- Arrest van 27 april 2012

27/04/2012 - F.11.0047.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Noch uit de artikelen 21 en 22 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen noch uit artikel 36ter van dat wetboek volgt dat het voertuig van de gefailleerde vermoed wordt in gebruik te blijven zolang de inschrijving ervan bij de Dienst van het Wegverkeer niet is geschrapt (1). (1) In zijn mondelinge, andersluidende conclusie was het O.M. de mening toegedaan dat, hoewel de wetgever het vermoeden van gebruik, nodig voor de goede werking van het systeem van de geautomatiseerde heffing, schijnbaar niet had behouden, er toch redenen waren om eraan te twijfelen dat hij doelbewust de samenhang van een goed werkend systeem zou hebben verbroken. De parlementaire stukken (Gedr. St., Kamer, g.z. 1997-98, nr. 1668/1, p. 5-6) laten immers nauwelijks twijfel bestaan over de wil van de wetgever om de regeling als zodanig niet in gevaar te brengen.


Arrest - Integrale tekst

Nr. F.11.0047.F

BELGISCHE STAAT, minister van Financiën,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

G. L.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in laatste aanleg van de rechtbank van koophandel te Charleroi van 20 oktober 2010.

Raadsheer Gustave Steffens heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 7, 8 en 9 van de wet van 16 december 1851, Hypotheekwet genaamd, waarbij titel XVIII van boek III van het Burgerlijk Wetboek wordt vervangen ;

- de artikelen 16, 46, inzonderheid derde lid, en 99 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 ;

- de artikelen 21, 22 en, voor zoveel nodig, 36ter van het Wetboek van de met de Inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen.

Aangevochten beslissing

Het bestreden vonnis verwerpt de vordering van de eiser die ertoe strekt voor recht te doen zeggen dat zijn schuldvordering op de failliete vennootschap ten bedrage van in totaal 1.560,95 euro, bestaande uit verschillende verkeersbelastingen die worden opgesomd in de artikelen 3 en volgende van het Wetboek van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen en die blijkens de vaststellingen van dat vonnis "alle dagtekenen van na het vonnis van faillietverklaring", zou worden erkend als een schuld van de boedel. Het beslist aldus om alle redenen die hier als herhaald worden beschouwd en met name om de volgende redenen:

"[De verweerder] verzet zich tegen de erkenning van die schuld als schuld van de boedel op grond dat de voertuigen door de curator niet zijn aangetroffen bij de plaatsopneming en evenmin vermeld staan in de inventaris van de failliete boedel en dat artikel 46, derde lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 het bestaan van een schuld van de boedel onderwerpt aan de voorwaarde dat de curator het genot heeft van het actief.

Het belasting(bestuur) baseert zich op artikel 36ter, § 1, van het Wetboek van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen dat het onweerlegbaar vermoeden invoert dat een voertuig in gebruik is op de openbare weg zolang het bij de Directie Wegverkeer is of moet worden ingeschreven, zodat de belasting een schuld van de boedel is.

Terecht voert [de verweerder] aan dat de wet van 25 januari 1999 artikel 36ter van het Wetboek van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen gewijzigd heeft zodat het bij dat artikel ingevoerde vermoeden niet langer bestaat en die bepaling voortaan alleen de wijze van berekening van de belasting regelt.

Het vroegere vermoeden kan thans niet gebaseerd worden op artikel 6 van dat wetboek dat onveranderd is gebleven noch op artikel 21, zoals het is gewijzigd (Zie J. Caeymaex, Le droit de la faillite: actualités 2005, Ed. du Jeune Barreau de Liège, 12).

(...) Vergeefs werpt [de eiser] op dat het nieuwe artikel 21 van het Wetboek van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen het oud artikel 36ter haast letterlijk overneemt.

Bovenvermeld artikel 21 luidt immers als volgt:

"De belasting is verschuldigd door de natuurlijke of rechtspersoon die vermeld is of het moet zijn op het inschrijvingsbewijs zolang een voertuig op naam van deze persoon is of moet zijn ingeschreven in het repertorium van de Directie voor de Inschrijving van de Voertuigen.

De in het eerste lid beoogde voertuigen zijn de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik, de trage auto's voor dubbel gebruik, de minibussen, de ziekenauto's, de motorfietsen, de motorfietsen-driewielers, de motorfietsen-vierwielers, de lichte vrachtauto's, de trage lichte vrachtauto's, de bootaanhangwagens, de kampeeraanhangwagens, de kampeerauto's, de aanhangwagens en opleggers met een maximaal toegelaten massa tot 3.999 k'.

Te dezen is de curator geen natuurlijke of rechtspersoon die vermeld is of moet zijn op het inschrijvingsbewijs in de zin van het voormelde artikel 21 (zie Kh. Luik (3e k.), 22 maart 2005, J.L.M.B., 2007, 469).

Te dezen zijn de door [de eiser] gevorderde verkeersbelastingen geenszins onderworpen aan de voorwaarde dat de curator van die voertuigen het genot heeft of wil hebben omdat ze niet zijn aangetroffen in het actief van het faillissement".

Grieven

In de artikelen 8 en 9 van de Hypotheekwet is het beginsel vastgelegd dat de schuldeisers op voet van gelijkheid staan.

Artikel 46, derde lid, van de wet van 8 augustus 1997 luidt als volgt: "Indien de curators beslissen de overeenkomst uit te voeren, heeft de medecontractant ten laste van de boedel recht op de uitvoering van de verbintenis in zoverre zij betrekking heeft op prestaties geleverd na het faillissement".

Artikel 99 van dezelfde wet bepaalt dat het bedrag van het actief van de gefailleerde verdeeld wordt zoals aangegeven, na aftrek onder meer van "de kosten en uitgaven voor het beheer van de failliete boedel".

Die "kosten en uitgaven" omvatten de lasten die rusten op de curator wanneer hij zijn opdracht uitvoert bestaande in het beheer en de tegeldemaking van de activa, en die erkend worden als een voor elke verdeling te betalen schuld van de boedel.

Uit de artikelen 21, 22 en 36ter van het Wetboek van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen kan worden afgeleid dat de in artikel 21, tweede lid, bedoelde voertuigen worden vermoed in gebruik te zijn op de openbare weg zolang zij ingeschreven zijn of moeten zijn in het repertorium van de Directie voor de inschrijving van de voertuigen. Die wetsbepalingen voeren het onweerlegbaar vermoeden in dat die voertuigen in gebruik genomen zijn op de openbare weg.

Daaruit volgt dat de voertuigen waarvan de gefailleerde eigenaar is worden vermoed in gebruik gebleven te zijn zolang de inschrijving ervan bij de Directie voor de inschrijving van de voertuigen niet geschrapt was: die teksten voeren het onweerlegbaar vermoeden in dat die voertuigen in gebruik zijn.

Bijgevolg wordt het voertuig waarvan de gefailleerde eigenaar is, vermoed in gebruik gebleven te zijn zolang de inschrijving ervan bij de Directie voor de inschrijving van de voertuigen niet geschrapt is. Gelet op dat onweerlegbaar vermoeden van gebruik doet het niet terzake of de curator het voertuig al dan niet heeft kunnen gebruiken.

Hoewel artikel 21 van dat wetboek bepaalt dat "de belasting verschuldigd is door de natuurlijke of rechtspersoon die vermeld is of moet zijn op het inschrijvingsbewijs", volgt uit het feit dat de gefailleerde het beheer van zijn vermogen verliest en dat het beheer overgaat op de curator (artikel 16 van de wet van 8 augustus 1997) dat de belasting door laatstgenoemde qualitate qua verschuldigd is, met andere woorden dat zij als schuld van de boedel erkend wordt.

Bijgevolg schendt het vonnis, dat het hierboven vermelde onweerlegbaar vermoeden ontkent, de aangegeven bepalingen van het Wetboek van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen. Het vonnis dat bovendien beslist dat "de curator geen natuurlijke of rechtspersoon is die op het inschrijvingsbewijs vermeld is of moet zijn in de zin van het bovenaangehaalde artikel 21", schendt die bepaling van het Wetboek van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen en artikel 16 van de wet van 8 augustus 1997. Het bestreden vonnis dat om al de bekritiseerde redenen weigert de litigieuze belastingen te erkennen als een schuld van de boedel, schendt hoe dan ook de artikelen 7 en 8 van de Hypotheekwet en de artikelen 46, derde lid, en 99 van de wet van 8 augustus 1997.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Noch uit de artikelen 21 en 22 van het Wetboek van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen noch uit artikel 36ter van dat wetboek volgt dat het voertuig van de gefailleerde vermoed wordt in gebruik te blijven zolang de inschrijving ervan bij de Dienst van het Wegverkeer niet is geschrapt.

Het middel dat het tegendeel aanvoert, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Martine Regout, Alain Simon, Gustave

Steffens en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 27 april 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van Filip Van Volsem en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Verkeersbelasting

  • Heffing

  • Gefailleerde

  • Voertuig

  • Gebruik

  • Vermoeden

  • Dienst van het Wegverkeer

  • Inschrijving niet geschrapt