- Arrest van 8 mei 2012

08/05/2012 - P.11.1908.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Een voertuig dat zich niet bevindt in een woning of aanhorigheden ervan waar een huiszoeking regelmatig wordt uitgevoerd, kan enkel het voorwerp uitmaken van een doorzoeking door een politieambtenaar wanneer deze daartoe opdracht gekregen heeft van de onderzoeksrechter, mits uitdrukkelijke toestemming van de eigenaar, bestuurders en passagiers, of, onverminderd andere hier niet toepasselijke wetsbepalingen, in de gevallen en mits naleving van de voorwaarden bepaald in artikel 29 Wet Politieambt, dat bepaalt dat de politieambtenaren kunnen overgaan tot het doorzoeken van een voertuig indien zij, op grond van de gedragingen van de bestuurder of de passagiers, van materiële aanwijzingen of van omstandigheden van tijd en plaats, redelijke gronden hebben te denken dat het voertuig werd gebruikt, wordt gebruikt of zou kunnen worden gebruikt om een misdrijf te plegen, om opgespoorde personen of personen die aan een identiteitscontrole willen ontsnappen, een schuilplaats te geven of te vervoeren, of om een voor de openbare orde gevaarlijk voorwerp, overtuigingstukken of bewijsmateriaal in verband met een misdrijf op te slaan of te vervoeren; daarentegen volstaat het niet dat de eigenaar van het voertuig geen protest, verzet of aanmerking uit opdat de politieambtenaren geldig zouden overgaan tot de doorzoeking.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1908.N

I

R. L. M. P.,

inverdenkinggestelde.

eiser,

met als raadsman mr. Michaël Verstraeten, advocaat bij de balie te Gent.

II

M. G. J. A. C.,

inverdenkinggestelde,

eiseres,

met als raadsman mr. Dominique Blommaert, advocaat bij de balie te Brussel.

III

1. E. M. W.,

inverdenkinggestelde,

eiseres,

met als raadsman mr. Carlos Teurelincx, advocaat bij de balie te Antwerpen,

2. L. W.,

inverdenkinggestelde,

eiseres,

met als raadsman mr. Carlos Teurelincx, advocaat bij de balie te Antwerpen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep van de eiser I is gericht tegen het arrest nr. 4216 (folio 2475) van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 27 oktober 2011.

Het cassatieberoep van de eiseres II is gericht tegen het arrest nr. 4218 (folio 2477) van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 27 oktober 2011.

De cassatieberoepen van de eiseressen III.1 en III.2 zijn gericht tegen het arrest nr. 4217 (folio 2476) van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 27 oktober 2011.

In afzonderlijke memories die aan dit arrest zijn gevoegd, voeren de eiser I en de eiseres II elk acht middelen aan en de eiseres III,1 en III.2 elk zeven gelijkluidende middelen aan.

Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de memories

1. De eerste memorie van de eiseres II is getekend mr. Céline Van Camp (loco) Dominique Blommaert en de memories van de eiseressen III.1 en III.2 zijn getekend Mr. Céline Van Camp loco (Gent) mr. Carlos Teurelincx, zonder vermelding van de hoedanigheid van de ondertekenaar.

Die memories zijn niet ontvankelijk.

2. De tweede memorie van de eiseres II werd per fax gestuurd aan de procureur-generaal die ze overgemaakt heeft aan de griffie van het Hof. Dergelijke memorie, die geen originele handtekening bevat, is evenmin ontvankelijk.

Eerste middel van de eiser I

Eerste onderdeel

3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 135 Wetboek van Strafvordering: het arrest beantwoordt eisers verweer niet dat de huiszoekingen die aan de basis van het onderzoek liggen, onregelmatig zijn.

4. In zijn voor de kamer van inbeschuldigingstelling neergelegde conclusie heeft de eiser aangevoerd dat de uitgevoerde huiszoekingen onregelmatig zijn onder meer omdat:

- de huiszoekingen werden uitgevoerd met schending van de artikelen 37 en 39 Wetboek van Strafvordering, daar de aangehouden verdachte niet aanwezig was bij de inbeslagname en de in beslag genomen stukken hem niet werden vertoond en hem niet gevraagd werd de stukken te paraferen, bij het beslag geen proces-verbaal werd opgesteld met inventaris van de in beslag genomen stukken; in de later opgestelde processen-verbaal werden de in beslag genomen voorwerpen en documenten niet geïndividualiseerd en van het proces-verbaal werd geen kopie aan de eiser overhandigd;

- de huiszoekingen een schending uitmaken van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM daar zij niet overeenkomstig de wet uitgevoerd werden;

- de huiszoekingen een schending uitmaken van artikel 8 EVRM daar door de bijzondere brede omschrijving van de feiten waarvoor de huiszoekingen werden bevolen, de controle op de omvang van de huiszoekingen onmogelijk was; evenmin was er een beperking met betrekking tot de in beslag te nemen stukken;

- de uitvoering van de huiszoekingen een schending uitmaken van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR, alsmede van diverse bepalingen van de Wet Politieambt .

5. Het arrest nr. 4216 oordeelt: "De onderzoeksrechter heeft in het raam van zijn dossier 2001/005 op regelmatige wijze beschikkingen tot huiszoekingen verleend bij [de eiseressen III.1 en III.2 en bij [de eiser I]; de betrokken processen-verbaal werden door de onderzoeksrechter conform artikel 56, § 1, zesde lid, Wetboek van Strafvordering op 1 februari 2005 aan de procureur des Konings medegedeeld, die hem bij vordering van 24 februari 2005 en bijkomende vordering van 28 april 2006 gelast heeft een gerechtelijk onderzoek te voeren naar de feiten die het voorwerp uitmaken van onderhavig dossier." Het oordeelt ook: "Overigens heeft het [hof van beroep] reeds vastgesteld in zijn arrest dd. 11 mei 2004, gewezen op grond van artikel 136 Wetboek van Strafvordering in het raam van het dossier 2001/005 (...) dat het gerechtelijk onderzoek, met inbegrip van de door de onderzoeksrechter gelegde beslagen, door geen enkele onregelmatigheid, verzuim of nietigheid als bedoeld in artikel 131, § 1, Wetboek van Strafvordering behept is; bovendien, in het raam van haar ambtshalve toezicht, stelt [de kamer van inbeschuldigingstelling] vast dat onderhavig onderzoek evenmin met enige onregelmatigheid, verzuim of nietigheid is aangetast."

6. Met die redenen beantwoordt het arrest niet het bedoelde verweer.

Het onderdeel is gegrond.

Zesde middel van de eiser I

7. Het middel voert schending aan van artikel 29 Wet Politieambt: het arrest oordeelt dat de doorzoeking van het voertuig van de eiseres III.1 regelmatig is daar deze geen enkel bezwaar, protest of aanmerking heeft geuit; het proces-verbaal van doorzoeking bevat geen aanwijzing dat het voertuig werd gebruikt of kon gebruikt worden voor één van de redenen opgesomd in artikel 29 Wet Politieambt; het niet uiten van een bezwaar, protest, verzet of aanmerking, is geen toestemming noch een aanwijzing als bedoeld in die wetsbepaling.

8. Een voertuig dat zich niet bevindt in een woning of aanhorigheden ervan waar een huiszoeking regelmatig wordt uitgevoerd, kan enkel het voorwerp uitmaken van een doorzoeking door een politieambtenaar wanneer deze daartoe opdracht gekregen heeft van de onderzoeksrechter, mits uitdrukkelijke toestemming van de eigenaar, bestuurders en passagiers, of in de gevallen en mits naleving van de voorwaarden bepaald in artikel 29 Wet Politieambt, onverminderd andere hier niet toepasselijke wetsbepalingen.

9. Artikel 29 Wet Politieambt bepaalt dat de politieambtenaren kunnen overgaan tot het doorzoeken van een voertuig indien zij, op grond van de gedragingen van de bestuurder of de passagiers, van materiële aanwijzingen of van omstandigheden van tijd en plaats, redelijke gronden hebben te denken dat het voertuig werd gebruikt, wordt gebruikt of zou kunnen worden gebruikt om een misdrijf te plegen, om opgespoorde personen of personen die aan een identiteitscontrole willen ontsnappen, een schuilplaats te geven of te vervoeren, of om een voor de openbare orde gevaarlijk voorwerp, overtuigingstukken of bewijsmateriaal in verband met een misdrijf op te slaan of te vervoeren.

Daarentegen volstaat het niet dat de eigenaar van het voertuig geen protest, verzet of aanmerking uit opdat de politieambtenaren geldig zouden overgaan tot de doorzoeking.

10. Met de redenen die het bevat stelt het arrest niet vast dat de politieambtenaren redelijke gronden hadden zoals bedoeld in artikel 29 Wet Politieambt om het voertuig te doorzoeken, noch dat dit voertuig zich bevond in de aanhorigheden van de woning waar een huiszoeking werd uitgevoerd, noch dat de politieambtenaren van de onderzoeksrechter opdracht gekregen hadden om dat voertuig te doorzoeken, noch dat de eiseres III.1 uitdrukkelijk haar toestemming voor de doorzoeking heeft verleend. Het oordeelt enkel dat de eiseres III.1 geen bezwaar, protest of aanmerking heeft geuit met betrekking tot de doorzoeking van haar voertuig en tot de documenten die erin gevonden werden zodat die doorzoeking regelmatig was. Aldus is de beslissing niet naar recht verantwoord.

Het middel is gegrond.

Eerste ambtshalve middel

Geschonden wettelijke bepaling:

- artikel 135, § 2, Wetboek van Strafvordering

11. In hun voor de kamer van inbeschuldigingstelling neergelegde conclusie hebben de eiseressen II, III.1 en III.2 aangevoerd dat de uitgevoerde huiszoekingen onregelmatig zijn onder meer omdat:

- de huiszoekingen werden uitgevoerd met schending van de artikelen 37 en 39 Wetboek van Strafvordering, daar de verdachten niet aanwezig waren bij de inbeslagname en de in beslag genomen stukken hen niet werden vertoond en hen niet gevraagd werd de stukken te paraferen, bij het beslag geen proces-verbaal werd opgesteld met inventaris van de in beslag genomen stukken; in de later opgestelde processen-verbaal werden de in beslag genomen voorwerpen en documenten niet geïndividualiseerd en van het proces-verbaal werd geen kopie aan de eiseressen overhandigd;

- de huiszoekingen een schending uitmaken van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM daar zij niet overeenkomstig de wet uitgevoerd werden;

- de huiszoekingen een schending uitmaken van artikel 8 EVRM daar door de bijzondere brede omschrijving van de feiten waarvoor de huiszoekingen werden bevolen, de controle op de omvang van de huiszoekingen onmogelijk was; evenmin was er een beperking met betrekking tot de in beslag te nemen stukken;

- de uitvoering van de huiszoekingen een schending uitmaken van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR, alsmede van diverse bepalingen van de Wet Politieambt.

De arresten 4217 en 4218 oordelen elk: "De onderzoeksrechter heeft in het raam van zijn dossier 2001/005 op regelmatige wijze beschikkingen tot huiszoekingen verleend bij [de eiseres III.1] en bij [de eiser I]; de betrokken processen-verbaal werden door de onderzoeksrechter conform artikel 56, § 1, zesde lid, Wetboek van Strafvordering op 1 februari 2005 aan de procureur des Konings medegedeeld, die hem bij vordering van 24 februari 2005 en bijkomende vordering van 28 april 2006 gelast heeft een gerechtelijk onderzoek te voeren naar de feiten die het voorwerp uitmaken van onderhavig dossier." Ze oordelen ook: "Overigens heeft het [hof van beroep] reeds vastgesteld in zijn arrest dd. 11 mei 2004, gewezen op grond van artikel 136 Wetboek van Strafvordering in het raam van het dossier 2001/005 (...) dat het gerechtelijk onderzoek, met inbegrip van de door de onderzoeksrechter gelegde beslagen, door geen enkele onregelmatigheid, verzuim of nietigheid als bedoeld in artikel 131, § 1, Wetboek van Strafvordering behept is; bovendien, in het raam van haar ambtshalve toezicht, stelt [de kamer van inbeschuldigingstelling] vast dat onderhavig onderzoek evenmin met enige onregelmatigheid, verzuim of nietigheid is aangetast."

12. Met die redenen beantwoorden die arresten niet het bedoelde verweer.

Tweede ambtshalve middel

Geschonden wettelijke bepaling:

- artikel 29 Wet Politieambt

13. De arresten 4217 en 4218, oordelen enkel dat de eiseres III.1 geen bezwaar, protest of aanmerking heeft geuit met betrekking tot de doorzoeking van haar voertuig BMW en tot de documenten die erin gevonden werden zodat die doorzoeking regelmatig was.

14. Op grond van de redenen vermeld in het antwoord op het zesde middel van de eiser I, zijn die beslissingen niet naar recht verantwoord.

Overige grieven

15. De grieven kunnen niet leiden tot cassatie zonder verwijzing en behoeven bijgevolg geen antwoord.

Omvang van de cassatie

16. De hierna uit te spreken vernietiging van de beslissingen waarbij de arresten uitspraak doen met toepassing van artikel 135 Wetboek van Strafvordering, brengt de vernietiging met zich mee van de beslissingen van die arresten waarbij de hogere beroepen, in zoverre gericht tegen de beslissingen waarbij de verwijzingsbeschikking oordeelt dat er ten aanzien van de eisers voldoende bezwaren bestaan en hen naar de correctionele rechtbank verwijst, niet ontvankelijk verklaart, gelet op het nauwe verband tussen die beslissingen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt de bestreden arresten.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde arresten.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de zaken naar het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld.

Bepaalt de kosten in het geheel op 862,20 euro waarvan de eisers I, II en III elk 287,40 euro verschuldigd zijn.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Etienne Goethals, en de raadsheren Paul Maffei, Geert Jocqué, Filip Van Volsem en Alain Bloch, en op de openbare rechtszitting van 8 mei 2012 uitgesproken door eerste voorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Politie

  • Doorzoeking van een voertuig

  • Regelmatigheid