- Arrest van 8 mei 2012

08/05/2012 - P.12.0664.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de samenhang van de artikelen 168 Gerechtelijk Wetboek en 207, eerste lid, en 423, eerste lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat de griffier niet alleen de rechter bijstaat, maar op eigen initiatief ook andere opdrachten te vervullen heeft; daartoe behoort, ingeval van hoger beroep, het in staat stellen van het dossier dat hij doet toekomen aan het openbaar ministerie, dat verantwoordelijk is voor de overmaking ervan aan de griffie van het hof van beroep en dit dient beschouwd te worden als een administratieve aangelegenheid.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0664.N

C. M.,

verzoeker tot wraking,

eiser,

met als raadsman mr. Joris Van Cauter, advocaat bij de balie te Gent.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, burgerlijke kamer, van 22 maart 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Alain Bloch heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 782 Gerechtelijk Wetboek: het arrest is niet zichtbaar ondertekend door raadsheer B. W.; boven zijn naam staat enkel een dun kronkelend streepje dat niet als handtekening is te identificeren.

2. Uit het arrest blijkt dat de naam en hoedanigheid van de ondertekenaar vermeld staan, zodat er geen twijfel is over de identiteit van de ondertekenaar.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Tweede middel

3. Het middel voert schending aan van de artikelen 165, 166, 167 en 168 Gerechtelijk Wetboek: de algemene regel is dat de griffier de magistraat bijstaat in alle verrichtingen van zijn dienst; het behoort niet tot de taken van de griffier om geheel onafhankelijk, op eigen initiatief en zonder medeweten van de magistraat, een dossier te verzenden naar het hof van beroep; het arrest beschouwt ten onrechte de overzending van het dossier aan de griffie van het hof van beroep als een administratieve aangelegenheid die behoort tot de taken van de (hoofd)griffier en waar de rechters geen uitstaans mee hebben.

4. Artikel 168 Gerechtelijk Wetboek bepaalt onder meer: "De griffier oefent een gerechtelijke functie uit. Hij vervult de griffietaken en staat de magistraat bij als griffier in alle verrichtingen van diens ambt."

Artikel 207, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt: "Het verzoekschrift, indien het op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg is ingediend, en de stukken worden door de procureur des Konings aan de griffie van het hof waarvoor het beroep gebracht zal worden, gezonden binnen de vierentwintig uren na de verklaring op de griffie of na de afgifte van de betekening van het beroep."

Bij gebrek aan een specifiek procedurevoorschrift geldt artikel 423, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, ook voor het hoger beroep; dit artikel bepaalt: "Binnen de vijf dagen na het verstrijken van de termijn van vijftien dagen [...], doet de griffier de processtukken, de verzoekschriften van de partijen indien zij er ingediend hebben en de uitgifte van het bestreden arrest of vonnis toekomen aan de magistraat belast met het openbaar ministerie."

5. Uit de samenhang van deze bepalingen volgt dat de griffier niet alleen de rechter bijstaat, maar op eigen initiatief ook andere opdrachten te vervullen heeft. Daartoe behoort, ingeval van hoger beroep, het in staat stellen van het dossier dat hij doet toekomen aan het openbaar ministerie, die verantwoordelijk is voor de overmaking ervan aan de griffie van het hof van beroep.

6. De appelrechters beschouwen dit met recht een administratieve aangelegenheid.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt het naar recht.

Derde middel

7. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 828,1°, Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter en het algemeen beginsel van het vermoeden van onschuld: het arrest oordeelt dat er openheid was omdat de e-mail van de secretaris van het federaal parket aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en de procureur des Konings werd gezonden; nochtans behandelen zij de zaak niet; de eiser die wel een partij is, werd daarentegen niet ingelicht; dit maakt wettige verdenking uit.

8. Het arrest oordeelt niet alleen dat de openheid blijkt uit de vaststelling dat de e-mail ook werd toegestuurd aan de voorzitter van de rechtbank, de procureur des Konings en de zittingsgriffier, maar ook dat er geen sprake is van heimelijkheid, "aangezien voormelde e-mails deel uitmaken van het strafdossier, zodat de verdachten en hun advocaten er kennis konden van nemen."

9. Het middel mist feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 33,53 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Etienne Goethals en de raadsheren Geert Jocqué, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 8 mei 2012 uitgesproken door eerste voorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Strafzaken

  • Bevoegdheid

  • Opdrachten uit eigen initiatief

  • Hoger beroep

  • In staat stellen en overzenden van het dossier

  • Aard