- Arrest van 8 mei 2012

08/05/2012 - P.11.1814.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Hij die beweert door een misdaad of een wanbedrijf benadeeld te zijn, kan zich burgerlijke partij stellen, zowel voor de onderzoeksrechter als voor het onderzoeksgerecht, zonder dat hij in die stand van de rechtspleging het bewijs hoeft te leveren van de schade, van haar omvang en van het oorzakelijk verband ervan met het aan de verdachte ten laste gelegde misdrijf; evenwel moet de beweerde benadeelde, wil zijn burgerlijke partijstelling ontvankelijk zijn, zijn bewering omtrent de schade die hij door het misdrijf zou hebben geleden aannemelijk maken (1). (1) Cass. 3 april 2007, AR P.07.0041.N, AC 2007, nr. 168.


Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1814.N

J.-M. d. M.,

burgerlijke partij,

eiser,

met als raadsman mr. Alain De Jonge, advocaat bij de balie te Brussel,

tegen

A. J. G. L.,

inverdenkinggestelde,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 25 oktober 2011.

In een memorie, die aan dit arrest is gehecht, dient de eiser een verzoek tot wraking in en voert hij drie middelen aan.

Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Verzoek tot wraking

1. Het verzoek strekt tot de wraking van "elke magistraat die sedert de aanvang van huidig geding aanwezig was op de diverse Te Deum's in de afgelopen periode van 2 november 2010 tot de dag van de uitspraak": de leden van het Hof wonen de jaarlijkse Te Deum's bij, waardoor zij op kosten van de verweerder ontvangen worden of geschenken van hem ontvangen; dit is een reden tot wraking als bedoeld in artikel 828, 11°, Gerechtelijk Wetboek waardoor de rechters zich met toepassing van artikel 831 van hetzelfde wetboek van de zaak moeten onthouden; aldus rijst er eveneens een schijn van objectieve partijdigheid die strijdig is met artikel 6.1 EVRM.

2. Bij arrest van heden heeft het Hof een verzoek van de eiser met hetzelfde voorwerp afgewezen.

Het verzoek heeft bijgevolg geen bestaansredenen meer.

Eerste middel

3. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 828, 11°, en 831 Gerechtelijk Wetboek: de appelrechters hebben nagelaten zich te onthouden in de zaak te zetelen; nochtans heeft de eiser in conclusie de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechters van de kamer van inbeschuldigingstelling in twijfel getrokken daar zij de jaarlijkse Te Deum's bijwonen en aldus blijk geven van vooringenomenheid, minstens een schijn creëren van een gebrek aan onafhankelijkheid en onpartijdigheid.

4. Het arrest oordeelt: "Indien de [eiser] het [hof van beroep] partijdig vindt of minstens dat het [hof van beroep] een schijn van partijdigheid liet of laat blijken, stond het hem vrij in limine litis een wrakingsprocedure in te stellen, hetgeen hij niet heeft gedaan." Die reden, waartegen het middel niet opkomt, draagt het oordeel dat er voor de rechters geen reden bestaat zich te onthouden.

Het middel, al was het gegrond, kan niet leiden tot cassatie en is bijgevolg niet ontvankelijk.

Tweede middel

5. Het middel voert schending aan van artikel 63 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiser niet aannemelijk maakt dat hij schade heeft geleden en onderzoekt eisers schade enkel in verband met de artikelen 443 en 444 Strafwetboek, maar niet in functie van artikel 21 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie (hierna Anti-discriminatiewet); in zijn klacht heeft de eiser duidelijk gemaakt waarin zijn persoonlijke schade bestaat; uit de omstandigheid dat eisers rechtstoestand ongewijzigd is, dat hij steeds getrouwd is met de partner van zijn keuze, dat de uitspraken van de verweerder niet geleid hebben tot een degradatie van zijn burgerlijke rechten en dat nergens wordt aangegeven dat hij ten gevolge van de uitlatingen moreel of fysiek nadeel zou hebben geleden, kan het arrest niet wettig afleiden dat de eiser geen schade ondervindt; door zijn homofobe verklaringen, creëert de verweerder een voor de homoseksualiteit vijandige sfeer die de aanvaarding van die seksualiteit tegengaat en waarin de eiser die homoseksueel is, als minderwaardig en problematisch wordt beschouwd; daardoor is de eiser aan de publieke verachting blootgesteld zoals, onder meer, blijkt uit een anonieme brief; ten slotte toetst het arrest ook de verklaringen van de verweerder aan de vrijheid van meningsuiting, zonder dat de eiser de gelegenheid gekregen heeft daarover zijn standpunt uiteen te zetten.

6. Het middel preciseert niet welke de wettelijke vereisten zijn van artikel 21 Anti-discriminatiewet waaraan eisers burgerlijke partijstelling voldoet en die het arrest niet onderzoekt.

In zoverre is het middel onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

7. Hij die beweert door een misdaad of een wanbedrijf benadeeld te zijn, kan zich burgerlijke partij stellen, zowel voor de onderzoeksrechter als voor het onderzoeksgerecht, zonder dat hij in die stand van de rechtspleging het bewijs hoeft te leveren van de schade, van haar omvang en van het oorzakelijk verband ervan met het aan de verdachte ten laste gelegde misdrijf. Evenwel moet de beweerde benadeelde, wil zijn burgerlijke partijstelling ontvankelijk zijn, zijn bewering omtrent de schade die hij door het misdrijf zou hebben geleden aannemelijk maken.

8. Het onderzoeksgerecht oordeelt onaantastbaar of de schade die de benadeelde beweert te ondergaan aannemelijk is, wat het kan afleiden uit zijn vaststelling dat de beweerde benadeelde geen schade heeft geleden of heeft kunnen lijden omdat de aangevoerde schade niet reëel noch persoonlijk is. Het Hof gaat enkel na of het onderzoeksgerecht uit de door hem vastgestelde feitelijke gegevens geen gevolgen trekt die ermede geen verband houden of met het begrip schade onverenigbaar zijn.

9. Het arrest oordeelt :

- in casu werd de eiser nooit bij naam genoemd of aangeduid in de uitspraken van de verweerder;

- de eiser heeft geen concrete indicaties over de voor hem reële persoonlijke morele of materiële schade noch over de concrete negatieve gevolgen die hij in zijn dagelijks leven zou ondervinden door de algemene uitspraken van de inverdenkinggestelde over homoseksualiteit;

- een louter subjectief gevoelen beledigd te zijn door de uitspraken van een persoon is nog niet voldoende om te spreken van een morele of materiële schade in de zin van de wet of om deze aannemelijk te maken.

10. Met die redenen trekt het arrest uit de vaststellingen die het doet geen gevolgen die daarmede geen verband houden of met het begrip schade onverenigbaar zijn. Het beperkt zijn onderzoek niet tot het nagaan van de wettelijke vereisten van de artikelen 443 en 444 Strafwetboek. Op grond van die redenen oordeelt het arrest integendeel naar recht dat de eiser niet aannemelijk maakt dat hij ingevolge de verklaringen van de verweerder een persoonlijke en reële schade heeft geleden.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

11. De voormelde redenen dragen de beslissing dat de burgerlijke partijstelling niet ontvankelijk is.

In zoverre het middel opkomt tegen het oordeel dat "er anders over oordelen (...) overigens de vrijheid van meningsuiting zou uithollen", komt het op tegen een overtollige reden en is het niet ontvankelijk.

12. Voor het overige onderzoekt het middel inhoudelijk de geïncrimineerde verklaringen van de verweerder en preciseert het waarin de door de eiser beweerde schade bestaat om daaruit af te leiden dat het arrest ten onrechte oordeelt dat hij die schade niet aannemelijk maakt.

Aldus komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling in feite van het tegendeel door het arrest of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

In zoverre is het middel evenmin ontvankelijk.

Derde middel

13. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 61quinquies, 235 en 235bis Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat het bevelen van bijkomende onderzoekshandelingen in het kader van de procedure bepaald bij artikel 235bis Wetboek van Strafvordering niet kan; door de toepassing van dat artikel en de onttrekking van de zaak aan de onderzoeksrechter, heeft de eiser geen inzage kunnen hebben in het dossier en heeft hij de mogelijkheid niet gehad overeenkomstig artikel 61quinquies Wetboek van Strafvordering een verzoek tot het stellen van onderzoekshandelingen in te dienen, waardoor zijn recht van verdediging, minstens de wapengelijkheid tussen de partijen is miskend; daarenboven wordt de toepassing van artikel 235 Wetboek van Strafvordering niet uitgesloten door de toepassing van artikel 235bis van dat wetboek.

14. Het arrest (ro 3.1) stelt vast dat de burgerlijke partij inmiddels inzage van het dossier heeft gekregen.

In zoverre het middel aanvoert dat de eiser door de toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering die inzage niet heeft kunnen hebben, komt het op tegen die vaststelling en is het niet ontvankelijk.

15. Het arrest oordeelt dat "bijkomende onderzoeksdaden (...) in het kader van de huidige procedure niet (kunnen) worden gevraagd." Aldus geeft het arrest de reden aan waarom het niet ingaat op eisers verzoek bijkomende onderzoekshandelingen te bevelen.

In zoverre mist het middel evenzeer feitelijke grondslag.

16. Artikel 235bis Wetboek van Strafvordering geeft de kamer van inbeschuldigingstelling de bevoegdheid om hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van het openbaar ministerie of van de partijen, de regelmatigheid van de haar voorgelegde procedure te onderzoeken. Deze wetsbepaling verleent dit onderzoeksgerecht geen bevoegdheid om in het kader van die rechtspleging bijkomende onderzoekshandelingen te bevelen.

17. De omstandigheid dat het openbaar ministerie met toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering de kamer van inbeschuldigingstelling gevraagd heeft de ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling te onderzoeken, verhinderde de eiser niet om de onderzoeksrechter met toepassing van artikel 61quinquies Wetboek van Strafvordering te verzoeken bijkomende onderzoekshandelingen te stellen. Zolang de kamer van inbeschuldigingstelling geen uitspraak gedaan had over die ontvankelijkheid, was de onderzoeksrechter steeds met de zaak gelast en bijgevolg bevoegd om uitspraak te doen over dergelijk verzoek.

18. Daarenboven, eens de kamer van inbeschuldigingstelling heeft geoordeeld dat de burgerlijke partijstelling niet ontvankelijk is, was een verzoek tot het bevelen van bijkomende onderzoekshandelingen doelloos geworden zodat er geen gevolg diende aan gegeven te worden.

19. Hieruit volgt dat het arrest dat, uitspraak doende met toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering, oordeelt dat bijkomende onderzoekshandelingen in het kader van die procedure niet kunnen worden gevraagd, noch eisers recht van verdediging noch de wapengelijkheid miskent.

In zoverre kan het middel niet aangenomen worden.

20. Het arrest oordeelt niet dat de toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering de toepassing van artikel 235 van dat wetboek uitsluit.

In zoverre het middel uitgaat van het tegendeel, mist het middel feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 72,93 euro waarvan 42,93 euro verschuldigd is.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Etienne Goethals, en de raadsheren Paul Maffei, Geert Jocqué, Filip Van Volsem en Alain Bloch, en op de openbare rechtszitting van 8 mei 2012 uitgesproken door eerste voorzitter Etienne Goethals , in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Burgerlijke partijstelling