- Arrest van 23 april 2012

23/04/2012 - C.11.0478.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter dient de schade te bepalen op het tijdstip dat dit van het effectieve herstel ervan zo dicht mogelijk benadert, dit is op het tijdstip van zijn uitspraak, in voorkomend geval na hoger beroep, en dient hierbij rekening te houden met gebeurtenissen die, hoewel zij vreemd zijn aan de onrechtmatige daad, de hierdoor veroorzaakte schade beïnvloeden (1). (1) Zie de conclusie van het openbaar ministerie.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0478.N

MERCATOR VERZEKERINGEN nv, met zetel te 2600 Berchem (Antwerpen), Posthofbrug 16,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

AXA BELGIUM nv, met zetel te 1170 Watermaal-Bosvoorde, Vorstlaan 25,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 19 november 2010 van het hof van beroep te Brussel op verwijzing gewezen door het arrest van dit Hof van 16 oktober 2003.

Advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 31 januari 2012 ter griffie een conclusie neergelegd.

De zaak is bij beschikking van de waarnemend eerste voorzitter van 2 februari 2012 verwezen naar de derde kamer.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 gecoördineerde Grondwet;

- de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek;

- artikel 47 Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;

- artikel 12 van het koninklijk besluit van 20 augustus 1986 betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen in geval van conventioneel brugpensioen;

- artikel 2 van het ministerieel besluit tot uitvoering van het koninklijk besluit van 20 augustus 1986 betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen in geval van conventioneel brugpensioen.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest: "(...) Veroordeelt (eiseres) om te betalen aan (verweerster) de som van 131.881,54 euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 1 april 1991 tot aan de datum van uitspraak van huidig arrest en met de gerechtelijke moratoire intresten op de hoofdsom en de vergoedende intresten aan de wettelijke rentevoet, vanaf de uitspraak van huidig arrest;

Veroordeelt (eiseres) om te betalen aan (verweerster) de gerechtelijke moratoire intresten op de hoofdsom en de vergoedende intresten toegekend in het arrest van het hof van beroep te Gent dd. 2 maart 2001 vanaf de dag van de uitspraak van het arrest van het hof van beroep te Gent, zijnde 2 maart 2001 tot de dag van de effectieve betaling op 8 juli 2008;

(...)

Veroordeelt (eiseres) tot de kosten van het hoger beroep en van de procedure in cassatie;

Begroot deze kosten (...)";

op grond van de motieven op p. 4-8:

"2. Vergoedingen voor de tijdelijke en de blijvende arbeidsgeschiktheid

2.1. Het arrest van het hof van beroep te Gent dd. 2 maart 2001 heeft de vordering van (verweerster) in zoverre zij betrekking heeft op de vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid na het brugpensioen en voor de blijvende arbeidsongeschiktheid ongegrond verklaard.

J.G. heeft ervoor geopteerd om vanaf 27 oktober 1986 van het brugpensioen te genieten. Dit is een omstandigheid die zich na de onrechtmatige daad heeft voorgedaan.

Het wordt door (eiseres) niet betwist dat de beslissing van J.G. om met brugpensioen te gaan een beslissing is die losstaat van het verkeersongeval waarvan hij het slachtoffer werd alsmede van de schadelijke gevolgen van de opgelopen kwetsuren (zie conclusie van (eiseres) neergelegd op 14 december 2004).

Het brugpensioen vindt zijn oorzaak in de overeenkomst tussen het slachtoffer en zijn werkgever en in de wetgeving betreffende het brugpensioen. Het brugpensioen heeft bijgevolg een andere oorzaak dan de onrechtmatige daad die de schade heeft veroorzaakt.

Bijgevolg strekt het brugpensioen niet tot vergoeding van de door het slachtoffer ingevolge het ongeval geleden schade en heeft het geen vergoedend karakter.

Het Hof van Cassatie heeft in zijn arrest van 16 oktober 2003 te dezen beslist dat de omstandigheid dat de getroffene van een door een derde foutief veroorzaakt ongeval een brugpensioen geniet, niet noodzakelijk verhindert dat de getroffene schade lijdt ingevolge zijn arbeidsongeschiktheid en dat een brugpensioen niet uitsluit dat het slachtoffer een economische waarde behoudt.

In zijn deskundig verslag heeft dokter D. de duur en de graad van tijdelijke invaliditeit van J. G bepaald op 100 pct. vanaf 4 augustus 1982 tot 29 oktober 1990 en de blijvende arbeidsongeschiktheid vanaf de consolidatiedatum op 30 oktober 1990 op 100 pct. bepaald.

Zelfs indien J. G het werk vanaf 15 juli 1985 heeft hervat en op 27 oktober 1986 op brugpensioen is gegaan, toch blijkt uit het deskundig verslag dat zijn volledige arbeidsonbekwaamheid voor de periode waarvoor de terugbetaling van de uitkeringen wordt gevraagd zijnde, na het brugpensioen, vanaf 3 september 1987 tot 29 oktober 1990 evenals zijn blijvende arbeidsongeschiktheid aan 100 pct. het gevolg zijn van het ongeval van 4 augustus 1982 waarvoor de verzekerde van (eiseres) aansprakelijk is.

Bijgevolg heeft J. G, ondanks zijn brugpensioen, gedurende hoger vermelde periode en vanaf de consolidatiedatum op 30 oktober 1990 schade geleden door het verlies van het vermogen om door het verrichten van arbeid inkomen te verwerven.

Deze schade wordt niet vergoed door zijn brugpensioen maar vindt zijn oorsprong in de onrechtmatige daad begaan door de verzekerde van (eiseres) die deze schade moet vergoeden.

Het verlies van het vermogen om door het verrichten van arbeid inkomen te verwerven is een werkelijke schade die J. G lijdt en die niet beperkt is tot het verlies van een kans om reden dat hij een beperkte opleiding had en omdat hij op zijn leeftijd van 57 jaar in de metaalsector weinig toekomstperspectief had.

Er is dan ook geen reden om aan de nv Sidmar te bevelen om bepaalde stukken in verband met het brugpensioen van haar werknemers over te leggen.

Uit dit alles volgt dat te dezen bij het bepalen van de schadevergoeding in gemeen recht abstractie moet worden gemaakt van het feit dat het slachtoffer J. G een brugpensioen ontvangt.

2.2. De arbeidsongevallenverzekeraar is krachtens de artikelen 46 en 47 Arbeidsongevallenwet gesubrogeerd in de rechten van het slachtoffer. Deze subrogatoire vordering is onderhevig aan een dubbele beperking: zij kan niet hoger zijn dan het door de verzekeraar uitgekeerde bedrag en moet beperkt blijven tot wat het slachtoffer zelf op grond van het aansprakelijkheidsrecht had kunnen vorderen, indien het ongeval geen arbeidsongeval zou zijn geweest en hij derhalve geen tussenkomst van de arbeidsongevallenverzekeraar had genoten.

Dit houdt in dat de subrogatie van de arbeidsongevallenverzekeraar beperkt is tot zijn uitkeringen en tot het bedrag van de schade geleden door het slachtoffer begroot overeenkomstig het gemeen recht.

Voor de berekening van de gemeenrechtelijke vergoeding is het in aanmerking te nemen referteloon het loon van de dag van het ongeval. Het slachtoffer kan slechts aanspraak maken op een vergoeding die overeenstemt met het verlies van het nettoloon, dit is het bedrag na aftrek van de sociale lasten en na belastingheffing van het inkomen dat de getroffene zou hebben verdiend.

De vergoeding voor het gederfde inkomen mag evenwel begroot worden op basis van het brutoloon indien het bedrag van de op de vergoeding te betalen lasten overeenstemt met de lasten op het loon van het slachtoffer.

Bij de berekening van de vergoeding in gemeen recht moet te dezen het brutoloon verminderd worden met de sociale lasten en de belastingen nu niet bewezen is dat het slachtoffer volgens het gemeen recht gehouden is tot betaling van dezelfde sociale lasten en belastingen als deze die op zijn loon wogen.

In de mate dat de volledige arbeidsongevallenvergoedingen, met inbegrip van de sociale lasten, evenveel of minder bedragen dan de gemeenrechtelijke vergoeding, zal de arbeidsongevallenverzekeraar aanspraak kunnen maken op de volledige uitgekeerde arbeidsongevallenvergoedingen.

Voor de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid vanaf 3 september 1987 tot 29 oktober 1990 vordert (verweerster) een bedrag van 2.243.852 frank of 55.623,64 euro.

(Eiseres) stelt dat de gehanteerde cijfers niet duidelijk zijn, zonder evenwel concrete betwistingen of opmerkingen te formuleren.

Om de betaling van de vergoedingen T.A.O van 3 september 1987 tot 29 oktober 1990 aan te tonen verwijst (verweerster) naar stuk 141 van haar dossier waaruit blijkt dat zij een bedrag van 2.243.852 frank bruto¬vergoedingen voor de bewuste periode aan J. G heeft uitbetaald.

(Verweerster) legt een overzicht van de loonevolutie van het loon in gemeen recht eigen aan de werkgever van J. G, de nv Sidmar, waarop (eiseres) geen opmerking formuleert.

Hieruit blijkt dat de actualisering van het loon van 769.059 frank in augustus 1982 tot 2.243.792 frank in september 1994 verloopt. Het betreft evenwel het brutoloon.

De berekening van het brutoloon in gemeen recht bedraagt voor de periode van 3 september 1987 tot 29 oktober 1990 in totaal 5.234.425 frank (zie berekening stuk IV/1 bijlage 4 van het dossier van (verweerster)).

Dit bedrag dient verminderd te worden met 13,07 pct. sociale lasten, of 684.139 frank zodat het semi- brutoloon 4.550.286 frank bedraagt. Als dit bedrag verminderd wordt met 50 pct. voor de belastingheffing, wat een maximum is, geeft dit een bedrag van 2.275.143 frank wat meer is dan wat (verweerster) heeft uitbetaald.

De vergoeding voor de blijvende arbeidsongeschiktheid aan 100 pct. werd door de arbeidsrechtbank te Gent bij vonnis dd. 28 oktober 1994 bepaald op een jaarlijkse bruto - vergoeding van 769.059 frank.

(Verweerster) vordert een vergoeding tot beloop van (4 x 769.059 frank) 3.076.236 frank of 76.257,00 euro voor de blijvende arbeidsongeschiktheid zijnde de uitkeringen voor de periode 30 oktober 1990 (consolidatiedatum) tot 31.10.1994 pensioengerechtigde leeftijd).

In januari 1990 bedroeg het jaarlijkse brutoloon volgens het gemeen recht 1.975.303 frank. Na aftrek van de sociale lasten en de belastingen (per hypothese het maximum van 50 pct.) is het bedrag dat (verweerster) per jaar heeft uitbetaald minder dan het bedrag waarop het slachtoffer in gemeen recht aanspraak kan maken zodat zij recht heeft op de terugbetaling van de gevorderde uitkeringen.

De vordering van (verweerster) is bijgevolg gegrond tot beloop van 55.623,64 euro + 76.257,90 euro = 131.881,54 euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 1 april 1991 (gemiddelde datum) en met de gerechtelijke moratoire intresten op de hoofdsom en de intresten vanaf de uitspraak van huidig arrest."

Grieven

1. De schadevergoeding in gemeen recht op grond van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek dient volledig te zijn, niet minder, maar ook niet meer.

Om de vergoeding van de door een onrechtmatige daad veroorzaakte schade te bepalen, moet de rechter zich plaatsen op het tijdstip van zijn beslissing.

Bij de raming van de schade mag hij geen rekening houden met latere gebeurtenissen die vreemd zijn aan de onrechtmatige daad of aan de schade zelf en die de toestand van het slachtoffer hebben verbeterd of verslechterd.

Bij die raming moet hij daarentegen wel rekening houden met latere gebeurtenissen die, hoewel vreemd aan de onrechtmatige daad, het ontstaan, bestaan of voortbestaan van hierdoor veroorzaakte schade beïnvloeden.

Zo stelt het overlijden van het slachtoffer, dat vreemd is aan de onrechtmatige daad, wel een einde aan de schade ingevolge het verlies van het vermogen van het slachtoffer om door het verrichten van arbeid inkomen te verwerven. De schade voor dat verlies kan vanaf die datum niet meer begroot worden in functie van de normale wedde die de betrokkene na zijn dood had kunnen blijven verdienen, omdat die vanaf dan wegvalt bij gebrek aan enige arbeidsprestatie, die onmogelijk is geworden door het overlijden.

Zo stelt de normale pensionering van het slachtoffer op de wettelijke pensioenleeftijd van 65 jaar, die vreemd is aan de onrechtmatige daad, wel een einde aan de periode waarin het slachtoffer volwaardig beschikbaar kan zijn op de arbeidsmarkt, nu het wettelijk pensioenstelsel in de regel de gepensioneerde verbiedt om nog inkomen uit arbeid te verkrijgen, behoudens de zogenaamde toegestane arbeid zoals geregeld in artikel 64 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers. De schade voor het verlies van het vermogen van het slachtoffer om door het verrichten van arbeid inkomen te verwerven, kan vanaf die datum niet meer begroot blijven in functie van de normale wedde die de betrokkene verder had kunnen blijven verdienen na zijn pensionering, omdat die vanaf dan wegvalt bij gebrek aan normale arbeidsprestaties, die onmogelijk zijn geworden door de pensionering.

Zo stelt de brugpensionering van het slachtoffer, die vreemd is aan de onrechtmatige daad, op dezelfde wijze aan einde aan de periode waarin het slachtoffer beschikbaar kan zijn op de arbeidsmarkt, nu de bruggepensioneerde in essentie gelijkgesteld wordt met een werkloze, die slechts toegelaten is tot een beperkte werkzaamheid binnen de inkomensgrenzen bepaald o.m. door het artikel 12 van het koninklijk besluit van 20 augustus 1986 betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen in geval van conventioneel brugpensioen en artikel 2 van het ministerieel Besluit tot uitvoering van het koninklijk besluit van 20 augustus 1986 betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen in geval van conventioneel brugpensioen, die destijds toepasselijk waren in de betrokken periode van 1986 tot 1994 en die slechts eenzelfde arbeid toelieten als het hoger vermelde koninklijk besluit van 21 december 1967. De schade voor het verlies van het vermogen van het slachtoffer om door het verrichten van arbeid inkomen te verwerven, kan vanaf de datum van de brugpensionering niet meer begroot blijven in functie van de normale wedde die de betrokkene had kunnen blijven verdienen, omdat die vanaf dan wegvalt bij gebrek aan normale arbeidsprestaties, die onmogelijk zijn geworden door de brugpensionering.

Hoe dan ook beïnvloedt de brugpensionering, ook al is zij vreemd aan de onrechtmatige daad, wel degelijk de omvang van de schade, die, op straffe van niet bestaande schade te vergoeden, niet meer kan begroot worden in functie van de normale wedde die het slachtoffer had kunnen blijven verdienen.

2. De appelrechters stellen vast op p. 4 "Het slachtoffer, J.G. geniet vanaf 27 oktober 1986 brugpensioen." en op p. 5 "de beslissing van J.G. om met brugpensioen te gaan (is) een beslissing (...) die losstaat van het verkeersongeval waarvan hij het slachtoffer werd alsmede van de schadelijke gevolgen van de opgelopen kwetsuren" (...) "Het brugpensioen heeft bijgevolg een andere oorzaak dan de onrechtmatige daad die de schade heeft veroorzaakt."

M.a.w. stellen de appelrechters vast dat de brugpensionering niet het gevolg is, noch van het verkeersongeval, noch van de opgelopen kwetsuren. Alzo stellen de appelrechters enkel vast dat de latere gebeurtenis vreemd is aan het ongeval.

3. De appelrechters stellen evenwel niet vast dat de brugpensionering de omvang van de schade niet beïnvloedt, noch dat die latere gebeurtenis ook vreemd is aan de schade.

Integendeel, de appelrechters beperken er zich toe vast te stellen dat het slachtoffer, ondanks zijn brugpensioen, "schade (heeft) geleden door het verlies van het vermogen om door het verrichten van arbeid inkomen te verwerven", welke "schade zijn oorsprong vindt in de onrechtmatige daad" om te beslissen dat "bij het bepalen van de schadevergoeding in gemeen recht abstractie moet gemaakt worden van het feit dat het slachtoffer J. G een brugpensioen ontvangt."

Nergens gaan de appelrechters na of de brugpensionering een invloed heeft gehad op dit verlies.

4. De appelrechters nemen voor de begroting in gemeen recht van de schade, geleden door het slachtoffer, J.G. door het verlies van zijn vermogen om door het verrichten van arbeid inkomen te verwerven, "het loon in gemeen recht eigen aan de werkgever van J. G, de nv Sidmar, (...)" in aanmerking, hetzij op p. 7 voor de tijdelijke arbeidsongeschiktheid dit "brutoloon in gemeen recht (...) voor de periode van 3 september 1987 tot 29 oktober 1990 in totaal 5.234.425 frank (...)" bedroeg en op p. 8 voor de blijvende arbeidsongeschiktheid "voor de periode 30 oktober 1990 (consolidatiedatum) tot 31.10.1994 (pensioen-gerechtigde leeftijd)" dit "jaarlijkse brutoloon volgens het gemeen recht 1.975.303 frank (bedroeg)."

Alzo nemen de appelrechters voor de begroting van de schade tengevolge van de arbeidsongeschiktheid van het J.G. diens normale wedde in aanmerking, die hij evenwel vanaf 27 oktober 1986 niet meer kon verwerven ingevolge zijn brugpensionering.

5. De arbeidsongevallenverzekering, ingevolge zijn subrogatie krachtens artikel 47 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 in de rechten van het slachtoffer, J.G. ten bedrage van de door hem gedane uitgaven, kan van de dader of diens verzekeraar niet meer bekomen dan de schade geleden door dat slachtoffer, mits die correct begroot is overeenkomstig de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek in gemeen recht. Hij kan m.a.w. niet meer toegekend worden dan het slachtoffer zelf had kunnen bekomen.

6. Hieruit volgt dat het bestreden arrest zijn beslissing, dat de vordering van verweerster tot terugbetaling van haar uitkeringen tot beloop van 131.881,54 euro gegrond is, omdat deze uitkeringen minder zijn dan de bedragen waarop het slachtoffer, J.G. in gemeen recht aanspraak kan maken, niet naar recht verantwoordt, omdat de appelrechters 1°) in gemeen recht diens schade onwettig begroten op grond van de normale wedde die hij in de overeenstemmende periode van 3 september 1987 tot 31 oktober 1994 bij zijn vroegere werkgever, de nv Sidmar zou verdiend hebben, terwijl betrokkene vanaf 27 oktober 1986 daar niet meer werkzaam was, die wedde vanaf dan wegvalt en als bruggepensioneerde hoogstens de inkomsten kon verwerven binnen de grenzen van de toegelaten arbeid verbonden aan dat statuut (Schending van artikel 12 van het koninklijk besluit van 20 augustus 1986 betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen in geval van conventioneel brugpensioen en artikel 2 van het ministerieel besluit tot uitvoering van het koninklijk besluit van 20 augustus 1986 betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen in geval van conventioneel brugpensioen), 2°) alzo meer dan integrale schadevergoeding toekennen in gemeen recht (Schending van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek en artikel 47 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971), 3°) zonder dat Uw Hof in staat is na te gaan of, teruggebracht tot het maximaal toekenbare in gemeen recht, de uitkeringen van verweerster nog beneden dat maximum blijven (Schending van artikel 149 gecoördineerde Grondwet) en 4°) zodoende verweerster meer bekomt dan waarop zij als gesubrogeerde gerechtigd is (Schending van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek en artikel 47 Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. De rechter dient de schade te bepalen op het tijdstip dat dit van het effectieve herstel ervan zo dicht mogelijk benadert, dit is op het tijdstip van zijn uitspraak, in voorkomend geval na hoger beroep.

Hij dient hierbij rekening te houden met gebeurtenissen die, hoewel zij vreemd zijn aan de onrechtmatige daad, de hierdoor veroorzaakte schade beïnvloeden.

2. De omstandigheid dat het slachtoffer van een onrechtmatige daad een brugpensioen geniet, belet niet dat het slachtoffer een economische waarde behoudt en verhindert derhalve niet dat hij schade lijdt ingevolge zijn arbeidsongeschiktheid.

Wanneer de brugpensionering het afsluiten van de beroepsloopbaan van het slachtoffer met zich meebrengt, beïnvloedt dit evenwel de economische waarde van het slachtoffer en derhalve de schade die het slachtoffer lijdt ingevolge zijn arbeidsongeschiktheid.

Bijgevolg dient de rechter hiermee rekening te houden bij de beoordeling van de schade, ook al is de brugpensionering vreemd aan de onrechtmatige daad.

3. De appelrechters oordelen dat:

- het slachtoffer G vanaf 3 september 1987 volledig arbeidsongeschikt was ingevolge het ongeval van 4 augustus 1982;

- de beslissing van het slachtoffer om met brugpensioen te gaan vanaf 27 oktober 1986 losstaat van het ongeval en van de opgelopen kwetsuren;

- het slachtoffer, ondanks zijn brugpensioen, gedurende de periode van 3 september 1987 tot 31 oktober 1994, dit is tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, schade heeft geleden door het verlies van het vermogen om door het verrichten van arbeid inkomen te verwerven;

- bij het bepalen van de schadevergoeding in gemeen recht abstractie moet worden gemaakt van het feit dat het slachtoffer G vanaf 27 oktober 1986 een brugpensioen ontvangt;

- voor de berekening van de gemeenrechtelijke vergoeding het geactualiseerde loon van de dag van het ongeval in aanmerking moet worden genomen

4. De appelrechters, die op deze gronden de vergoeding voor de economische schade ingevolge arbeidsongeschiktheid van het slachtoffer bepalen zonder rekening te houden met de omstandigheid dat het slachtoffer vanaf 27 oktober 1986 bruggepensioneerd was, schenden de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het de eiseres veroordeelt tot betaling van de gerechtelijke moratoire interest op de hoofdsom en vergoedende interest die werden toegekend bij het arrest van het hof van beroep te Gent van 2 maart 2001.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Koen Mestdagh, Geert Jocqué en Antoine Lievens, en in openbare rechtszitting van 23 april 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Bepaling van de schade

  • Datum

  • Invloed van latere gebeurtenissen