- Arrest van 24 april 2012

24/04/2012 - P.11.1362.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De niet-behoorlijke omschrijving van het onroerend goed heeft geen invloed op de ontvankelijkheid van de strafvordering wegens inbreuken op de stedenbouwwetgeving; in voorkomend geval belet niets het herstelvorderende bestuur tijdens het geding de onjuiste kadastrale omschrijving van het goed recht te zetten (1). (1) Cass. 5 okt. 1999, AR P.97.0897.N, AC 1999, nr. 503.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1362.N

1. F. L. J. C.,

beklaagde,

2. C. A. S.,

beklaagde,

eisers,

met als raadsman mr. Cies Gysen, advocaat bij de balie te Mechelen, met kantoor te 2800 Mechelen, Antwerpsesteenweg 18, waar de eisers woonplaats kiezen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 20 juni 2011.

De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

1. Het arrest verklaart de strafvordering vervallen door verjaring voor de feiten van de telastlegging A. Het verklaart de strafvordering vervallen door opheffing van de strafbaarheid voor de feiten van de telastlegging B, en laat de kosten van beide aanleggen ten laste van de Staat.

De cassatieberoepen tegen die beslissingen zijn bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Tweede middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 7 EVRM, artikel 15 IVBPR, de artikelen 12, tweede lid, 14 en 149 Grondwet, artikel 2, eerste lid, Strafwetboek, artikel 44 Stedenbouwwet, de artikelen 42, § 1 en 66 Stedenbouwdecreet 1996, de artikelen 99, § 1 en 146 Stedenbouwdecreet 1999 en de artikelen 4.2.1 en 6.1.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, alsmede miskenning van het legaliteitsbeginsel in strafzaken en de motiveringsplicht: in conclusie hadden de eisers aangevoerd dat de verharding, voorwerp van de telastlegging A, werd aangelegd vóór dat deze aanleg was onderworpen aan een voorafgaande stedenbouwkundige vergunning; deze vergunningsplicht bestond niet zolang geen aanmerkelijke reliëfwijziging werd uitgevoerd; het is niet duidelijk welke vergunningsplichtige werken zouden zijn uitgevoerd waardoor de aanleg van deze verharding overeenkomstig artikel 42, § 1, 1°, Stedenbouwdecreet 1996 vergunningsplichtig werd; bijgevolg past het arrest onterecht latere wetgeving met terugwerking toe op werken die toen niet vergunningsplichtig waren; eisers' verweer blijft onbeantwoord.

3. Krachtens het ten tijde van het plegen van de telastlegging A toepasselijke artikel 42, § 1, 1°, Stedenbouwdecreet 1996 mag niemand zonder voorafgaande schriftelijke en uitdrukkelijke vergunning van het college van burgemeester en schepenen onder meer "bouwen" of "een grond gebruiken voor het plaatsen van een of meer vaste inrichtingen".

Voormeld artikel 42, § 1, 1°, tweede lid, verduidelijkt dat "onder bouwen en plaatsen van vaste inrichtingen wordt verstaan het oprichten van een gebouw of een constructie of het plaatsen van een inrichting, zelfs uit niet duurzame materialen, die in de grond is ingebouwd, aan de grond is bevestigd of op de grond steun vindt ten behoeve van de stabiliteit, en bestemd is om ter plaatse te blijven staan, al kan zij ook uit elkaar genomen of verplaatst worden".

4. De rechter oordeelt in feite of de uitgevoerde werken wegens hun aard of hun omvang dienen te worden beschouwd als "bouwen" of "grond gebruiken" in bovenvermelde zin. Het Hof gaat alleen na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.

5. Wat de aangebrachte verhardingen betreft, oordelen de appelrechters dat:

- de kwestieuze verharding een oppervlakte omvat van ongeveer 414 m² (90 m lang op 46 m breed) en deze werd aangebracht op een stuk weiland in agrarisch gebied;

- uit het strafdossier en onder meer het aanvankelijke proces-verbaal duidelijk blijkt dat deze verharding gebruikt werd om de containers, die aldaar gestald werden, aan- en af te voeren;

- de harde bedekking uit steengruis bestaat met daarover een laag verharde asfalt die vast werd gereden;

- deze verharding niet kon worden gerealiseerd zonder de uitvoering van werken die vallen onder de toenmalige voorzieningen van artikel 42, § 1, 1°, Stedenbouwdecreet 1996.

Met die redenen stellen de appelrechters niet alleen vast dat een verharding werd aangebracht, maar vermelden zij ook de werken die daartoe dienden te worden uitgevoerd.

In zoverre berust het middel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.

6. Op grond van die redenen oordelen de appelrechters wettig dat reeds vóór de inwerkingtreding van het artikel 99, § 1, 1°, Stedenbouwdecreet 1999 het aanbrengen van deze verharding vergunningsplichtig was en beantwoorden zij eisers conclusie.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Eerste middel

7. Het middel voert schending aan van artikel 7 EVRM, artikel 15 IVBPR, de artikelen 12, tweede lid, 14 en 149 Grondwet, artikel 2, eerste lid, Strafwetboek, artikel 44 Stedenbouwwet, de artikelen 42, § 1, 5°, en 66 Stedenbouwdecreet 1996 en de artikelen 99, § 1, 5°, a en b, en 146 Stedenbouwdecreet 1999, en de artikelen 4.2.1, 5°, a en b, en 6.1.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, alsmede miskenning van het legaliteitsbeginsel in strafzaken en de motiveringsplicht: in conclusie hadden de eisers aangevoerd dat het terrein waarop de telastlegging A betrekking had, reeds bestendig niet occasioneel gebruikt werd voor het stallen van voertuigen en de opslag van materiaal vóór dat dergelijk gewoonlijk gebruik onderworpen werd aan de voorafgaande stedenbouwkundige vergunningsplicht; het arrest past onterecht latere wetgeving toe op een toen nog niet vergunningsplichtig gebruik; eisers' verweer wordt niet beantwoord.

8. Het arrest oordeelt niet dat de aan de eisers verweten handeling erin bestond "het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen en van allerhande materiaal, materieel en afval", maar wel dat "door de plaatsing van al de voormelde materialen op voormeld onroerend goed, en meer bepaald op de wederrechtelijk aangebrachte verharding", een constructie werd gevormd die als "geheel" aan het toen toepasselijke artikel 42, § 1, 1°, Stedenbouwdecreet 1996 moet worden getoetst.

In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.

9. De appelrechters oordelen dat:

- door de plaatsing van de containers, aanhangwagens, opleggers en silo's op voormeld onroerend goed, en meer bepaald op de wederrechtelijk aangebrachte verharding, een constructie werd gevormd;

- in zijn geheel deze materialen als een vaste inrichting dienen beschouwd te worden die bestaat uit de bouwvergunningsplichtige verharding waar intermitterende inrichtingen geplaatst werden, waarvan de plaatsing van de containers veranderde in tijd en hoeveelheid;

- derhalve dit geheel overeenkomstig artikel 42, § 1, 1°, Stedenbouwdecreet 1996 als een bouwvergunningsplichtige inrichting diende te worden beschouwd.

Zodoende beantwoorden de appelrechters eisers conclusie en verantwoorden zij hun beslissing naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Derde middel

10. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de motiveringsplicht: in geval van overschrijding van de redelijke termijn laat artikel 21ter toe het herstel niet te bevelen; het arrest heeft deze mogelijkheid niet onderzocht en motiveert niet waarom het gevorderde herstel noodzakelijk blijft.

11. Het arrest vermeldt de redenen waarom het herstel noodzakelijk blijft (p. 11-12).

Het middel mist feitelijke grondslag.

Vierde middel

12. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 6.1.41, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: gelet op de aard van de telastlegging, was als herstelmaatregel principieel de meerwaardebepaling toepasselijk; de eiser heeft in conclusie de onevenredigheid van de gevorderde herstelmaatregel aangevoerd; het arrest maakt geen enkele melding van het bestaan noch van een effectieve beoordeling van deze elementen.

13. Het arrest (p. 11-12) beantwoordt het bedoelde verweer en verantwoordt naar recht zijn beslissing dat geen meerwaarde kan worden toegepast.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Vijfde middel

14. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 2, 43, 702 en 1026 Gerechtelijk Wetboek: bij brief van 27 maart 2000 kon de herstelvordering niet op ontvankelijke wijze worden ingeleid daar de eerste rechter zelfs de heropening van het debat diende te bevelen teneinde het openbaar ministerie toe te laten betreffende de juiste kadastrale nummering van het perceel de nodige opzoekingen te verrichten.

15. De niet-behoorlijke omschrijving van het onroerend goed heeft geen invloed op de ontvankelijkheid van de strafvordering wegens inbreuken op de stedenbouwwetgeving. In voorkomend geval belet niets het herstelvorderende bestuur tijdens het geding de onjuiste kadastrale omschrijving van het goed recht te zetten.

Het middel faalt naar recht.

Zesde middel

16. Het middel voert schending aan van de artikelen 138, 139 en 143, § 2, Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 1 en 3 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest beveelt het herstel in de oorspronkelijke toestand; dit werd nochtans door het openbaar ministerie na vaststelling van de verjaring niet verder gevorderd.

17. De herstelvordering van de stedenbouwkundige inspecteur beoogt niet de vergoeding van eigen schade of de bestraffing van de dader, maar de naleving van de stedenbouwkundige verplichtingen en het herstel van de goede ruimtelijke ordening die door het stedenbouwmisdrijf wordt verstoord.

De vordering van de stedenbouwkundige inspecteur is bijgevolg niet te vereenzelvigen met de burgerlijke rechtsvordering van het slachtoffer noch met de vordering tot straf die het openbaar ministerie uitoefent. Het betreft een zelfstandige vordering van de stedenbouwkundige inspecteur krachtens een bevoegdheid die de wet hem toekent en die hem toelaat als eiser tot herstel in het geding op te treden en rechtsmiddelen aan te wenden.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers in de kosten.

Bepaalt de kosten op 85,34 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 24 april 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Niet-behoorlijke omschrijving van het onroerend goed