- Arrest van 2 mei 2012

02/05/2012 - P.12.0020.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De vergoeding die verschuldigd is aan de pleger van een voortdurend misdrijf waarover met vertraging uitspraak is gedaan, bestaat niet in het verbod om een einde te stellen aan de wederrechtelijke toestand die is kunnen blijven bestaan door de tijd die de strafvordering heeft gekost.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0020.F

P. S.,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

J.-L. A., gemachtigd ambtenaar bij de directie Stedenbouw en Ruimtelijke Ordening van de provincie Luxemburg,

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, correctionele kamer, van 6 december 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing die, op de strafvordering die tegen de eiser is ingesteld wegens overtreding van artikel 154, eerste lid, 3°, van het Waals Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie, uitspraak doet over de schuldvraag en de straf

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing die, op de strafvordering die tegen de eiser is ingesteld, uitspraak doet over het door de verweerder geëiste herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand

De eiser voert aan dat aangezien het hof van beroep heeft vastgesteld dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 21ter Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, overschreden is, het hof het door de gemachtigd ambtenaar gevorderde herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand niet meer kon bevelen.

De vergoeding die verschuldigd is aan de pleger van een voortdurend misdrijf waarover met vertraging uitspraak is gedaan, bestaat niet in het verbod om een einde te stellen aan de wederrechtelijke toestand die is kunnen blijven bestaan door de tijd die de strafvordering heeft gekost.

In strijd met wat de eiser aanvoert, kan uit het feit dat het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand een "strafbaar feit" is in de zin van artikel 6 EVRM, niet worden afgeleid dat die herstelmaatregel niet meer kan bevolen worden omdat de redelijke termijn is overschreden.

Die overschrijding kan niet tot gevolg hebben dat een toestand die in strijd is met de goede ruimtelijke ordening blijft voortduren omdat ten gunste van de overtreder het recht ontstaat om definitief het voordeel ervan te behouden.

Het middel faalt naar recht.

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare rechtszitting van 2 mei 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van eerste voorzitter Etienne Goethals en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Voortdurend misdrijf

  • Strafvordering

  • Redelijke termijn

  • Overschrijding

  • Vergoeding