- Arrest van 25 april 2012

25/04/2012 - P.12.0178.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Conclusie van advocaat-generaal Vandermeersch.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0178.F

D. B.,

Mrs. Jean-François Dister, advocaat bij de balie te Luik, en Caroline Wanlin, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, correctionele kamer, van 22 december 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

(...)

Tweede middel

Eerste onderdeel

Het arrest wordt verweten dat het herhaling in aanmerking neemt ofschoon daarvan geen melding was gemaakt in de beschikking tot verwijzing naar de correctionele rechtbank, dat die omstandigheid voor dat gerecht niet was aangevoerd en dat de appelrechters de eiser evenmin verzocht hebben zich daartegen te verdedigen.

Wettelijke herhaling is geen bestanddeel van de telastleggingen die het voorwerp uitmaken van de strafvordering maar is alleen een omstandigheid die eigen is aan de persoon die de feiten heeft gepleegd en die alleen invloed heeft op de straf of de uitvoering ervan.

Het bericht dat dient gegeven te worden in geval van wijziging van de omschrijving, is niet vereist wanneer de rechter, op grond van stukken die de partijen hebben kunnen tegenspreken, zich ertoe beperkt heeft herhaling in aanmerking te nemen hoewel die niet in de akte van vervolging was vermeld.

Het hof van beroep dat met name door het hoger beroep van het openbaar ministerie kennisneemt van de zaak, heeft een straf uitgesproken ofschoon de eerste rechter, met toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek, alleen verwees naar de straf die de eiser reeds bij een arrest van hetzelfde hof van 18 januari 2011 was opgelegd.

Het arrest motiveert die verzwaring door zich met name te baseren op de herhaling die, volgens de appelrechters, bewezen is omdat bij het dossier van de rechtspleging een eensluidend uittreksel gevoegd is van het vonnis van de correctionele rechtbank te Brussel van 24 oktober 1996, waarbij de eiser tot zes jaar gevangenisstraf veroordeeld wordt wegens verkrachtingen, aanrandingen van de eerbaarheid en openbare zedenschennis.

De beslissing, die met eenparigheid van stemmen van de leden van het hof is genomen en die steunt op een stuk waarvan de eiser kennis heeft kunnen nemen, miskent het algemeen beginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging niet, en schendt evenmin de door de eiser aangevoerde artikelen 149 Grondwet of 56 Strafwetboek.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

Volgens de eiser staat het niet vast dat de feiten waren gepleegd minder dan vijf jaar nadat hij de straf heeft ondergaan die bij vonnis van de correctionele rechtbank te Brussel van 24 oktober 1996 was opgelegd.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, te dezen het uittreksel van het voormelde vonnis en de vermeldingen op de keerzijde van de laatste bladzijde, blijkt evenwel dat die straf volledig is ondergaan op 30 maart 2008.

Aangezien de telastleggingen dagtekenen van vóór 30 maart 2013, verantwoordt het hof van beroep zijn beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde middel

De eiser verwijt de appelrechters dat zij hun weigering om hem vrijstelling van straf of strafvermindering toe te kennen, als bepaald in artikel 65, tweede lid, Strafwetboek, niet duidelijk genoeg met redenen hebben omkleed.

Die bepaling legt de rechter de verplichting op om rekening te houden met de reeds bij eindbeslissing uitgesproken straffen wanneer de nog te berechten en de reeds berechte misdrijven de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet.

De bodemrechter beoordeelt in feite of die eenheid van opzet al dan niet aanwezig is, maar het staat aan het Hof om na te gaan of hij, op grond van zijn vaststellingen, haar al dan niet in aanmerking heeft kunnen nemen

Het arrest vermeldt dat de momenteel aan het hof van beroep voorgelegde feiten niet voortvloeien uit hetzelfde opzet maar het gevolg zijn van het feit dat de eiser in hetzelfde type misdadigheid is hervallen, ondanks de tussenkomst van het Gerecht.

Het voormelde artikel 65, tweede lid, verbiedt het rechtscollege waar de nieuwe feiten aanhangig zijn gemaakt niet om te overwegen dat die feiten, die ondanks een waarschuwing van het gerecht andermaal werden gepleegd, voortvloeien uit de wil om hetzelfde soort misdrijven te blijven plegen en niet uit het in dat artikel bedoelde enig opzet.

De appelrechters verantwoorden bijgevolg hun weigering om dat artikel toe te passen naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Vierde middel

Tweede onderdeel

De eiser voert aan dat hij reeds bij arrest van 18 januari 2011 veroordeeld werd tot 14 jaar gevangenisstraf wegens verkrachtingen en aanrandingen van de eerbaarheid. Hij voert aan dat de nieuwe feiten, samen met de reeds berechte feiten, de materiële samenloop van misdrijven opleveren, bedoeld in artikel 60 Strafwetboek, en dat naar luid van die bepaling de straf in geen enkel geval twintig jaar gevangenisstraf te boven mag gaan.

Hij leidt daaruit af dat hem geen straf van langer dan zes jaar mocht opgelegd worden, namelijk het verschil tussen dat maximum en de gevangenisstraf die bij het vorige arrest is opgelegd.

Artikel 60 Strafwetboek bepaalt dat bij samenloop van verscheidene wanbedrijven alle straffen samen worden opgelegd, zonder dat zij het dubbele van het maximum van de zwaarste straf te boven mogen gaan. Het bepaalt eveneens dat die straf in geen enkel geval twintig jaar gevangenisstraf te boven mag gaan.

Er is materiële samenloop van misdrijven in de zin van dat artikel wanneer de dader zich door opeenvolgende daden schuldig maakt aan verscheidene misdrijven zonder dat hij voor één van die misdrijven definitief was veroordeeld op het ogenblik dat hij de andere misdrijven pleegde.

Artikel 60 is niet alleen van toepassing wanneer de samenlopende misdrijven tegelijkertijd naar de rechters worden verwezen, maar ook wanneer zij achtereenvolgens naar dezelfde rechtbank of naar afzonderlijke rechtbanken worden verwezen.

In het geval van herhaling bovenop samenloop van wanbedrijven, moet de rechter eerst de straf vaststellen die elk van die samenlopende wanbedrijven lijkt te verdienen, met inachtneming van de herhaling, en dient hij vervolgens op de aldus vastgestelde straffen de regels toe te passen betreffende de samenloop van misdrijven. Met andere woorden, herhaling staat de rechter niet toe om de grenzen te overschrijden die artikel 60 op de cumulatie stelt.

Uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat het hof van beroep te Luik, bij arrest van 18 januari 2011, de eiser tot veertien jaar gevangenisstraf heeft veroordeeld en hem gedurende twintig jaar na afloop van die straf ter beschikking van de regering heeft gesteld, wegens verkrachtingen, aanrandingen van de eerbaarheid, vertonen van beelden die in strijd zijn met de goede zeden en kinderpornografie, feiten die in staat van herhaling gepleegd werden tussen 14 november 2000 en 13 oktober 2005.

Het bestreden arrest doet, van zijn kant, uitspraak over de strafvordering die tegen de eiser is ingesteld wegens feiten van dezelfde aard die hij, steeds in staat van herhaling, zou gepleegd hebben tussen 31 augustus 2008 en 11 januari 2010, met andere woorden, vóór de veroordeling bij arrest van 18 januari 2011.

Het betreft hier dus een materiële samenloop van misdrijven, met herhaling, die achtereenvolgens naar dezelfde rechter zijn verwezen. Het zwaarste misdrijf wordt, krachtens artikel 25 Strafwetboek, zoals dat op het ogenblik van de feiten van toepassing was, gestraft met ten hoogste tien jaar correctionele gevangenisstraf, vermits het een misdaad betreft waarop tien tot vijftien jaar of langer opsluiting staat en die gecorrectionaliseerd was.

De voormelde correctionele gevangenisstraf kan met toepassing van artikel 56 Strafwetboek worden verhoogd tot twintig jaar. Die termijn, die overeenkomt met het maximum van de zwaarste op de eiser toepasselijke straf, stemt ook overeen met de duur van twintig jaar die krachtens artikel 60 de straf voor het geheel van de op 18 januari en 22 december 2011 berechte feiten in geen enkel geval te boven kon gaan.

Het hof van beroep dat de eiser tot twaalf jaar gevangenisstraf veroordeelt wegens de misdrijven die in materiële samenloop met andere wanbedrijven zijn gepleegd en waarvoor de dader reeds veertien jaar gevangenisstraf had gekregen, legt samen een hoofdgevangenisstraf van in totaal zesentwintig jaar op en overschrijdt aldus de tweede door artikel 60 opgelegde grens met zes jaar.

Het middel is in zoverre gegrond.

Het eerste onderdeel dat niet tot een ruimere cassatie of tot een cassatie zonder verwijzing kan leiden, behoeft geen antwoord.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is, behoudens de onwettigheid die hierna door schrapping moet worden ongedaan gemaakt, overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiser veroordeelt tot een gevangenisstraf van meer dan zes jaar.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiser in de helft van de kosten van zijn cassatieberoep en laat de andere helft ten laste van de Staat.

Zegt dat er geen grond is tot verwijzing.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare rechtszitting van 25 april 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van eerste voorzitter Etienne Goethals en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Materiële samenloop

  • Samenloop tussen verscheidene wanbedrijven

  • Samen opgelegde straffen

  • Bijkomende straffen van terrbeschikkingstelling van de regering

  • Samen uitgevoerd