- Arrest van 24 april 2012

24/04/2012 - P.12.0064.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Noch artikel 458 Strafwetboek, noch artikel 8 EVRM beletten de inbeslagname en het gebruik door een onderzoeksrechter van stukken die betrekking hebben op de verdachte activiteiten van de advocaat en die aldus het vertrouwelijk karakter dat zij desgevallend zouden kunnen bezitten, verliezen; het is een vaststaand gebruik dat de stafhouder of een door hem aangewezen lid van de Raad van de Orde aanwezig is bij een huiszoeking in het kantoor van een advocaat en erop moet toezien dat het onderzoek en de mogelijke inbeslagname geen betrekking heeft op stukken waarvoor het beroepsgeheim geldt; hij zal de stukken die de onderzoeksrechter wenst te onderzoeken of in beslag te nemen, inkijken en zijn oordeel geven over hetgeen al dan niet onder het beroepsgeheim valt maar de onderzoeksrechter is niet gebonden door het standpunt van de stafhouder en beslist in laatste instantie of een document wordt in beslag genomen of niet (1). (1) Zie Cass. 18 mei 2006, AR D.05.0015.N, AC 2006, nr. 281 met concl. van advocaat-generaal DUBRULLE.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0064.N

J.-P. C. C. D.,

inverdenkinggestelde,

eiser,

met als raadslieden mr. Dirk Bützler, advocaat bij de balie te Brussel, en mr. Fernand Moeykens, advocaat bij de balie te Brugge.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 6 december 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Een inverdenkinggestelde kan slechts onmiddellijk cassatieberoep instellen tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat gewezen is op zijn hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer die hem naar de correctionele rechtbank verwijst, op voorwaarde dat hij tegen deze beschikking hoger beroep kon instellen.

2. Het arrest verklaart het hoger beroep niet ontvankelijk in zoverre de eiser het bestaan van bezwaren voor de telastleggingen D.a en E.2 en zijn verwijzing hiervoor naar de correctionele rechtbank aanvecht omdat aldus niet is voldaan aan de bij artikel 135, § 2, Wetboek van Strafvordering bepaalde ontvankelijkheidsvoorwaarden.

In zoverre is het cassatieberoep niet ontvankelijk.

Eerste middel

3. Het middel voert schending aan van artikel 8 EVRM en de artikelen 15 en 29 Grondwet, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: de aanvullende vordering van de procureur des Konings van Ieper van 30 juni 2010 strekte "tot een aanvullend gerechtelijk onderzoek en dit met betrekking tot de rol van de [eiser] en hiertoe alle noodzakelijke onderzoeksverrichtingen uit te voeren die leiden tot het vinden van de ware toedracht van de feiten waaronder: over te gaan tot het afleveren van een bevel tot huiszoeking op het adres van [de eiser]"; "de rol van [de eiser]" wordt niet gepreciseerd, evenmin als wat onder "het adres van [de eiser]" dient te worden verstaan; nochtans heeft de eiser zijn officiële woonplaats en zijn advocatenkantoor op één en hetzelfde adres, maar in gescheiden ruimtes; door een dergelijk vaag en algemeen mandaat op grond waarvan de onderzoeksrechter op 8 juli 2010 tot huiszoeking overging, werd het beginsel van de proportionaliteit niet geëerbiedigd; het advies van de stafhouder die de beslissing neemt ten aanzien van de al dan niet inbeslagname van stukken, gedekt door het beroepsgeheim, werd pas na de eigenlijke huiszoeking gevraagd; de onderzoeksrechter die alle stukken in beslag nam, heeft met het negatieve advies van de stafhouder geen rekening gehouden en niet gemotiveerd waarom hij toch tot inbeslagname overging; aldus werd andermaal het proportionaliteitsbeginsel niet geëerbiedigd en verantwoorden de appelrechters hun beslissing om de bij de huiszoeking onwettig inbeslaggenomen stukken niet te weren en niet terug te geven, niet naar recht.

4. Artikel 8 EVRM bepaalt:

"1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen."

Artikel 15 Grondwet bepaalt dat de woning onschendbaar is; geen huiszoeking kan plaatshebben dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft.

Krachtens artikel 29 Grondwet is het briefgeheim onschendbaar.

5. Artikel 8 EVRM vereist dat elke overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privé-leven en het gezinsleven, waaronder de huiszoeking, wordt voorgeschreven door een voldoende precieze wettelijke bepaling, dat zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte en evenredig is met de nagestreefde wettige doelstelling.

Het vereiste van voorzienbaarheid waaraan de wet moet voldoen om in overeenstemming te worden bevonden met artikel 8 EVRM, houdt in dat de formulering ervan voldoende precies is zodat elk individu in de gegeven omstandigheden in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling kan voorzien.

6. Het optreden van de onderzoeksrechter, die een onpartijdig en onafhankelijk magistraat is, is een waarborg voor de inachtneming van de voorwaarden waaraan een aantasting van de onschendbaarheid van de woning is onderworpen, welke is gewaarborgd bij artikel 8 EVRM en artikel 15 Grondwet.

Artikel 87 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de onderzoeksrechter desgevorderd zal en zelfs ambtshalve kan zich naar de woning van de verdachte begeven om er de papieren, de zaken en in het algemeen alle voorwerpen op te sporen, die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen.

Hij kan zich krachtens artikel 88 van dit wetboek eveneens begeven naar de andere plaatsen waar hij vermoedt dat men de in het voornoemde artikel 87 bedoelde voorwerpen verborgen heeft.

De bijzondere motiveringsplicht, bepaald in artikel 89bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, heeft enkel betrekking op de delegatie van de bevoegdheid een huiszoeking uit te voeren.

Voor het overige is een beschikking tot huiszoeking regelmatig met redenen omkleed, als de vermeldingen die zij bevat, degene bij wie de huiszoeking wordt uitgevoerd voldoende gegevens verschaffen over de vervolgingen die aan de handeling ten oorsprong liggen, zodat hij de wettigheid ervan kan nagaan. Een huiszoeking die door een onderzoeksrechter zelf wordt uitgevoerd, is regelmatig, als diegene bij wie de huiszoeking wordt uitgevoerd voldoende wordt ingelicht, zelfs mondeling, over de vervolgingen die aan de huiszoeking ten oorsprong liggen. Het middel voert dienaangaande geen kritiek aan.

7. De regelmatigheid van een huiszoeking hangt niet af van het feit of zij al dan niet gevorderd wordt door het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, hoe zij in die vordering omschreven wordt. Opdat de onderzoeksrechter een huiszoeking kan uitvoeren of laten uitvoeren, is het voldoende dat de zaak bij de onderzoeksrechter aanhangig is en dat hij vermoedt dat er op de plaats die hij aanwijst, elementen kunnen aangetroffen worden die voor de waarheidsvinding dienend kunnen zijn.

In zoverre het middel aanvoert dat de uitgevoerde huiszoeking onregelmatig zou zijn omwille van de vage omschrijving ervan in de aanvullende vordering tot gerechtelijk onderzoek van 30 juni 2010, kan het niet worden aangenomen.

8. Het beroepsgeheim waaraan artikel 458 Strafwetboek de advocaat onderwerpt, berust op de noodzaak volledige veiligheid te verzekeren aan degenen die hun geheimen aan hem toevertrouwen, maar noch die bepaling noch artikel 8 EVRM beletten de inbeslagname en het gebruik door een onderzoeksrechter van stukken die betrekking hebben op de verdachte activiteiten van die advocaat en die aldus het vertrouwelijk karakter dat zij desgevallend zouden kunnen bezitten, verliezen.

9. Het is een vaststaand gebruik dat de stafhouder of een door hem aangewezen lid van de Raad van de Orde aanwezig is bij een huiszoeking in het kantoor van een advocaat.

De stafhouder of diegene die door hem is aangewezen, moet erop toezien dat het onderzoek en de mogelijke inbeslagname geen betrekking heeft op stukken waarvoor het beroepsgeheim geldt. Hij zal de stukken, die de onderzoeksrechter wenst te onderzoeken of in beslag te nemen, inkijken en zijn oordeel geven over hetgeen al dan niet onder het beroepsgeheim valt. De onderzoeksrechter is niet gebonden door het standpunt van de stafhouder en beslist in laatste instantie of een document wordt in beslag genomen of niet.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

10. De appelrechters stellen onaantastbaar vast en oordelen dat:

- een aanvullend gerechtelijk onderzoek lastens de eiser die advocaat is, werd gevorderd op 30 juni 2010;

- de huiszoeking bij de eiser op 8 juli 2010 door de onderzoeksrechter in persoon werd uitgevoerd in aanwezigheid van de stafhouder;

- de eiser een inverdenkinggestelde is;

- door het feit dat de advocaat zelf verdacht wordt van een misdrijf, de bescheiden en documenten die als bewijsmiddel van dat misdrijf in aanmerking kunnen komen, hun vertrouwelijke karakter verliezen en in aanmerking komen voor inbeslagname;

- het beroepsgeheim zich niet uitstrekt tot feiten die omwille van hun onwettigheid rechtstreeks strijdig zijn met de uitoefening van het beroep van advocaat en haar legitieme doelstellingen;

- uit het proces-verbaal van de huiszoeking zelf blijkt dat de eiser ten onrechte aanvoert dat de onderzoeksrechter geen beslissing heeft genomen met betrekking tot de stukken die de stafhouder had beschouwd als gedekt door het beroepsgeheim.

Met die redenen verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Tweede middel

Eerste onderdeel

11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en de artikelen 10 en 11 Grondwet, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: de eiser had geen bijstand van een raadsman bij zijn verhoor door de onderzoeksrechter en kreeg daartoe evenmin de gelegenheid; de appelrechters oordelen dat de eiser omwille van zijn professionele hoedanigheid van advocaat met weinig geloofwaardigheid kan stellen dat hij verschalkt werd met betrekking tot de cautieplicht en hij op geen enkele wijze aannemelijk maakt dat zijn recht van verdediging zou miskend zijn, aangezien hij zelf advocaat is; aldus voeren de appelrechters wat het recht op bijstand van een raadsman betreft een discriminerend onderscheid in tussen advocaten en personen die geen advocaat zijn.

12. De appelrechters oordelen niet alleen dat de eiser geen recht op bijstand van een raadsman had omdat hij zelf advocaat is. Zij oordelen ook dat:

- de eiser die zelf advocaat is, beter dan wie ook op de hoogte is van de rechten en plichten, met inbegrip van het zwijgrecht, waarover een inverdenkinggestelde beschikt;

- de eiser enkele dagen voor de huiszoeking en zijn verhoor inzage had in het dossier van zijn cliënte die een mede-inverdenkinggestelde is, zodat hij dan reeds een raadsman kon consulteren wanneer hij zijn eigen positie op één of andere wijze betrokken achtte, waartoe er aanwijzingen zijn;

- hij bij zijn verhoor door de onderzoeksrechter verklaarde dat hij naar aanleiding van eerder van de mede-inverdenkinggestelde ontvangen gelden, kasbons en cheques, reeds contact had met zijn raadsman;

- hij aldus niet onvoorbereid door de onderzoeksrechter verhoord werd;

- het verhoor afgenomen werd door de onderzoeksrechter en de eiser bij aanvang van het verhoor erop gewezen werd dat zijn verklaringen als bewijs in rechte kunnen worden gebruikt en dat hij het recht heeft te weigeren te antwoorden op de gestelde vragen, passages uit het verhoor die door de eiser ondertekend werden;

- de omstandigheid dat de eiser werd verhoord zonder bijstand van een raadsman, niet automatisch voor gevolg heeft dat het definitief onmogelijk is zijn zaak op eerlijke wijze te behandelen. "Wanneer de rechter de verklaringen niet als doorslaggevend bewijs gebruikt-, er zijn immers andere aanwijzingen van schuld - , er kennelijk geen misbruik of dwang is gebruikt, zoals ten deze, en de beklaagde zich op het ogenblik van het verhoor, zoals eveneens ten deze, niet in een kwetsbare positie bevond, blijft het eerlijke karakter van het proces gevrijwaard";

- de eiser die niet werd aangehouden, in de loop van het verdere onderzoek in de mogelijkheid werd gesteld zijn verklaringen aan te passen of aan te vullen, desgevallend na voorafgaande raadpleging van zijn raadsman;

- het gehalte van het eerlijk proces ook bevorderd wordt door de pleegvormen en rechten van de inverdenkinggestelde, voorzien in het Wetboek van Strafvordering.

De in het onderdeel bekritiseerde reden heeft aldus betrekking op een overtollige reden die de beslissing niet schraagt en die het geheel van de overige zelfstandige redenen op grond waarvan de appelrechters eisers verweer verwerpen, onaangetast laat.

Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden en is mitsdien niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

13. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: de appelrechters overwegen ten onrechte dat de eiser geen gebruik zou hebben gemaakt van het recht bijkomende onderzoekshandelingen te vragen op grond van artikel 61quinquies Wetboek van Strafvordering; aldus miskennen zij de bewijskracht van het desbetreffende verzoekschrift van 6 juni 2011 en de daaropvolgende beschikking van de onderzoeksrechter van 7 juni 2011; in zoverre de appelrechters oordelen dat de eiser geen miskenning van het recht van verdediging of het recht op een eerlijk proces vermag af te leiden uit het gebrek aan bijstand van een raadsman bij zijn verhoor, aangezien hij de bescherming genoot van andere pleegvormen waarvan hij geen gebruik heeft gemaakt, zoals het recht bijkomende onderzoekshandelingen te vragen krachtens artikel 61quinquies Wetboek van Strafvordering, verantwoorden zij hun beslissing niet naar recht.

14. Het onderdeel heeft betrekking op een overtollige reden die de beslissing niet schraagt en die het geheel van de overige zelfstandige redenen op grond waarvan de appelrechters eisers verweer verwerpen, onaangetast laat.

Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden en is mitsdien niet ontvankelijk.

Derde onderdeel

15. Het onderdeel voert schending aan de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: de eiser heeft in zijn appelconclusie gevorderd "dat alle verklaringen door eiser zonder bijstand van zijn raadsman gedaan bij zijn eerste verhoor en alle onderzoeksdaden die uit deze verklaringen werden genomen uit de debatten dienden geweerd te worden"; de appelrechters die overwegen dat de eiser in zijn appelconclusie zou poneren dat het rechtsherstel zou moeten bestaan in de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering, wat zij afwijzen, miskennen aldus de bewijskracht van eisers appelconclusie van 11 oktober 2011.

16. De eiser voerde in zijn appelconclusie (p. 19) aan: "Op basis van artikel 6,§ 1 juncto artikel 6, § 3, (c) van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) moet de rechtbank/hof de strafvordering in onderhavige zaak onontvankelijk verklaren."

Aldus geven de appelrechters met de in het onderdeel vermelde redenen van het bedoelde stuk een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 209,81 euro waarvan 82,20 euro verschuldigd is.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 24 april 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Huiszoeking bij advocaat

  • Regelmatigheid