- Arrest van 23 april 2012

23/04/2012 - C.11.0423.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De beslissing waarbij de rechter in hoger beroep uitspraak doet over de principiële gegrondheid van de vordering van de verweerder en omtrent de omvang van de vergoeding, de aanstelling van de gerechtsdeskundige bevestigt en de zaak terugverwijst naar de eerste rechter voor verdere afhandeling is een eindbeslissing.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0423.N

B.V.,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

J.T.,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 6 januari 2011.

De zaak is bij beschikking van de waarnemend eerste voorzitter van 2 februari 2012 verwezen naar de derde kamer.

Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. De appelrechter stelt vast dat de verweerder in een brief van 17 juni 2003 schreef: "Ik maak gebruik van deze brief om je eraan te herinneren dat hoewel ik niet van plan ben je enige terugbetaling te vragen van de investeringen die tijdens ons samenleven gedaan werden, ik toch aandring dat onze dochter in de toekomst niets zou tekortkomen door deze situatie. De beste manier om dit te voorkomen zou zijn dat je een van de gebouwde en ingerichte appartementen (met ons gemeenschappelijk geld) op jouw terrein op haar naam zou zetten. (...)"

Hij oordeelt dat er geen afstand van recht kan worden aangenomen op de gronden dat:

- afstand van recht niet wordt vermoed maar uitdrukkelijk moet bewezen zijn;

- het uit geen enkel stuk blijkt dat de eiseres één van de appartementen op naam heeft gezet van de dochter;

- hij met de eerste rechter van oordeel is dat het inzicht van de verweerder om geen terugbetaling te vorderen, gekoppeld was aan een voorwaarde, met name dat één van de appartementen op naam zou worden gezet van de dochter;

- gezien de eiseres aan deze voorwaarde geen gevolg heeft gegeven, de verweerder al zijn rechten hernam en hij zijn aanspraken in rechte kan laten gelden.

2. Door aldus te oordelen geeft de appelrechter een uitleg van voormelde brief die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is, zodat hij de bewijskracht ervan niet miskent.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

3. Op grond van de in r.o. 1 weergegeven redenen kon de appelrechter aannemen dat de verweerder in zijn brief van 17 juni 2003 geen afstand had gedaan van het recht om vergoeding van de eiseres te vorderen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

4. Krachtens artikel 19 Gerechtelijk Wetboek is een vonnis een eindvonnis wanneer daarmee de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt uitgeput is behoudens de rechtsmiddelen bij de wet bepaald.

Krachtens artikel 1017, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek verwijst ieder eindvonnis, tenzij bijzondere wetten anders bepalen, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt.

Krachtens artikel 1017, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek wordt de beslissing inzake kosten in een onderzoeksvonnis steeds aangehouden.

5. De beslissing waarbij de rechter in hoger beroep uitspraak doet over de principiële gegrondheid van de vordering van de verweerder en omtrent de omvang van de vergoeding, de aanstelling van de gerechtsdeskundige bevestigt en de zaak terugverwijst naar de eerste rechter voor verdere afhandeling is een eindbeslissing.

Het middel dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 604,01 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Koen Mestdagh, Geert Jocqué en Antoine Lievens, en in openbare terechtzitting van 23 april 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Beslissing over de grond van de zaak met bevestiging van de onderzoeksmaatregel

  • Terugwijzing naar de eerste rechter

  • Aard van de beslissing