- Arrest van 8 mei 2012

08/05/2012 - P.11.2150.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het recht op bijstand van een advocaat is verbonden met de cautieplicht, het zwijgrecht en het verbod iemand te verplichten zichzelf te incrimineren; deze rechten gelden in personam, zodat een derde zich niet kan beroepen op de miskenning van die rechten betreffende de belastende verklaringen, afgelegd lastens hem door een verdachte of beklaagde, die voor hem slechts een getuige is (1). (1) Cass. 29 nov. 2011, AR P.11.0113.N, AC 2011, nr. 651 met concl. O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.2150.N

I en II

D.-N. D.,

beklaagde, aangehouden,

eiser,

met als raadsman mr. Emmanuel Verhaest, advocaat bij de balie te Brugge, met kantoor te 8400 Oostende, Archimedesstraat 7, waar de eiser woonplaats kiest.

III en IV

M. T.,

beklaagde, aangehouden,

eiser,

met als raadsman mr. Kim Martens, advocaat bij de balie te Brugge, met kantoor te 8200 Brugge (Sint-Andries), Pastoriestraat 137 bus 6, waar de eiser woonplaats kiest,

alle cassatieberoepen tegen

A. D.,

burgerlijke partij,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 17 november 2011.

De eiser I-II doet afstand van het cassatieberoep I.

De eiser I-II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

De eiser III-IV voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep IV

1. In strafzaken kan een partij, behoudens het in artikel 40, vierde lid, Taalwet Gerechtszaken bepaalde geval en het geval van regelmatige afstand, zich geen tweemaal tegen dezelfde beslissing in cassatie voorzien.

Het door de eiser III-IV op 2 december 2011 aangetekende cassatieberoep is niet ontvankelijk.

Eerste middel van de eiser III-IV

2. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM: de eiser werd in deze zaak politioneel verhoord zonder bijstand van een advocaat en zonder dat hij op zijn zwijgrecht werd gewezen; hij deed geen afstand van zijn recht op bijstand van een advocaat; dat volstaat op zich om te besluiten tot een schending van artikel 6 EVRM; miskenning van het recht op bijstand leidt tot bewijsuitsluiting van de zonder bijstand van een raadsman afgelegde verklaringen; het arrest had alle aan de politiediensten zonder bijstand van een raadsman afgelegde verklaringen uit het debat moeten weren, met inbegrip van die welke in dezelfde omstandigheden werden afgelegd door medebeklaagden; het arrest had zich niet mogen beperken tot het weren van de zonder bijstand van een raadsman afgelegde politionele verklaringen vooraleer de beklaagden voor de onderzoeksrechter zijn verschenen; het arrest had ook de verklaringen of andere gegevens die volgen uit de zonder bijstand van een raadsman afgelegde incriminerende verklaringen van de eiser en van de medebeklaagden moeten weren; het arrest had dan ook enkel rekening mogen houden met de voor de onderzoeksrechter afgelegde verklaringen van de drie beklaagden, waar zij wel bijstand van een raadsman genoten; op grond van die verklaringen is niet afdoende bewezen dat de eiser zich aan het feit A heeft schuldig gemaakt.

3. Het recht op bijstand van een advocaat is verbonden met de cautieplicht, het zwijgrecht en het verbod iemand te verplichten zichzelf te incrimineren. Deze rechten gelden in personam. Een derde kan zich niet beroepen op de miskenning van die rechten betreffende de belastende verklaringen, afgelegd lastens hem door een verdachte of een beklaagde, die voor hem slechts een getuige is.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt in zoverre naar recht.

4. Het zwijgrecht en het recht op bijstand van een raadsman, zoals gewaarborgd door artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, vereisen niet dat een door de onderzoeksrechter aangehouden inverdenkinggestelde die ter gelegenheid van de voorafgaande ondervraging door de onderzoeksrechter op zijn zwijgrecht werd gewezen en die dan bijstand genoot van een raadsman, tijdens de periode van voorlopige hechtenis bij elk navolgend verhoor door de politie omtrent dezelfde feiten telkens opnieuw op zijn zwijgrecht wordt gewezen en bijstand van een raadsman geniet. De ter gelegenheid van de voorafgaande ondervraging in acht genomen cautieplicht en bijstand van een raadsman in combinatie met de rechten die een aangehouden inverdenkinggestelde geniet, zoals het onmiddellijk vrij verkeer met zijn advocaat overeenkomstig de artikelen 20, § 1 en § 5, Voorlopige Hechteniswet, de terbeschikkingstelling van het dossier met het oog op de verschijning voor het onderzoeksgerecht overeenkomstig artikel 21, § 3, Voorlopige Hechteniswet, de aanwezigheid van de raadsman van de inverdenkinggestelde bij de samenvattende ondervraging bepaald in artikel 22, derde lid, Voorlopige Hechteniswet en de rechten waarvan de inverdenkinggestelde krachtens de artikelen 61ter, 61quater, 61quinquies, 136 en 235bis Wetboek van Strafvordering geniet, waarborgen afdoende zijn recht op een eerlijk proces.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt in zoverre naar recht.

5. Voor het overige blijkt uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet dat de eiser voor de appelrechters heeft aangevoerd dat die geen rekening mochten houden met de gegevens afgeleid uit de door de eiser aan de politie zonder bijstand van een raadsman afgelegde verklaringen, vooraleer hij door de onderzoeksrechter werd gehoord.

Het middel is in zoverre nieuw en niet ontvankelijk.

Tweede middel van de eiser III-IV

6. Het middel voert schending aan van artikel 375 Strafwetboek: het arrest veroordeelt de eiser ten onrechte voor het feit A, aangezien geenszins het bewijs is geleverd van de afwezigheid van toestemming door het slachtoffer; de afwezigheid van toestemming kan niet worden afgeleid uit de diverse voor de onderzoeksrechter afgelegde verklaringen noch uit de verklaringen van het slachtoffer.

7. Het middel komt op tegen het onaantastbaar oordeel van de rechter over de feiten of verplicht het Hof tot een onderzoek van feiten, waartoe het niet bevoegd is.

Het middel is niet ontvankelijk.

Derde middel van de eiser III-IV

8. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM: het arrest verantwoordt eisers schuldigverklaring aan het feit A niet naar recht; op basis van de dossiergegevens had het moeten oordelen dat er twijfel bestond over de afwezigheid van toestemming door het slachtoffer.

9. Het middel dat formeel een wetsschending aanvoert, komt in werkelijkheid op tegen het onaantastbaar oordeel van de rechter over de feiten of verplicht het Hof tot een onderzoek van feiten, waartoe niet het bevoegd is.

Het middel is niet ontvankelijk.

Middel van de eiser I-II

10. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: het arrest grondt ten onrechte eisers schuldigverklaring aan de telastlegging A op verklaringen die hij, navolgend aan het verhoor door de onderzoeksrechter, heeft afgelegd aan de politie zonder bijstand van een raadsman en zonder dat hij uitdrukkelijk werd geïnformeerd over zijn rechten met inbegrip van het zwijgrecht; het arrest had die verklaringen uit het debat moeten weren; die rechten moeten immers bij elk verhoor worden gerespecteerd.

11. Het middel heeft een gelijkaardige strekking als het eerste middel van de eiser III-IV.

Het kan om de daar vermelde redenen niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verleent akte van de afstand van het cassatieberoep I.

Verwerpt de overige cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoepen.

Bepaalt de kosten in het geheel op 203,14 euro waarvan de eisers elk 101,57 euro verschuldigd zijn.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Etienne Goethals, en de raadsheren Geert Jocqué, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 8 mei 2012 uitgesproken door eerste voorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Recht van verdediging

  • Recht op bijstand van advocaat

  • Zwijgrecht

  • Cautieplicht

  • Draagwijdte

  • Beklaagde die belastende verklaringen aflegt over een derde

  • Toepasselijkheid