en die het vermoeden van bijbetrekking voor de uitoefening van zijn leraarsambt niet weerlegt, een lagere bezoldiging ontvangt dan die van een leraar die titularis is van een hoofdambt.

Het middel voert aan dat verschil in bezoldiging strijdig is met het beginsel van de gelijkheid van de Belgen voor de wet en het beginsel van de niet-discriminatie van de Belgen in het genieten van de rechten en vrijheden die hen zijn toegekend, die in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn vastgelegd.

Die grondwettelijke bepalingen impliceren dat al wie zich in eenzelfde situatie bevindt op gelijke wijze moet worden behandeld maar zij sluiten niet uit dat een onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende categorieën van personen voor zover het gehanteerde criterium voor het maken van dat onderscheid objectief en redelijk kan worden gerechtvaardigd; het bestaan van een dergelijke rechtvaardiging moet worden beoordeeld in verhouding tot het doel en de gevolgen van de genomen maatregel; het gelijkheidsbeginsel is miskend wanneer blijkt dat er geen redelijke proportionaliteitsverhouding is tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

Het arrest dat het beroepen vonnis bevestigt, dat de vraag van de verweerster gegrond verklaart en daartoe oordeelt dat "het hof [van beroep] niet inziet hoe de [artikelen 5, 42 en 44ter van het koninklijk besluit van 15 april 1958] tegenstrijdig zouden zijn met het nagestreefde doel of onevenredig zouden zijn in hun toepassingen, aangezien een persoon die zijn volledige arbeidstijd besteedt aan een onderwijsactiviteit zich niet in dezelfde objectieve situatie bevindt als een persoon die het grootste deel van zijn arbeidstijd aan een andere activiteit besteedt dan die van leraar en dat laatste beroep zodoende slechts op zeer deeltijdse basis uitoefent", en "geen enkel middel of argument ontwaart dat de onwettigheid van bovenvermelde regelgeving of van de beslissingen ten aanzien [van de eiser] staaft", schendt de artikelen 10, 11 en 159 van de Grondwet niet.

Krachtens artikel 26, § 1, 3°, van de Bijzondere wet op het Grondwettelijk Hof van 6 januari 1989, doet het Grondwettelijk Hof voor het overige, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak bij wege van arrest op vragen omtrent de schending door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel van de artikelen van titel II "De Belgen en hun rechten", en de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet.

Aangezien het middel niet aanvoert dat de artikelen 5, eerste lid, b), en 5bis van het koninklijk besluit van 15 april 1958, die een wetgevende waarde hebben, zelf discriminerende criteria zouden hanteren bij het maken van het onderscheid tussen de zelfstandigen die in het onderwijs een hoofdambt uitoefenen en zij die er een bijbetrekking uitoefenen, maar zich ertoe beperkt om voor de zelfstandigen een onderscheid in bezoldiging te maken tussen de leraars die een hoofdambt uitoefenen en de leraars die een bijbetrekking uitoefenen en dat onderscheid in regelgevende teksten vervat is die niet zijn bedoeld in artikel 26, § 1, 3°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 zodat de door de eiser voorgestelde prejudiciële vraag niet hoeft te worden gesteld aan het Grondwettelijk Hof.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Sylviane Velu, Alain Simon en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 20 april 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Uitoefening van een beroepsactiviteit als zelfstandige

  • Uitoefening van een ambt als leraar

  • Volledige prestaties

  • Niet weerleggen van het vermoeden van bijbetrekking

  • Invloed op de bezoldiging