- Arrest van 3 mei 2012

03/05/2012 - C.10.0301.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het arrest dat oordeelt dat de toetsing door het hof van beroep van de door de C.B.F.A goedgekeurde prijs enkel mogelijk is in het raam van een rechtsmiddel dat ook gericht is tegen de beslissing van de C.B.F.A tot goedkeuring van het prospectus, schendt het artikel 121, §1, 1° en 2° van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, en het artikel 21(20), tweede lid, van de wet van 22 april 2003 betreffende de openbare aanbiedingen van effecten (1). (1) Zoals te dezen van toepassing. Het O.M. concludeerde tot verwerping van het enig middel tot cassatie op grond dat alle (zes) onderdelen ervan op een onjuiste lezing of interpretatie berusten en het middel aldus in zijn totaliteit feitelijke grondslag mist.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0301.N

E G,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 6000 Charleroi, rue de l'Athenée 9, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

GDF SUEZ sa, met zetel te 75008 Parijs (Frankrijk), rue de la Ville d'Evêque 16,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 24 december 2009.

Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid

De verweerster werpt tegen het middel in zijn geheel een grond op van niet-ontvankelijkheid: het middel vertoont geen belang omdat de beslissing ook steunt op de niet-bekritiseerde reden dat het hof van beroep geen prijsbepaling in de plaats van de CBFA zou kunnen stellen.

De eiser die aanvoert dat het hof van beroep bij de beoordeling van de voorgestelde biedprijs over de volle rechtsmacht dient te beschikken, bekritiseert ook de door de verweerster bedoelde redengeving.

De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

Gegrondheid

Tweede onderdeel

Krachtens artikel 121, § 1, 1° en 2°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, zoals te dezen van toepassing, is elke beslissing die wordt genomen door de CBFA met betrekking tot een openbaar uitkoopbod, vatbaar voor beroep bij het hof van beroep te Brussel, tenzij de beslissing niet bindend is, indien zij geen wijziging van de juridische status van de eiser meebrengt, of indien het beroep tegen deze beslissing uitgesloten is door een andere wettelijke bepaling.

Krachtens het toepasselijke artikel 21 (20), tweede lid, van de wet van 22 april 2003 betreffende de openbare aanbiedingen van effecten kan geen hoger beroep worden ingesteld tegen de beslissing van de CBFA tot goedkeuring van het prospectus.

De appelrechters beslissen dat de vordering van de eiser moet worden verworpen omdat de rechtspleging waarbij de door de CBFA goedgekeurde prijs ter discussie wordt gesteld, niet beperkt kan blijven tot een geschil waarbij enkel de bieder en de aandeelhouders partij zijn in het geding, maar dat ook de beslissing van de CBFA dient te worden bestreden.

Door aldus te oordelen dat de toetsing door het hof van beroep van de door de CBFA goedgekeurde prijs enkel mogelijk is in het raam van een rechtsmiddel dat ook gericht is tegen de beslissing van de CBFA tot goedkeuring van het prospectus, schendt het arrest de vermelde wetsbepalingen.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Overige grieven

De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het de vordering van de eiser ontvankelijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel, anders samengesteld.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, raadsheer Eric Stassijns, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, en de raadsheren, Beatrijs Deconinck en Geert Jocqué, en op de openbare rechtszitting van 3 mei 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Commissie voor het bank-, financie- en assurantiewezen

  • Openbaar uitkoopbod

  • Beslissing tot goedkeuring van het prospectus

  • Rechtsmiddel