- Arrest van 26 april 2012

26/04/2012 - C.11.0143.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De pauliaanse rechtsvordering strekt tot vergoeding van de schade die de bedrieglijke verarming van de schuldenaar aan de schuldeiser berokkent; zij is onderworpen aan de verjaringstermijnen bedoeld in artikel 2262bis, § 1, tweede en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (1). (1) Zie de op dit punt gelijkluidende concl. van het O.M.


Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0143.N

L.L.,

eiseres,

aan wie rechtsbijstand werd verleend op 23 februari 2011 onder nummer G.10.0236.N

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

1. R.K.,

2. R.K.,

3. A.K.,

4. GK.,

verweerders,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerders woonplaats kiezen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 8 september 2010.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft op 1 februari 2012 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wetsbepalingen

- Artikel 870 Gerechtelijk Wetboek;

- Artikelen 577-2, 815, 882, 1167, 1315, 1319, 1320, 1322, 1349, 1350, 1352, 1353, 1382 en 2262bis, § 1, Burgerlijk Wetboek;

- Artikel 2262 Burgerlijk Wetboek zoals van toepassing vóór de wijzi¬ging bij artikel 4 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepa¬lingen betreffende de verjaring;

- Artikel 1 van de wet van 16 december 1851 op de voorrechten en hypothe¬ken, die Titel XVIII van Boek III Burgerlijk Wetboek vormt (afgekort Hypotheekwet);

- Artikel 10 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring;

- Het algemeen rechtsbeginsel "fraus omnia corrumpit", waarvan de artikelen 6, 1131, 1132, 1133, 1350, 1° en 1167 Burgerlijk Wetboek, een toe¬passing uitmaken.

Bestreden beslissing

Het bestreden arrest, na eiseres' principaal hoger beroep en het incidenteel hoger beroep als ongegrond te hebben afgewezen, bevestigt het beroepen vonnis, waarbij ondermeer de namens eiseres ingestelde pauli¬aanse vordering ongegrond werd verklaard wegens verjaring, ontvangt eise¬res' vordering tot veroordeling van eerste verweerder tot betaling van een pro¬visionele schadevergoeding van 259.916,36 euro en verklaart deze vordering on¬gegrond en verwijst eiseres in de kosten van hoger beroep, en dit op vol¬gende gronden:

"2.1

In hoger beroep wordt nog enkel bij pauliaanse vordering de niet-tegenstel¬baarheid beoogd van de navolgende rechtshandelingen:

- schenkingsakte dd. 28 september 1992 voor notaris Smits te Borgerhout, overgeschreven op het tweede hypotheekkantoor te Antwerpen op 20 novem¬ber 1992, deel nummer 11613/10, volgnummer B4

Bij deze akte schenken de ouders K.:

- aan zoon R. (tweede verweerder): de blote eigendom van de apparte¬menten op de eerste, tweede en derde verdieping in het appartementsgebouw aan de Turnhoutsebaan 27 te Borgerhout.

- aan zoon A. (derde verweerder) de blote eigendom van de appartementen 10 en 12 in het appartementsgebouw aan de Turnhoutsebaan 69 te Borger¬hout.

- aan zoon G. (vierde verweerder) de blote eigendom van de apparte¬menten 6 en 8 in het appartementsgebouw aan de Turnhoutsebaan 69 te Bor¬gerhout.

(Eerste verweerder) is in de akte tussengekomen en verklaart samen met zijn broers kennis te hebben van de gedane vervreemdingen en hiermee in te stemmen zonder enig voorbehoud. Er wordt afgezien van elke vordering tot inkorting.

- schenkingsakte dd. 25 november 1993 voor notaris Smits te Borgerhout, overgeschreven op het tweede hypotheekkantoor te Antwerpen op 24 decem¬ber 1993, deel nummer 12009/20, volgnummer B3

Bij deze akte schenken de ouders K.:

- aan zoon A. (derde verweerder) het vruchtgebruik van de appartementen op de eerste en derde verdieping van het appartementsgebouw aan de Ca¬mille Huysmanslaan 111 te Antwerpen.

- aan kleinzoon A. de blote eigendom van de appartementen op de eerste en derde verdieping van het appartementsgebouw aan de Camille Huysmanslaan 111 te Antwerpen.

- aan zoon G. (vierde verweerder) het vruchtgebruik van de apparte¬menten op de tweede en vierde verdieping van het appartementsgebouw aan de Camille Huysmans-laan 111 te Antwerpen.

- aan de kleinkinderen C. en D.: de blote eigendom van de ap¬partementen op de tweede en derde verdieping van het appartementsgebouw aan de Camille Huysmanslaan 111 te Antwerpen.

- aan zoon R. (tweede verweerder) het vruchtgebruik van de gelijkvloerse verdieping van het gebouw aan de Turnhoutsebaan 27 te Borgerhout en van studio 1, gelegen op de eerste verdieping van het gebouw aan de Turnhout¬sebaan 168 te Borgerhout.

- aan de kleinkinderen I., D. en P. de blote eigendom van de gelijk¬vloerse verdieping van het gebouw aan de Turnhoutsebaan 27 te Borgerhout en van studio 1, gelegen op de eerste verdieping van het gebouw aan de Turnhoutsebaan 168 te Borgerhout.

(Eerste verweerder) is in de akte tussengekomen en verklaart samen met de overige erfgerechtigden kennis te hebben van de gedane vervreemdingen en hiermee in te stemmen zonder enig voorbehoud. Er wordt afgezien van elke vordering tot inkorting.

- schenkingsakte dd. 28 april 1995 voor notaris Smits te Borgerhout, overge¬schreven op het tweede hypotheekkantoor te Antwerpen op 23 mei 1995, deel nummer 310/12, volgnummer B2

De ouders K. schenken:

- aan zoon A. (derde verweerder) het vruchtgebruik van het appartement 7, gelegen op de derde verdieping van het gebouw aan de Turnhoutsebaan 69 te Borgerhout, alsook van de ondergrondse verdieping en van een appartement op de eerste en op de tweede verdieping van een gebouw aan de Houba de Strooperlaan 214 te Brussel.

- aan kleinzoon A. de blote eigendom van het appartement 7, gelegen op de derde verdieping van het gebouw aan de Turnhoutsebaan 69 te Borger¬hout, alsook van de ondergrondse verdieping en van een appartement op de eerste en op de tweede verdieping van een gebouw aan de Houba de Stro¬operlaan 214 te Brussel.

- aan zoon (vierde verweerder) de volle eigendom van het appartement op de gelijkvloerse verdieping van een gebouw aan de Houba de Strooperlaan 214 te Brussel en het vruchtgebruik van de appartementen op de derde en de vierde verdieping van ditzelfde gebouw te Brussel.

- aan kleinzoon C. de blote eigendom van het appartement op de derde verdieping van het gebouw aan de Houba de Strooperlaan 214 te Brus¬sel.

- aan kleindochter D. de blote eigendom van het appartement op de vierde verdieping van het gebouw aan de Houba de Strooperlaan 214 te Brus¬sel.

De zonen (eerste en tweede verweerders) zijn in de akte tussengekomen en verklaren samen met hun broers kennis te hebben van de gedane vervreem¬dingen en hiermee in te stemmen zonder enig voorbehoud. Er wordt afgezien van elke vordering tot inkorting.

- verzakingsakte dd. 4 juli 1997 voor notaris Smits te Borgerhout, overge¬schreven op het tweede hypotheekkantoor te Antwerpen op 24 juli 1997, deel nummer 1038/24, volgnummer B 1

De ouders K. verzaken bij deze akte aan hun vruchtgebruik van:

- de appartementen op de eerste, tweede en derde verdieping van het gebouw aan de Turnhoutsebaan 27 te Borgerhout.

- de appartementen 6, 8, 10 en 12 van het gebouw aan de Turnhoutsebaan 69 te Borgerhout.

2.2

De actio pauliana is een toepassing van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek Het betreft derhalve een persoonlijke vordering met een zekere zakelijke werking maar is geen za¬kelijke of een gemengde vordering.

Aangezien de pauliaanse vordering een toepassing uitmaakt van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek, is zij onderworpen aan de dubbele verjaringstermijn voorzien in artikel 2262bis al. 2 en 3 Burgerlijk Wetboek.

(Eiseres) moet geacht worden kennis te hebben van de aangevochten rechts¬handelingen, van de daarbij betrokken personen en van het eventueel be¬drieglijk en schadeverwekkend karakter van die rechtshandelingen door de verplichte overschrijving ervan overeenkomstig artikel 1 van de Hypotheekwet, zodat de verjaringstermijn in principe ingaat op datum van de overschrijving.

De Pauliaanse rechtsvorderingen van (eiseres) zijn ontstaan en de overschrij¬vingen van de aangevochten rechtshandelingen dateren van vóór de inwer¬kingtreding van de wet van 10 juni 1998 (B.S. 17/07/1998), zodat naar luid van artikel 10 van die wet de nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar bij wijze van overgangsmaatregel pas begint te lopen vanaf haar inwerkingtreding op 27 juli 1998.

Er zijn geen daden van stuiting of schorsing van de verjaring gekend.

Er is verjaring ingetreden door verloop van vijf jaar op 28 juli 2003. De Pauli¬aanse rechtsvorderingen van (eiseres) werden ingesteld op 27/04/2006 en nadien en bijgevolg op een ogenblik dat die vorderingen reeds verjaard waren.

Bovendien en ten overvloede moet worden vastgesteld dat (eiseres) betoogt dat zij opkomt tegen een verdeling en krachtens artikel 882 Burgerlijk Wetboek de actio pau¬liana niet mogelijk is ten aanzien van de verdeling, nu (eiseres) geen vooraf¬gaand verzet heeft gedaan en zij niet aantoont dat de verdeling een fictie blijkt of bedrieglijk is doorgevoerd met het oog op het onmogelijk maken van het verzet.

2.3

(Eiseres) toont niet aan dat er een rechtsgrondslag is om (eerste verweerder) te veroordelen tot betaling van een provisionele schadevergoeding van 259.916,36 euro".

Grieven

Eerste onderdeel

1. Overeenkomstig artikel 2262bis, § 1, Burgerlijk Wetboek verjaren alle persoonlijke rechtsvorderingen door verloop van tien jaar (eerste lid). In afwijking hiervan verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft ge¬kregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon (tweede lid). Laatstgenoemde vorderingen verjaren in ieder geval door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan (derde lid).

Naar luid van de overgangsbepaling in artikel 10 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring, beginnen de nieuwe verjaringstermijnen, wanneer de rechtsvordering is ont¬staan vóór de inwerkingtreding van deze wet, slechts te lopen vanaf de inwer¬kingtreding van de wet van 10 juni 1998 op 27 juli 1998. De totale duur van de verjaringstermijn mag evenwel niet meer dan dertig jaar bedragen.

Luidens artikel 2262 Burgerlijk Wetboek, zoals van toe¬passing vóór de wijziging bij artikel 4 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring, verjaren alle rechtsvorde¬ringen, zowel zakelijke als persoonlijke, door verloop van dertig jaren.

2. Krachtens artikel 1167 Burgerlijk Wetboek kunnen schuldeisers in hun eigen naam opkomen tegen de handelingen die hun schuldenaar verricht heeft met bedrieglijke benadeling van hun rechten.

Onder gelding van artikel 2262 Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing vóór de wijziging bij voornoemde wet van 10 juni 1998, ver¬jaarde de pauliaanse vordering door verloop van dertig jaren.

Thans, met toepassing van artikel 2262bis, § 1, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, verjaart de pauliaanse vordering, als persoonlijke rechts¬vordering, door verloop van tien jaar, zoals ook door eiseres in conclusie voor de appelrechters in hoofdorde aangevoerd.

Zij is immers geen rechtsvordering tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid, in de zin van artikel 2262bis, § 1, tweede lid, Burgerlijk Wetboek, doch wel een op het algemeen rechtsbeginsel "fraus omnia corrumpit" gesteunde vordering die in de eerste plaats beoogt de met bedrieglijke benadeling van de schuldeiser gestelde handeling niet tegenstelbaar te laten verklaren aan deze laatste.

3. Het bestreden arrest stelt vast dat eiseres bij pauliaanse vorde¬ring de niet-tegenstelbaarheid beoogt van verschillende rechtshandelingen, die dateren van de periode 1992 tot 1997.

Het oordeelt dat de pauliaanse vordering een toepassing is van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek, en dan ook onderworpen is aan de dubbele verjaringstermijn van artikel 2262bis, § 1, tweede en derde lid, Burgerlijk Wetboek.

Na te hebben vastgesteld dat de aangevochten rechtshandelingen dateren van vóór de wet van 10 juni 1998, en dat, overeenkomstig de over¬gangsbepalingen van de wet van 10 juni 1998, de nieuwe verjaringstermijn pas begint te lopen vanaf de inwerkingtreding van de wet op 27 juli 1998, be¬sluit het dat de op 27 april 2006 en nadien ingestelde rechtsvorderingen ver¬jaard zijn.

Door aldus te oordelen dat de pauliaanse vordering een toepas¬sing is van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek, en onderworpen is aan de dubbele verjaringstermijn van artikel 2262bis, § 1, tweede en derde lid, Burgerlijk Wetboek, en niet aan de tienjarige verjaringstermijn van artikel 2262bis, § 1, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, miskent het bestreden ar¬rest de artikelen 1167, 1382 en 2262bis, § 1, eerste, tweede en derde lid, Burgerlijk Wetboek, artikel 2262 Burgerlijk Wetboek zoals van toe¬passing vóór de wijziging bij wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring, en artikel 10 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring, en het alge¬meen rechtsbeginsel "fraus omnia corrumpit", en kon het dienvolgens niet wettig besluiten tot de verjaring van de pauliaanse vorderingen (schending van dezelfde wetsbepalingen en algemeen rechtsbeginsel).

Tweede onderdeel

4. Zelfs indien zou dienen te worden aangenomen dat, anders dan aangevoerd in het eerste onderdeel, de pauliaanse vordering van artikel 1167 Burgerlijk Wetboek wel "een rechtsvordering tot vergoeding van schade is op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid", in de zin van artikel 2262bis, § 1, tweede lid, Burgerlijk Wetboek, en derhalve onder de vijfjarige verjaringstermijn valt, dan nog is de beslissing dat de pauliaanse vorderingen van eiseres verjaard zijn, evenmin naar recht verantwoord.

5. Naar luid van artikel 2262bis, § 1, Burgerlijk Wetboek verjaren alle persoonlijke rechtsvorderingen door verloop van tien jaar (eerste lid). In afwijking hiervan verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft ge¬kregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon (tweede lid). Laatstgenoemde vorderingen verjaren in ieder geval door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan. (derde lid).

Naar luid van de overgangsbepaling in artikel 10 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring, beginnen de nieuwe verjaringstermijnen, wanneer de rechtsvordering is ont¬staan vóór de inwerkingtreding van deze wet, slechts te lopen vanaf de inwer¬kingtreding van de wet van 10 juni 1998 op 27 juli 1998. De totale duur van de verjaringstermijn mag evenwel niet meer dan dertig jaar bedragen.

Naar luid van artikel 2262 Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing vóór de wijziging bij artikel 4 van de wet van 10 juni 1998 tot wijzi¬ging van sommige bepalingen betreffende de verjaring, verjaren alle rechts¬vorderingen, zowel zakelijke als persoonlijke, door verloop van dertig jaren.

6. Krachtens artikel 1167 Burgerlijk Wetboek kunnen schuldeisers in hun eigen naam opkomen tegen de handelingen die hun schuldenaar verricht heeft met bedrieglijke benadeling van hun rechten.

Onder gelding van artikel 2262 Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing vóór de wijziging bij voornoemde wet van 10 juni 1998, ver¬jaarde de pauliaanse vordering door verloop van dertig jaren.

In zoverre de pauliaanse vordering onder de verjaringstermijn valt van 2262bis, § 1, tweede lid, Burgerlijk Wetboek, dient de verweerder die de verjaring opwerpt, het bewijs te leveren dat de eiser reeds meer dan vijf jaar vóór het inleiden van de vordering kennis heeft gekregen "van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aan¬sprakelijke persoon", zoals voorzien als aanvangspunt van de verjaring door artikel 2262bis, § 1, tweede lid, Burgerlijk Wetboek, en dit overeen¬komstig de bewijslastregels, vervat in artikelen 1315 Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek.

De kennis die vereist is "van de schade of van de verzwaring er¬van en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon", is een ef¬fectieve kennis, die in concreto dient beoordeeld te worden.

7. De bij artikel 1 Hypotheekwet voorgeschreven publiciteit regelt de tegenstelbaarheid van de uit de overgeschreven akten blijkende on¬roerende zakelijke rechten aan derden die zonder bedrog hebben gecon¬tracteerd en titularis zijn van concurrerende zakelijke rechten op hetzelfde goed.

Overeenkomstig artikel 1, eerste lid, in fine, Hypotheekwet gelden de aan overschrijving onderworpen akten niet jegens derden "die zon¬der bedrog gecontracteerd hebben" zolang de overschrijving uitblijft. Het be¬treft de derden die door de akte zouden kunnen geschaad zijn aan de zake¬lijke rechten welke zij bezitten op de goederen waarop bedoelde akten be¬trekking hebben. Eens overgeschreven zijn de akten wel tegenwerpelijk aan iedereen met een concurrerend zakelijk recht.

De overschrijving overeenkomstig artikel 1 Hypotheekwet betekent echter niet dat "iedereen" effectief kennis heeft van de akte, of dat "iedereen" moet geacht worden effectief kennis te hebben van de akte. Artikel 1 Hypotheekwet bevat dan ook geenszins een wettelijk vermoeden, in de zin van de artikelen 1349, 1350 en 1352 Burgerlijk Wetboek, van kennis van de akte vanaf de overschrijving.

8. Wanneer, zoals te dezen, de verweerder de verjaring inroept van de pauliaanse vordering, die de niet-tegenstelbaarheid beoogt van een aan overschrijving onderworpen akte, dient de verweerder het bewijs te leve¬ren dat de eiser reeds meer dan vijf jaar effectief kennis had van de litigieuze akte wanneer dit, zoals te dezen, door de eiser wordt betwist. Deze effectieve kennis kan niet louter uit de over¬schrijving van de akte worden afgeleid, nu aldus een niet bestaand wettelijk vermoeden zou worden aangenomen.

De effectieve kennis kan evenmin door middel van een feitelijk vermoeden worden afgeleid uit de overschrijving van de litigieuze akten alleen. Uit de artikelen 1349 en 1353 Burgerlijk Wetboek vloeit immers voort dat de rechter aan de vastgestelde feiten geen gevolgen mag verbinden, die daarmee in geen enkel verband staan of die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.

9. Het bestreden arrest oordeelt evenwel "(dat) (eiseres) moet ge¬acht worden kennis te hebben van de aangevochten rechtshandelingen, van de daarbij betrokken personen en van het eventueel bedrieglijk en schadever¬wekkend karakter van die rechtshandelingen door de verplichte overschrijving ervan overeenkomstig artikel 1 Hypotheekwet, zodat de verjaringster¬mijn in principe ingaat op datum van de overschrijving".

Door aldus, voor de beoordeling van het vertrekpunt van de verja¬ringstermijn van artikel 2262bis, § 1, tweede lid, Burgerlijk Wetboek, na te laten de effectieve kennis "van de aangevochten rechtshandelingen, van de daarbij betrokken personen en van het eventueel bedrieglijk en schadever¬wekkend karakter van die rechtshandelingen" na te gaan, schendt het bestre¬den arrest artikel 2262bis, § 1, tweede lid, Burgerlijk Wetboek, en mis¬kent het de op verweerders rustende bewijslast van de effectieve kennis van de kwestieuze rechtshandelingen van de betrokken personen en van het eventueel bedrieglijk en schadever¬wekkend karakter van die rechtshandelin¬gen (schending van de artikelen 1315 Burgerlijk Wetboek en artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek).

Door aldus aan de overschrijving een wettelijk vermoeden te ver¬binden dat artikel 1 Hypotheekwet niet bevat, miskent het bestreden arrest artikel 1 Hypotheekwet en de artikelen 1349, 1350 en 1352 Burgerlijk Wetboek.

Minstens door uit de enkele feitelijke vaststelling dat de litigieuze akten werden overgeschreven, af te leiden dat eiseres "moet geacht worden kennis te hebben van de aangevochten rechtshandelingen, van de daarbij be¬trokken personen en van het eventueel bedrieglijk en schadeverwekkend ka¬rakter van die rechtshandelingen", maakt het bestreden arrest een onmogelijk te verantwoorden gevolgtrekking, en miskent het derhalve het wettelijk begrip feitelijk vermoeden (schending van de artikelen 1349 en 1353 Burgerlijk Wetboek).

Het bestreden arrest kon dienvolgens niet wettig besluiten dat de vijfjarige verjaringstermijn te dezen is ingegaan op de datum van de over¬schrijving van de litigieuze akten, en dat de pauliaanse vordering van eiseres, ingeleid op 27 april 2006, met toepassing van de overgangsbepaling van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring, en artikel 2262bis, § 1, tweede lid, Burgerlijk Wetboek, is verjaard (schending van de artikelen 1167, 2262bis, § 1, tweede lid, Burgerlijk Wetboek, artikel 2262 Burgerlijk Wetboek, zoals van toe¬passing vóór de wijziging bij artikel 4 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring, en artikel 10 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verja¬ring).

Derde onderdeel

10. De pauliaanse vordering van eiseres strekte ertoe de notariële akten van 28 september 1992, 25 november 1993, 28 april 1995 en 4 juli 1997 haar niet tegenstelbaar te horen verklaren.

Eiseres stelde zelf uitdrukkelijk dat haar pauliaanse vordering geen vordering is tegen de verdeling van de nalatenschap van de ouders van verweerders (overleden in 1999): "(Verweerders) werpen op dat de pauliaanse vordering niet kan worden ingesteld bij de verdeling van een nalatenschap.. (Eiseres) merkt op dat de ouders van (verweerders) de onroerende goederen hebben geschonken terwijl zij nog in leven waren. De notariële aktes dateren allemaal van vóór de datum van overlijden in 1999".

11. Het bestreden arrest stelt evenwel, weliswaar "ten over¬vloede", vast "dat (eiseres) betoogt dat zij opkomt tegen een verdeling", en merkt vervolgens op "(dat) krachtens artikel 882 Burgerlijk Wetboek de actio pauliana niet mogelijk is ten aanzien van de verdeling, nu (eiseres) geen voorafgaand ver¬zet heeft gedaan en zij niet aantoont dat de verdeling een fictie blijkt of be¬drieglijk is doorgevoerd met het oog op het onmogelijk maken van het verzet".

Aldus geeft het bestreden arrest een uitlegging aan voornoemde syntheseconclusie van eiseres, die niet verenigbaar is met de inhoud en be¬woordingen ervan, nu uit deze conclusie blijkt dat eiseres stelde dat haar vor¬dering geenszins als een pauliaanse vordering tegen de verdeling (van de nalatenschap) kan beschouwd worden, en miskent het derhalve de bewijs¬kracht van deze conclusie (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek).

Vierde onderdeel

12. Naar luid van artikel 882 Burgerlijk Wetboek kunnen schuldeisers van een deelgenoot, om te beletten dat de verdeling met be¬drieglijke benadeling van hun rechten geschiedt, zich ertegen verzetten dat zij buiten hun aanwezigheid gedaan wordt, en hebben zij het recht op eigen kos¬ten in de verdeling tussen te komen. Tegen een voltrokken verdeling kunnen zij echter niet opkomen, behalve wanneer deze heeft plaatsgehad buiten hen om en met miskenning van een door hen gedaan verzet.

Artikel 882 Burgerlijk Wetboek geldt enkel in geval van een verdeling, wat het bestaan veronderstelt van een onverdeeldheid in de zin van de artikelen 577-2 en 815 Burgerlijk Wetboek, waarbij er samen¬loop is van meerdere rechten van dezelfde aard op hetzelfde voorwerp.

Andere rechtshandelingen, zoals schenkingen of verzakingen aan vruchtgebruik, vallen niet onder de door artikel 882 Burgerlijk Wetboek beoogde rechtshandelingen.

13. Zoals blijkt uit de opsomming van de door de pauliaanse vor¬dering van eiseres beoogde litigieuze rechtshandelingen, be¬treffen deze schenkingen en een verzaking aan vruchtgebruik, doch geenszins een verdeling van onverdeelde rechten.

Het bestreden arrest kon dan ook niet wettig, "ten overvloede", toepassing maken van artikel 882 Burgerlijk Wetboek, en op die grond eiseres' vordering ongegrond verklaren (schending van artikelen 882, 577-2 en 815 Burgerlijk Wetboek).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. De vordering bedoeld in artikel 1167 Burgerlijk Wetboek strekt tot vergoeding van de schade die de bedrieglijke verarming van de schuldenaar aan de schuldeiser berokkent. Een dergelijke pauliaanse vordering is onderworpen aan de verjaringstermijnen bedoeld in artikel 2262bis, § 1, tweede en derde lid, Burgerlijk Wetboek.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt naar recht.

Tweede onderdeel

2. Overeenkomstig artikel 2262bis, § 1, tweede lid, Burgerlijk Wetboek verjaren vorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op de dag waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade.

Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling volgt dat de wetgever als aanvangspunt van bedoelde verjaring de dag heeft beoogd waarop de benadeelde daadwerkelijk kennis heeft gekregen van de schade en niet die waarop hij moet worden vermoed hiervan kennis te hebben gekregen.

3. Krachtens artikel 1 Hypotheekwet zijn de in deze bepaling bedoelde akten tegenwerpelijk aan derden vanaf hun overschrijving in de daartoe bestemde registers van de hypotheekbewaarder. De overschrijving heeft tot gevolg dat derden met een conflicterend recht van dat ogenblik af niet meer hun goede trouw kunnen inroepen.

4. Uit deze bepalingen volgt dat de overschrijving van de akte niet tot gevolg heeft dat eenieder vanaf het ogenblik van de overschrijving de in artikel 2262bis, § 1, tweede lid, Burgerlijk Wetboek, vereiste kennis heeft.

5. Uit het vorenstaande volgt dat de verjaringstermijn van een pauliaanse vordering tegen een akte die werd overgeschreven in het register van de hypotheekbewaarder niet begint te lopen door het loutere feit van de overschrijving van deze akte.

6. De appelrechters die oordelen dat de verjaring van de pauliaanse vordering van de eiseres een aanvang heeft genomen vanaf de overschrijving van de akten overeenkomstig artikel 1 Hypotheekwet omdat de eiseres van dat tijdstip af kennis had van de aangevochten rechtshandelingen, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Derde onderdeel

7. Door te oordelen dat de eiseres opkomt tegen de verdeling van de nalatenschap geven de appelrechters van de conclusie van de eiseres een uitleg die met de bewoordingen ervan niet verenigbaar is.

Het onderdeel is gegrond.

Vierde onderdeel

8. Gelet op het antwoord op het derde onderdeel verantwoorden de appelrechters die artikel 882 Burgerlijk Wetboek toepassen op andere rechtshandelingen dan een verdeling, hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, A. Smetryns, Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 26 april 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal D. Thijs, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Voorwerp

  • Verjaring