- Arrest van 25 april 2012

25/04/2012 - P.11.1339.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het openbaar ministerie kan de vordering die het zelf aan de rechters heeft voorgelegd niet aan hen onttrekken en kan bijgevolg geen afstand doen van het hoger beroep dat het tegen een correctioneel vonnis heeft ingesteld (1). (1) J. Leclercq, “Appel en matière répressive”, R.P.D.B.- Aanvulling dl. VIII, nr. 237; M. Franchimont, A. Jacobs en A. Masset, Manuel de Procédure pénale, Brussel, Larcier, 2009, p. 917.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1339.F

I. C. B.,

II. C.-H. C.,

Mr. Catherine Lechanteur, advocaat bij de balie te Luik,

III. Y. R.,

Mrs. Jean-Yves Marichal, advocaat bij de balie te Luik, en Ingrid Thelen,

advocaat bij de balie te Brussel,

IV. P. P.,

Mr. Pierre Pichault, advocaat bij de balie te Luik,

tegen

G. S.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, correctionele kamer, van 14 juni 2011.

De tweede, derde en vierde eiser voeren ieder in een memorie die aan dit arrest is gehecht, respectievelijk twee middelen, drie middelen en één middel aan.

Raadsheer Pierre Cornelis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. In zoverre het cassatieberoep van C. B. gericht is tegen de veroordelende beslissing op de tegen hem ingestelde strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

B. In zoverre het cassatieberoep van C.-H. C. gericht is tegen de veroordelende beslissing op de tegen hem ingestelde strafvordering

Eerste middel

De eiser die voor de correctionele rechtbank werd gedagvaard wegens aanranding van de eerbaarheid, willekeurige vrijheidsberoving en belaging, werd door de eerste rechter vrijgesproken en, op het hoger beroep van de burgerlijke partij en de procureur des Konings, door het hof van beroep veroordeeld wegens de twee laatstgenoemde telastleggingen.

Het middel dat de miskenning aanvoert van het recht van verdediging, verwijt het arrest dat het de eiser veroordeelt wegens willekeurige vrijheidsberoving, ofschoon het openbaar ministerie had verklaard dat het afzag van die telastlegging zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

Het openbaar ministerie kan de vordering die het zelf aan de rechters heeft voorgelegd niet aan hen onttrekken en kan bijgevolg geen afstand doen van het hoger beroep dat het tegen een correctioneel vonnis heeft ingesteld.

De appelrechters stellen vast dat het openbaar ministerie niet volhardde in de vervolging wegens die telastlegging, vermits het tenlastegelegde feit, volgens het openbaar ministerie, samenhing met de belaging die de eiser tenlastegelegd wordt. Zij oordelen tevens dat het openbaar ministerie, door van vervolging af te zien, alleen maar een advies had uitgebracht dat het hof van beroep niet kon beletten kennis te nemen van de feiten die in de oorspronkelijke dagvaardingen bij het hof van beroep waren aangebracht, binnen de grenzen van de ingestelde hogere beroepen.

De appelrechters die uitspraak doen over een misdrijf dat naar recht aan hen was voorgelegd en waarvan de eiser verwittigd werd door de dagvaarding om te verschijnen voor de bodemrechter, miskennen het recht van verdediging niet.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Eerste onderdeel

Het middel voert aan dat het arrest het beginsel van de wettigheid van de telastleggingen miskent door de eiser te veroordelen wegens willekeurige vrijheidsberoving, zonder het morele bestanddeel van het misdrijf vast te stellen.

Schuldig aan dat misdrijf is hij die zich bewust is van het objectief wederrechtelijk karakter van de vrijheidsberoving, op zodanige wijze dat zijn daad een willekeurig karakter krijgt.

Verwijzend naar een getuigenis oordeelt het arrest dat de eiser heel goed wist dat hij, door iemand een half uur lang vast te houden en zijn machteloosheid te misbruiken, diens vrijheid op een onaanvaardbare wijze aantastte wat bij de betrokkene angstgevoelens heeft teweeggebracht.

Op grond van die overwegingen beschouwt het arrest de bewuste deelneming van de eiser aan de objectief onrechtmatige daad waarvoor hij wordt vervolgd als bewezen.

De appelrechters verantwoorden aldus hun beslissing betreffende het morele bestanddeel van het misdrijf naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

De eiser voert eerst aan dat de appelrechters uit hun vaststellingen niet hebben kunnen afleiden dat de feiten van belaging geen voortdurend en herhaaldelijk karakter hadden.

In strijd met wat het middel aanvoert, grondt het arrest de veroordeling van de eiser niet louter op twee in de loop van een periode van zes jaar gepleegde feiten, maar stelt het vast dat hij deelgenomen heeft aan talrijke feiten die door de derde eiser zijn gepleegd of afzonderlijke handelingen heeft gesteld die samen en met kennis van zaken als het gewoonlijk gedrag van belaging kunnen worden aangemerkt.

Het middel dat op een onvolledige lezing van het arrest berust, mist in zoverre feitelijke grondslag.

De eiser verwijt het arrest vervolgens dat dit het morele bestanddeel van dat misdrijf niet vaststelt.

Het hof van beroep heeft geoordeeld dat uit de verklaringen van de beklaagden, onder wie de eiser, bleek dat zij de draagwijdte van hun handelingen alsook de gevolgen die zij voor de verweerder konden hebben tenvolle beseften en dat zij bijgevolge wisten dat de feiten, "doordat zij veelvuldig werden gesteld ten aanzien van dezelfde persoon, wiens persoonlijkheid zij kenden, hem in hun geheel beschouwd in verwarring brachten op een manier die het begrip ontgroening of kwajongensstreken ver te buiten ging maar integendeel de gemoedsrust van de betrokkene zwaar aantastte."

Met die overwegingen waarmee de appelrechters antwoorden op de conclusie van de eiser, omkleden zij hun beslissing regelmatig met redenen en verantwoorden ze naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

C. In zoverre het cassatieberoep van Y. R. gericht is tegen de veroordelende beslissing op de tegen hem ingestelde strafvordering

(...)

Derde middel

De eiser voert aan dat de appelrechters niet naar recht hebben beslist dat de feiten voortdurend en herhaaldelijk werden gepleegd en daardoor het gewoonlijk gedrag van belaging vormden.

Het staat aan de rechter, die uitspraak doet over de vervolging wegens belaging, om de aantasting van de gemoedsrust van het slachtoffer, de ernst van die aantasting, het oorzakelijke verband tussen dat gedrag en de voormelde aantasting alsook het besef dat de dader had of had moeten hebben van de gevolgen van zijn gedrag in feite te beoordelen.

Het staat evenwel aan het Hof om na te gaan of de rechter uit de aldus vastgestelde feiten heeft kunnen afleiden dat dit gedrag voortdurend en herhaaldelijk was.

Het arrest stelt vast dat

- de eiser de "grappen" zoals hij ze noemt, niet betwist;

- de beklaagden wisten dat, ook als sommige feiten, afzonderlijk genomen, als spelletjes hadden kunnen omschreven worden, de herhaling ten aanzien van iemand wiens persoonlijkheid zij kenden een geheel van verwarring veroorzakende handelingen uitmaakte die het begrip ontgroening of kwajongensstreken ver te buiten gingen maar integendeel de gemoedsrust van de verweerder zwaar aantastten;

- het herhaalde karakter van de handelingen beschreven op de pagina's 13 en 14 van het arrest, tijdens het onderzoek van de telastlegging opzettelijke slagen en verwondingen, de wil aantoont om de verweerder te belagen;

- de eiser op de rechtszitting drie andere voorvallen heeft toegegeven;

- de tenlastegelegde handelingen geen op zich staande feiten zijn, gespreid over een dertigtal jaren, maar herhaalde en talrijke feiten zijn die gepleegd zijn vanaf 1998, op een tijdstip waarop belaging strafbaar is geworden, tot 13 april 2004.

De appelrechters hebben uit die overwegingen kunnen afleiden dat het gedrag van de eiser het aanhoudende karakter vertoonde dat voor het misdrijf belaging vereist is.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen en in openbare rechtszitting van 25 april 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Peter Hoet en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Hoger beroep van het openbaar ministerie

  • Gevolg

  • Afstand

  • Geldigheid