- Arrest van 2 mei 2012

02/05/2012 - P.12.0667.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De staat van wettelijke herhaling is een persoonlijke omstandigheid die de straf kan verzwaren tot boven het bij de wet gestelde maximum, en die in bepaalde gevallen de uitspraak van een terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank kan rechtvaardigen (1); krachtens de wet verkeert de veroordeelde hierdoor automatisch in een ongunstiger positie dan de persoon die voor de eerste keer in aanraking komt met het gerecht, wat betreft het eventuele verkrijgen zowel van de door de strafuitvoeringsrechtbank toegekende uitvoeringsmodaliteiten van de straf als van het herstel in eer en rechten (2). (1) De wet van 26 april 2007, die in werking is getreden op 1 januari 2012, heeft “terbeschikkingstelling van de regering” vervangen door “terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank”. (2) Zie Cass. 25 april 2001, AR P.01.0111.F, AC 2008, nr. 231.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0667.F.-

M. V. D. B.,

Mr. Marko Obradovic, advocaat bij de balie te Nijvel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank te Brussel van 30 maart 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Afdelingsvoorzitter Frédéric Close heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

De staat van wettelijke herhaling is een persoonlijke omstandigheid die de straf kan verzwaren tot boven het bij de wet gestelde maximum, en die in bepaalde gevallen de uitspraak van een terbeschikkingstelling van de regering kan rechtvaardigen. Bovendien verkeert de veroordeelde hierdoor automatisch in een ongunstiger positie dan de persoon die voor de eerste keer in aanraking komt met het gerecht, wat betreft het eventuele verkrijgen zowel van uitvoeringsmodaliteiten van de straf die door de strafuitvoeringsrechtbank worden toegekend als van het herstel in eer en rechten.

Herhaling kan alleen blijken door de vaststelling dat er een veroordeling bestaat met kracht van gewijsde.

Eensdeels, terwijl de straf en het eventuele uitstel specifiek vermeld moeten worden in het beschikkend gedeelte, geldt zulks niet voor de vaststelling van de staat van herhaling die blijkt uit de beslissing van de rechter, ongeacht de plaats ervan in het vonnis of arrest.

Anderdeels, buiten het geval waarin herhaling leidt tot strafverzwaring of tot toevoeging aan de straf van een terbeschikkingstelling van de regering, verplicht artikel 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering de rechter niet om de wetsbepaling te vermelden die de staat van herhaling kenmerkt.

Het vonnis of arrest dient evenwel klaar en duidelijk de wil van de rechter te vermelden om een veroordeling uit te spreken in staat van wettelijke herhaling, zodat de beklaagde en het openbaar ministerie dadelijk de volledige omvang van de veroordeling kunnen inschatten.

Uit de artikelen 2, 7°, en 25, § 2, b, Wet Strafuitvoering blijkt dat de langere termijn na afloop waarvan de voorwaardelijke invrijheidstelling aan een recidiverende veroordeelde kan worden toegekend, een wettelijk bepaalde herhaling inhoudt die blijkt uit de uitdrukkelijke verwijzing naar de veroordeling die de basis ervan vormt.

Uit het eensluidend uittreksel van het vonnis van de correctionele rechtbank te Nijvel van 1 februari 2010, dat zich in het dossier bevindt, blijkt dat het de aan de eiser ten laste gelegde feiten bewezen heeft verklaard en dat die feiten, die gepleegd zijn tussen 9 en 17 juli 2009, daarin omschreven werden, zoals de bestreden beslissing vaststelt, "met de omstandigheid dat [de eiser] de feiten heeft gepleegd nadat hij op 3 juni 2009 bij vonnis van de correctionele rechtbank te Brussel dat op het ogenblik van de nieuwe feiten kracht van gewijsde bezat, was veroordeeld tot vijftien maanden gevangenisstraf wegens het bezit van verdovende en psychotrope middelen, welke straf nog niet is ondergaan of verjaard".

Zoals de strafuitvoeringsrechtbank tevens zegt in haar vonnis, voegt het veroordelend vonnis daaraan toe dat die ten laste gelegde feiten gestraft worden op grond van de bepalingen die in de vordering tot verwijzing zijn vermeld, waarin met name artikel 56, tweede lid, Strafwetboek vermeld wordt.

De strafuitvoeringsrechtbank die uitdrukkelijk verwijst naar de veroordeling waarop de wettelijke herhaling is gegrond, en die, met overneming van vroeger vermelde bepalingen, naar de wettekst verwijst die daarin voorziet, beslist naar recht dat de door de eiser ondergane straf hem was opgelegd in de staat van herhaling, zoals bedoeld in artikel 56, tweede lid, Strafwetboek, zodat het voorstel tot voorwaardelijke invrijheidstelling voorbarig blijkt.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare rechtszitting van 2 mei 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Luc Van hoogenbemt en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Wettelijke herhaling

  • Begrip

  • Persoonlijke omstandigheid

  • Gevolgen

  • Strafuitvoering