- Arrest van 26 april 2012

26/04/2012 - C100534N-C100535N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer meerdere partijen de rechtsplegingsvergoeding lastens een zelfde in het ongelijk gestelde partij genieten, geniet ieder van hen de rechtsplegingsvergoeding overeenstemmend met het bedrag van zijn vordering, met dien verstande dat het gecumuleerd bedrag van deze rechtsplegingsvergoedingen het dubbele van de maximale rechtsplegingsvergoeding, waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen aanspraak kan maken, niet mag overschrijden (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0534.N

VERMEULEN-VAN HUFFELEN bvba, met zetel te 2500 Lier, Mechelsesteenweg 333,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

1. MARIE STADSBADER nv, met zetel te 9831 Sint-Martens-Latem (Deurle), Philippe de Denterghemlaan 1,

2. HOLCIM (BELGIË) nv, met zetel te 1400 Nijvel, Domaine Portes de l'Europe, Espace Christian Dotremont, avenue Jean Monnet, Bâtiment 1,

verweersters,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de verweersters woonplaats kiezen,

3. ETHIAS nv, met zetel te 4000 Luik, rue des Croisiers 24,

verweerster,

4. C. D.,

verweerster,

5. GEMEENTE KOEKELBERG, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, met kantoor te 1081 Koekelberg, Henri Vanhuffelplein 6,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de verweerster woonplaats kiest,

6. HET GEMEENSCHAPSONDERWIJS, openbare instelling, met zetel te 1000 Brussel, Emile Jacqmainlaan 20,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerder woonplaats kiest,

7. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST, vertegenwoordigd door zijn Regering, in de persoon van de minister-president, met kantoor te 1000 Brussel, Hertogstraat 7-9, in de persoon van de minister bevoegd inzake brandbestrijding, met kantoor te 1000 Brussel, Broekstraat 49-53,

verweerder,

8. ALLIANZ BELGIUM nv, met zetel te 1000 Brussel, Lakensestraat 35,

tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij.

Nr. C.10.0535.N

ALLIANZ BELGIUM nv, met zetel te 1000 Brussel, Lakensestraat 35,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

1. MARIE STADSBADER nv, met zetel te 9831 Sint-Martens-Latem, Philippe de Denterghemlaan 1,

2. HOLCIM (BELGIË) nv, met zetel te 7034 Obourg, rue des Fabriques 2,

verweersters,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de verweersters woonplaats kiezen,

3. ETHIAS nv, met zetel te 4000 Luik, rue des Croisiers 24,

4. C.D.,

verweersters,

5. GEMEENTE KOEKELBERG, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, met kantoor te 1081 Koekelberg, Henri Vanhuffelplein 6,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de verweerster woonplaats kiest,

6. HET GEMEENSCHAPSONDERWIJS, openbare instelling, met zetel te 1000 Brussel, Emile Jacqmainlaan 20,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerder woonplaats kiest,

7. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST, vertegenwoordigd door zijn Regering, in de persoon van de minister-president, met kantoor te 1000 Brussel, Hertogstraat 7-9, in de persoon van de minister bevoegd inzake brandbestrijding, met zetel te 1000 Brussel, Broekstraat 49-53,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 24 februari 2010.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft op 29 februari 2012 een conclusie neergelegd.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

In de zaak C.10.0534.N

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

In de zaak C.10.0535.N

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Voeging

1. De cassatieberoepen in de zaken C.10.0534.N en C.10.0535.N hebben betrekking op hetzelfde geschil tussen dezelfde partijen, zodat zij gevoegd dienen te worden.

Zaak C.10.0534.N

Eerste middel

2. Het middel gaat geheel ervan uit dat de eiseres aansprakelijk werd verklaard omdat de door haar verhuurde kraan een gebrek vertoonde, terwijl de appelrechters niet wettig besluiten tot het bestaan van dergelijk gebrek.

3. De beslissing van de appelrechters inzake de aansprakelijkheid van de eiseres wordt ook geschraagd door de zelfstandige, niet-bekritiseerde reden dat de eiseres eveneens een fout beging door, afgezien van het bestaan van enig gebrek van de zaak, het door haar verhuurd materiaal niet vooraf te controleren.

Het middel dat niet tot cassatie kan leiden is, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk.

Tweede middel

4. Krachtens artikel 1017, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek verwijst, tenzij bijzondere wetten anders bepalen, ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt.

Krachtens artikel 1018, 6°, Gerechtelijk Wetboek omvatten de kosten: de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022.

Krachtens artikel 1022, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek is de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

Krachtens het artikel 1022, vijfde lid, Gerechtelijk Wetboek, bedraagt, wanneer meerdere partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van dezelfde in het ongelijk gestelde partij genieten, het bedrag ervan maximum het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen, aanspraak kan maken. Ze wordt door de rechter tussen de partijen verdeeld.

5. Uit deze bepalingen volgt dat wanneer meerdere partijen de rechtsplegingsvergoeding lastens een zelfde in het ongelijk gestelde partij genieten, ieder van hen de rechtsplegingsvergoeding geniet overeenstemmend met het bedrag van zijn rechtsvordering, met dien verstande dat het gecumuleerd bedrag van deze rechtsplegingsvergoedingen het dubbele van de maximale rechtsplegingsvergoeding niet mag overschrijden waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen, aanspraak kan maken.

6. De appelrechters die de aan ieder der verweerders toekomende rechtsplegingsvergoeding berekenen op basis van het gecumuleerd bedrag van de vorderingen, schenden vooraangehaalde rechtsbepalingen.

Het middel is gegrond.

Zaak C.10.0535.N

Eerste middel

Ontvankelijkheid

7. Het middel dat enkel aanvoert dat de appelrechters de vorderingen van de eerste, de tweede, de derde en de vierde verweersters ten onrechte niet verjaard verklaarden en dat geen grieven formuleert in zoverre de appelrechters oordelen ten aanzien van de overige verweerders, is in zoverre gericht tegen deze laatsten niet ontvankelijk.

8. In zoverre wordt aangevoerd dat het middel in de mate dat het gericht is tegen de eerste en de tweede verweerster niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang omdat het stellen van een vordering tegen de verzekerde van de eiseres bij conclusie van 12 december 1994 in werkelijkheid vanaf die datum ook de stuiting van de verjaring van de rechtsvordering tegen de eiseres tot gevolg had, is het onderzoek van deze grond van niet-ontvankelijkheid van het middel niet te onderscheiden van het onderzoek van de gegrondheid ervan.

Gegrondheid

9. Krachtens artikel 34, § 2, eerste lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst, verjaart, onder voorbehoud van bijzondere wettelijke bepalingen, de vordering die voortvloeit uit het eigen recht dat de benadeelde tegen de verzekeraar heeft krachtens artikel 86 door verloop van vijf jaar te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit of, indien er misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd.

Krachtens artikel 35, § 3bis, Wet Landverzekeringsovereenkomst, ingevoegd bij wet van 22 augustus 2002 en in werking getreden op 19 januari 2003, heeft stuiting of schorsing van de verjaring van de rechtsvordering van de benadeelde tegen een verzekerde stuiting of schorsing van de verjaring van zijn rechtsvordering tegen de verzekeraar tot gevolg.

10. Krachtens het in artikel 2 Burgerlijk Wetboek neergelegde algemeen rechtsbeginsel dat de wetten geen terugwerkende kracht hebben, is een nieuwe wet in de regel van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan en op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of die voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten.

Overeenkomstig dat beginsel, is de wet van 22 augustus 2002 die een grond van stuiting of schorsing van de verjaring van de rechtsvordering van de benadeelde tegen de verzekeraar bepaalt die niet voorkomt in de wet die van toepassing is op het ogenblik van het ontstaan van de vordering, vanaf haar inwerkingtreding per 19 januari 2003 van toepassing op die verjaring, voor zover bedoelde rechtsvordering alsdan nog niet verjaard is krachtens de oude wet.

11. De appelrechters die oordelen dat de rechtsvordering van de eerste, de tweede, de derde en de vierde verweersters tegen de verzekeraar nog niet verjaard was omdat de rechtsvordering van zelfde partijen tegen de verzekerde nog gestuit was op 19 januari 2003, datum waarop het artikel 35, § 3bis, Wet Landverzekeringsovereenkomst in werking trad, zonder na te gaan of, zoals aangevoerd, de vordering van de benadeelde tegen de verzekeraar alsdan nog niet verjaard was overeenkomstig artikel 34, § 2, eerste lid, van zelfde wet, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Tweede middel

12. In zoverre het gericht is tegen de eerste, de tweede, de derde en de vierde verweersters, kan het middel niet leiden tot ruimere cassatie.

13. In zoverre gericht tegen de overige verweerders dient het middel, gelet op het antwoord op het eerste middel in de zaak C.10.0534.N, als onontvankelijk te worden afgewezen.

Derde middel

14. In zoverre het gericht is tegen de eerste, de tweede, de derde en de vierde verweersters, kan het middel niet leiden tot ruimere cassatie.

15. In zoverre gericht tegen de overige verweerders is het middel, gelet op het antwoord op het tweede middel in de zaak C.10.0534.N, gegrond.

Dictum

Het Hof,

Voegt de cassatieberoepen C.10.0534.N en C.10.0535.N.

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de vordering van de eerste, de tweede, de derde en de vierde verweersters tegen Allianz Belgium nv en over de kosten.

Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.

Veroordeelt de eiseressen ieder in de helft van de kosten van hun cassatieberoep.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.

Bepaalt de kosten in de zaak C.10.0534.N voor de eiser op 1636,37, voor de eerste, tweede en vijfde verweerder op 312,54 euro, voor de zesde verweerder op 146,49 euro, en in de zaak C.10.0535.N voor de eiser op 1027,05 euro, voor de eerste, tweede en vijfde verweerder op 317,83 euro, voor de zesde verweerder op 146,49 euro..

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Alain Smetryns, Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 26 april 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Rechtsplegingsvergoeding

  • Meerdere partijen

  • Zelfde in het ongelijk gestelde partij

  • Bedragen