- Arrest van 27 april 2012

27/04/2012 - F.11.0069.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Artikel 81bis, § 1, derde lid, 3°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde gaat ervan uit dat de administratie van de aldaar bedoelde bewijskrachtige gegevens kennis gekregen heeft binnen de verjaringstermijn van drie of vijf jaar die verlengd wordt als dergelijke gegevens worden ontdekt; het sluit daarentegen niet uit dat die gegevens bijkomend onderzoek vereisen met het oog op de vaststelling van de belastbare handelingen of van de onrechtmatige aftrekken die ten gevolge van die gegevens aan het licht komen (1). (1) Zie gedeeltelijk andersluidende concl. van het O.M., in Pas. 2012, nr. …


Arrest - Integrale tekst

Nr. F.11.0069.F

BELGISCHE STAAT, minister van Financiën,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

GENERAL CONSTRUCTION LIEGE nv,

Mr. Xavier Thiébaut, advocaat bij de balie te Luik.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen van 21 januari 2011, op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 27 november 2009.

Op 10 april 2012 heeft advocaat-generaal André Henkes een conclusie neergelegd ter griffie.

Voorzitter Christan Storck heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal Henkes is in zijn conclusie gehoord.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert het volgend middel aan

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 53, 59, § 1, 81bis, § 1, derde lid, 3°, (voor de wijziging ervan bij de wet van 22 december 2008), en 93quaterdecies, § 2 en 3, van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het Wetboek van de belasting op de toegevoegde waarde

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest dat uitspraak doet op verwijzing na cassatie, verklaart het hoofdberoep van de eiser zeer ten dele gegrond, bevestigt het beroepen vonnis met als enige wijziging dat het hoofdbedrag van de tegen de eiser uitgesproken veroordeling wordt teruggebracht tot het bedrag van 182.940 euro en dat de interestvoet wordt vastgesteld op 0,5833 pct. per kalendermaand, en veroordeelt iedere partij in haar appelkosten. Het beslist aldus om de volgende redenen:

"Krachtens artikel 81 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde begint de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten te verjaren vanaf de dag dat deze vordering ontstaat; sedert de wet van 15 maart 1999 dat van toepassing is op de vorderingen tot voldoening die ontstaan zijn na 1 januari 1999, luidt artikel 81bis, § 1 van dat wetboek als volgt (...),

Het onderscheid dat het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 inzake verjaring maakt tussen onderzoeks- en aanslagtermijnen komt niet voor in het BTW-wetboek; dat wetboek voorziet immers niet in een beperking van de onderzoekstermijn maar enkel in termijnen van verjaring van de vorderingen tot voldoening en teruggaaf van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, zodat daaruit de facto volgt dat het recht op controle bij de belasting over de toegevoegde waarde onbeperkt is (BTW-Handleiding, nr. 635/3, bijgewerkt tot 1 oktober 2007);

De invoering van de zevenjarige termijn maakt deel uit van ‘verschillende maatregelen die tot doel hebben sommige regels dichter bij mekaar te brengen die verbonden zijn met de controle van de juiste toepassing van de inkomstenbelastingen en van de belasting over de toegevoegde waarde in het kader van de instelling van gezamenlijke controles van de onderworpen ondernemingen' (Memorie van Toelichting bij de wet van 15 maart( 1999, Gedr. St., Kamer nr. 1341/1, blz. 5); de memorie van toelichting bij die bepaling (Kamer, nr. 1341/1, blz. 17 en 18) preciseert: 'in navolging van de rechtspraak (lees: betreffende de oplossing) in het kader van de inkomstenbelastingen zal de verjaringstermijn van zeven jaar van toepassing zijn wanneer de overtreding aan het licht wordt gebracht ten gevolge van [...] bewijskrachtige gegevens, sterker dan aanwijzingen die met name afkomstig zijn van een andere belastingadministratie van het Rijk';

De BTW-handleiding vermeldt onder het punt 625/5 in verband met die bepaling het volgende: ‘als bewijskrachtige gegevens gelden onder meer de resultaten van een controle, een onderzoek, een schatting, een scheidsrechterlijke uitspraak, een minnelijke schikking, e.d. waarmee de belastingplichtige heeft ingestemd, alsook vaststellingen van de opsporingsdiensten die de bekentenis van de belastingplichtige dragen, resultaten van onderzoekingen verricht door andere administraties en waarmee de belastingplichtige heeft ingestemd, een tot op het ogenblik van de ontdekking onbekend gebleven onderhandse akte of de resultaten van een controle uitgevoerd in een land waarmee België geen dubbelbelastingverdrag heeft afgesloten (...). Een verlenging van de verjaringstermijn tot zeven jaar is slechts mogelijk indien door de verkregen inlichtingen specifiek een bewijs kan worden geleverd dat een belastbare handeling niet werd aangegeven (inclusief dus het ten onrechte inroepen van een vrijstellingsbepaling) of dat er een onrechtmatige aftrek werd toegepast. Er wordt evenwel opgemerkt dat sinds de oprichting van de administratie van de ondernemings- en inkomstenfiscaliteit op 1 juli 1997, die de ambtenaren van de sector BTW van de administratie van de BTW, registratie en domeinen, enerzijds, en de ambtenaren van de administratie der directe belastingen, anderzijds, hergroepeert, inlichtingen die worden uitgewisseld tussen beide groepen ambtenaren niet langer beschouwd worden als afkomstig van een "andere" fiscale administratie. Er wordt gepreciseerd dat die opmerking enkel geldt voor de inlichtingen die worden uitgewisseld tussen de ambtenaren van de sector BTW en de ambtenaren van de administratie der directe belastingen die werken in de controlecentra, daar het de enige diensten zijn die werkelijk deel uitmaken van de administratie van de ondernemings- en inkomstenfiscaliteit';

Inzake belasting over de toegevoegde waarde bedraagt de normale termijn voor de verjaring van de vordering tot voldoening drie jaar; bij uitzondering wordt die op vijf jaar gebracht wanneer het misdrijf bedoeld in de artikelen 70 en 71 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde is gepleegd met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden;

In bijzondere gevallen kan die termijn op zeven jaar worden gebracht (inzake inkomstenbelastingen geldt die bijzondere inspectietermijn eveneens in bijzondere gevallen); de hamvraag is of de voorwaarden waaronder de administratie de zevenjarige verjaringstermijn kan toepassen om er de eisbaarheid van de belasting na de ontdekking van ‘bewijskrachtige gegevens' op te baseren al dan niet vervuld zijn;

Het begrip bewijskrachtige gegevens moet op beperkende wijze worden uitgelegd omdat de zevenjarige verjaringstermijn de uitzondering is; de wetgever vereist dat het zou gaan om gegevens waaruit onmiddellijk en door vergelijking met de aangifte van de belastingplichtige, zonder diepgaander onderzoek of ondervraging van de belastingplichtige, blijkt dat er inkomsten niet zijn aangegeven (of, te dezen, dat er eventueel een overtreding is begaan van de regels betreffende de aftrek van de belasting) (...) ;

Zij blijken in dit geval uit het proces-verbaal van 8 en 20 december 2004 (...) en meer bepaald uit de passage waarin staat dat 'de (verweerster) die haar rekeningen per kalenderjaar afsluit en die tijdens de controle van de vennootschap Entreprises Montjardin en Cie ondervraagd werd binnen de gewone verjaringstermijn van drie jaar, op 29 januari 2003 een dossier medegedeeld heeft waaruit volgt dat zij vanaf 1 april 1999 onrechtmatige aftrekken heeft verricht'; het controlecentrum van de administratie van de ondernemings- en inkomstenfiscaliteit Luik I heeft die gegevens als bewijskrachtig beschouwd en op grond daarvan de litigieuze belastingsaftrekken verworpen;

Op te merken valt dat de ambtenaren (van de eiser), nadat de verweerster het dossier op 29 januari 2003 aan de administratie toegezonden had in antwoord op de door de administratie tot haar gerichte vraag om inlichtingen, bij (de verweerster) bijkomende onderzoekshandelingen hebben verricht door ter plaatse controles uit te voeren op 11, 25 maart en 1 april 2003; daarbij vorderden de ambtenaren dat de gehele boekhouding samen met alle boeken, stukken en documenten die de wetgever inzake belasting over de toegevoegde waarde voorschrijft, met inbegrip van die welke op de litigieuze infrastructuurwerken betrekking hebben, aan de controlerende ambtenaren zouden voorgelegd worden; (...) eerst richtte de bevoegde BTW-administratie op 8 juli 2003 aan (de verweerster) een staat tot regularisatie van de uitgaande verrichtingen (overtreding van artikel 2 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde betreffende de verrichtingen die in het wetboek aangegeven worden maar waarop de belastingplichtige geen belasting verschuldigd is) na met name tegen (de verweerster) in een synthesenota van 22 april 2003 het volgende te hebben aangevoerd: ‘de vennootschap Entreprise Montjardin en Cie heeft zich ertoe verbonden om de bedragen die (de verweerster) voor de infrastructuurwerken betaald had aan haar terug te storten door middel van de prijs van de verkoop van de eerste percelen en zulks tot de volledige afbetaling van de uitgekeerde geldsommen. Vervolgens zal alleen Entremo het bedrag van de verkoopprijzen ontvangen. De terugbetaling van de kosten van de infrastructuurwerken aan (de verweerster) nam een aanvang op 1 december 1999 en eindigde op 13 mei 2002. De verschillende terugbetalingen die gebeurd zijn bij het verlijden van de authentieke akten voor de notaris en die de tegenprestatie vormen voor de uitgevoerde infrastructuurwerken zijn door (de verweerster) nergens gefactureerd aan Entremo. Als een dienstverstrekking in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het wetboek moet evenwel worden beschouwd elke verrichting die betrekking heeft op een werk aan een onroerend goed. Op voornoemde, in België gedane dienstverstrekkingen die onder bezwarende titel zijn verricht was belasting over de toegevoegde waarde verschuldigd';

Op 25 oktober 2004 of meer dan 21 maanden na het antwoord op de vraag om inlichtingen van [10 januari 2003] zond de belastingadministratie aan (de verweerster) een tweede regularisatiestaat die de oorspronkelijke verving en ditmaal de binnenkomende verrichtingen regulariseerde: ‘de rol van (de verweerster) in die verrichting was beperkt tot de financiering ervan en tot supervisie op die werken. De vennootschap Montjardin en Cie verbond zich immers ertoe aan de (verweerster) de bedragen terug te storten die laatstgenoemde voor haar rekening betaald had tot de volledige afbetaling van de uitgekeerde geldsommen, door middel van de prijs van de verkoop van de eerste percelen van die verkaveling. Die terugbetaling (uitsluitend financiële verrichting) is wel degelijk gebeurd zoals overeenkomen was. De belastingplichtige mag de door hem verschuldigde belasting aftrekken wanneer, in de normale en gewone gang van zaken, de goederen en de diensten die hij ontvangt zullen aangewend worden voor de verrichtingen bedoeld in artikel 45, § 1, 1° tot 5°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde. Wanneer, zoals te dezen,vaststaat dat de goederen en diensten op het ogenblik dat ze worden geleverd en verleend niet voor dat doel worden aangewend, mag de belasting erop niet in aftrek worden gebracht';

De overige termijnen voor de invordering van de belasting (en meer bepaald de buitengewone termijn die reeds verlengd was in geval van bedrog) kunnen slechts een nuttige uitwerking krijgen als de gegevens uit zichzelf bewijskrachtig zouden zijn, zonder bijkomend onderzoek en niet pas bewijskrachtig worden na een controle die dezelfde administratie achteraf uitvoert met gebruikmaking van die gegevens (...); in de bovenvermelde omstandigheden heeft de belastingadministratie de litigieuze belastingen niet geregulariseerd op basis van bewijskrachtige gegevens waarvan zij kennis gekregen heeft in de zin van artikel 81bis, § 1, derde lid, 3°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde zodat de in die bepaling bedoelde zevenjarige termijn van invordering niet kan worden toegepast".

Grieven

Artikel 81bis, §1, eerste lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde zoals het van toepassing was ten tijde van de feiten, bepaalt dat er voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten verjaring is na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.

Het derde lid, 3° voegt daar evenwel het volgende aan toe: "in afwijking van het eerste en tweede lid is de bedoelde verjaring er bovendien na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan wanneer (...) bewijskrachtige gegevens, waarvan de administratie kennis heeft gekregen, aantonen dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België of dat er belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die daarop van toepassing zijn".

Eerste onderdeel

Opdat de in die bepaling bedoelde zevenjarige verjaringstermijn van toepassing zou zijn is het nodig maar voldoende dat "bewijskrachtige gegevens" aantonen dat belastbare handelingen niet werden aangegeven of dat er onrechtmatige aftrekken werden toegepast tijdens die periode. De wet vereist evenwel niet dat de bewijskrachtige gegevens waarvan de BTW-administratie kennis heeft gekregen op zich en onmiddellijk alle informatie zouden bevatten die nodig is voor de vaststelling van de ontdoken belasting of van die welke op onrechtmatige wijze is afgetrokken zodat de administratie voor de toepassing van artikel 81bis, § 1 de inlichtingen die zij verkrijgt na zelf onderzoek te hebben verricht, niet zou mogen gebruiken als aanvullende bewijskrachtige gegevens. De tekst van de wet staat haar immers toe om zich te vergewissen van de juistheid van de gegevens die zij voldoende belangrijk vindt door bijkomend onderzoek te verrichten waardoor die gegevens het onbetwistbaar bewijskrachtig karakter krijgen in de zin van de wet.

Het bestreden arrest dat beslist dat de bewijskrachtige gegevens waarvan de administratie kennis gekregen heeft "onmiddellijk en door vergelijking met de aangifte van de belastingplichtige, zonder diepgaander onderzoek of ondervraging van de belastingplichtige" moeten aantonen dat de regels inzake de aftrekbaarheid van de belasting over de toegevoegde waarde zijn overtreden en dat beslist dat zij niet het voorwerp kunnen uitmaken van bijkomend onderzoek of "van een controle die dezelfde administratie achteraf uitvoert met gebruikmaking van die gegevens", voegt bijgevolg in strijd met de wet een voorwaarde toe voor de toepassing van de verlengde termijn van verjaring van de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de geldboeten, en schendt artikel 81bis, § 1, derde lid, 3°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.

...

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het middel van niet-ontvankelijkheid, door de verweerster tegen het cassatieberoep aangevoerd: het cassatieberoep is te laat ingesteld:

Terwijl het bestreden arrest op verzoek van de verweerster aan de eiser is betekend op 2 maart 2011, is het verzoekschrift houdende het cassatieberoep, op de griffie van het Hof neergelegd op vrijdag 3 juni 2011.

Aangezien krachtens artikel 53, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek de vervaldag, als die een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, verplaatst wordt op de eerstvolgende werkdag, en die dag hier samenvalt met Hemelvaartsdag, die in 2011 op donderdag 2 juni gevierd wordt, is het cassatieberoep ingesteld binnen de termijn bedoeld in artikel 1073, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek.

Het middel van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

(...)

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 81bis, § 1, eerste en tweede lid, Btw-wetboek zoals het van toepassing was op de feiten, verjaart de vordering tot voldoening van de belasting, van de interest en van de administratieve geldboeten na het verstrijken van het derde kalenderjaar of, ingeval van overtreding van de artikelen 70 en 71 die gepleegd is met het bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, na het verstrijken van het vijfde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.

Artikel 81bis, § 1, derde lid, 3°, Btw-wetboek in dezelfde versie bepaalt dat, in afwijking van het eerste en tweede lid, de bedoelde verjaring er bovendien is na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer bewijskrachtige gegevens, waarvan de administratie kennis heeft gekregen, aantonen dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België of dat er belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die daarop van toepassing zijn.

Die bepaling veronderstelt dat de administratie van de aldaar bedoelde bewijskrachtige gegevens kennis gekregen heeft binnen de verjaringstermijn van drie of van vijf jaar die verlengd wordt als dergelijke gegevens worden ontdekt.

Zij sluit daarentegen niet uit dat die gegevens bijkomend onderzoek vereisen met het oog op de vaststelling van de belastbare handelingen of van de onrechtmatige aftrekken die ten gevolge van die gegevens aan het licht komen.

Het bestreden arrest stelt vast dat de administratie van de door de eiser aangevoerde bewijskrachtige gegevens kennis gekregen heeft op 29 januari 2003 en dat het litigieuze dwangbevel is uitgevaardigd op 15 december 2004.

Het beslist dat "bij ontstentenis van enig, door [de eiser] aangevoerd bedrog", "de vordering tot voldoening [...] op 1 januari 2003 verjaard was voor de facturen die in 1999 waren opgemaakt en op 1 januari 2004 voor de facturen die in 2000 waren opgemaakt".

Het bestreden arrest beslist, gelet op het tijdstip waarop de administratie kennis gekregen heeft van de bewijskrachtige gegevens, weliswaar terecht om de termijn van zeven jaar niet toe te passen op de belasting waarvan de oorzaak van opeisbaarheid teruggaat tot in 1999, maar het verantwoordt daarentegen de beslissing om die termijn niet toe te passen op de belasting waarvan de oorzaak van opeisbaarheid dagtekent van 2000 niet naar recht met de in het antwoord op het tweede onderdeel weergegeven redenen.

Het onderdeel dat voor het overige niet ontvankelijk is bij gemis aan belang, is in zoverre gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de vordering tot voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde die van de in 2000 opgemaakte facturen werd afgetrokken verjaard verklaart en in zoverre het uitspraak doet over de kosten.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Martine Regout, Alain Simon, Gustave

Steffens en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 27 april 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Invordering

  • Termijnen

  • Verjaringen

  • Onregelmatige aangiften of aftrekken

  • Bewijskrachtige gegevens

  • Gegevens waarvan de administratie kennis gekregen heeft

  • Tijdstip

  • Gevolg

  • Bijkomende onderzoekingen