- Arrest van 14 mei 2012

14/05/2012 - C.09.0271.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Vermoedens zijn een middel om een ongekend feit te bewijzen; de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek, die dit bewijsmiddel regelen, houden geen verband met het oordeel van de rechter over het bestaan van een fout.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.09.0271.F

J. K.,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. STAD HOEI,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie.

2. J.M.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis dat op 8 oktober 2008 in hoger be-roep is gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Hoei.

De zaak is bij beschikking van 19 april 2012 van de eerste voorzitter verwezen naar de derde kamer.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert de volgende drie middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1349, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 149 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis, dat uitspraak doet over de rechtsvordering die de eiser heeft ingesteld tegen de verweerster en die ertoe strekt haar te doen veroordelen om hem een bedrag van 18.690,46 euro te betalen, vermeerderd met de interest en de kosten, beslist, met wijziging van het beroepen vonnis van 8 september 2005, dat zowel de heer N., chauffeur in dienst van de eiser, als de eerste verweerster voor het ongeval aansprakelijk zijn, om alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd en meer bepaald om de redenen die worden vermeld onder de titel "Voorwerp van de zaak en voorafgaande rechtspleging":

"Op 25 september 2001, rond 10.30 uur, reed een van de chauffeurs van (de eiser) te Hoei, in de ... straat, aan het stuur van een vrachtwagen met oplegger, waarop zich een graafmachine bevond;

Die chauffeur verklaart dat hij, toen hij ter hoogte van huisnummer 46 reed, licht naar rechts is uitgeweken om een links geparkeerde wagen te ontwijken, dat hij op dat ogenblik een geluid heeft gehoord en dat hij, na te zijn gestopt, vastgesteld heeft dat de cabine van de graafmachine die hij vervoerde, was afgerukt door een over de rijbaan hangende boomtak;

Uit de vaststellingen van de verbalisanten die zich naar de plaats van het ongeval hadden begeven met het oog op het strafrechtelijk vooronderzoek dat na de feiten was ingesteld, uit de in het debat gebrachte gegevens en uit de onderzoeksmaatregelen van de politierechtbank, die kennisgenomen heeft van (eisers) vordering tot schadevergoeding, volgt dat :

- de boom waarvan een tak de graafmachine (van de eiser) heeft geraakt, al decennia lang in de haag van (verweerders) pand stond, op de plaats van het ongeval, aan de rand van de rijbaan;

- het gedeelte van de boom dat over de rijbaan hing, 3,92 meter hoog was;

- het voertuig dat voortgetrokken werd door de chauffeur van (de eiser), wegens de graafmachine, 4 meter hoog was;

- (de verweerder) reeds op 25 maart 2001 de dienst voor openbare werken attent had gemaakt op het feit dat de litigieuze boom het verkeer begon te hinderen en dat hij, na het vellen van de boom door die dienst (omdat hij het niet aandurfde dat in zijn eentje te doen), ermee akkoord ging dat al het snoeiafval in zijn wei werd achtergelaten en dat hij het zelf zou opruimen;

- de chauffeur van de vrachtwagen verklaard heeft dat hij, op het ogenblik van de feiten, met een snelheid van ongeveer 10 tot 15 km per uur reed en dat de boom hem niet was opgevallen toen hij de plaats van het ongeval naderde",

en uit de redenen die worden vermeld onder de titel "Discussie":

"De eerste rechter (...) heeft terecht en om oordeelkundige redenen beslist dat zowel de chauffeur van de vrachtwagen als de (verweerster) voor het ongeval aansprakelijk waren;

Toch moet worden geoordeeld dat de chauffeur van de vrachtwagen grotendeels aansprakelijk is, aangezien:

- de feiten overdag hebben plaatsgevonden en de hindernis die door de over de berm hangende boomtak gevormd werd, zeer goed zichtbaar was;

- de chauffeur, indien hij stapvoets had gereden toen hij naar rechts uitweek, het gebladerte slechts licht had geraakt en aldus had kunnen voorkomen dat de boomtak de cabine van de door hem vervoerde graafmachine had afgerukt;

Gelet op de zwaarwichtigheid van de respectieve fouten, is de rechtbank van oordeel dat [de eiser] voor twee derde aansprakelijk moet worden gesteld en dat de (verweerster) voor het resterende derde aansprakelijk is".

Het arrest neemt ook de redenen van de eerste rechter over:

"Uit het onderzoek van de door de verbalisanten genomen foto blijkt dat het punt waar de cabine van de graafmachine door de boomtak werd geraakt, zich ongeveer op de grens tussen de rijbaan en de berm bevindt;

Tijdens zijn verhoor door de verbalisanten heeft de heer N. het volgende verklaard:

‘Toen ik ter hoogte van huisnummer 46 in de ...straat reed, zag ik links een bestelwagen geparkeerd staan; ik heb hem ontweken door licht naar rechts uit te wijken. Toen heb ik een geluid gehoord. Ik ben meteen gestopt en ik heb vastgesteld dat de cabine van de graafmachine was afgerukt. Ik heb op dat ogenblik gemerkt dat ik een tak van een boom had geraakt';

Tijdens zijn verhoor onder ede is de heer N., de aangestelde van de eiser, niet meer op dat uitwijkmanoeuvre ingegaan maar heeft hij verklaard dat hij reed met een snelheid van 10 tot 15 kilometer per uur;

Hij verklaart: ‘Die boom is mij niet opgevallen. Er staan zowat overal bomen maar ze zijn meestal voldoende gesnoeid om het verkeer niet te hinderen';

Discussie

Wat betreft de aansprakelijkheid van de heer N.

De heer N. reed voor rekening van zijn werkgever met een vrachtwagen en oplegger, waarop een graafmachine was geplaatst;

De graafmachine bevond zich op een hoogte van 4 meter; die hoogte is de som van de hoogte van de graafmachine en van de oplegger waarop ze was vastgemaakt;

Zoals uit de foto van de verbalisanten blijkt, werd de heer N., die uiterst rechts van de rijbaan en misschien voor een stuk over de berm reed om een geparkeerd voertuig te ontwijken, geconfronteerd met een weelderige vegetatie die afkomstig was van essen naast de rijbaan;

Toen de heer N. met die hindernis geconfronteerd werd, had hij uiterst voorzichtig moeten zijn, hetzij door zoveel mogelijk van de rechterkant van de rijbaan weg te blijven, hetzij door stapvoets te rijden en zich ervan te vergewissen dat de cabine van de graafmachine niet in aanraking kwam met de vele boomtakken die over de rijbaan hingen;

De heer N. reed op het ogenblik van de feiten kennelijk met een snelheid die niet aan die omstandigheden was aangepast en heeft zich zonder bijzondere voorzorg in die vegetatie ‘gewaagd'.

Indien hij stapvoets had gereden, met een snelheid van niet meer dan 4 of 5 kilometer per uur, had hij zijn voertuig tot stilstand kunnen brengen en had hij in elk geval kunnen voorkomen dat de cabine door de schok werd afgerukt".

Grieven

(...)

Tweede onderdeel

Het bestreden vonnis stelt vast dat de hindernis die de graafmachine heeft geraakt, een boomtak was en dat het gedeelte van de boom dat over de rijbaan hing 3,92 meter hoog was, terwijl het voertuig 4 meter hoog was. Het bestreden vonnis, dat beslist dat, indien de chauffeur stapvoets had gereden, hij het gebladerte slechts licht had geraakt en dat hij aldus had kunnen voorkomen dat de cabine werd afgerukt, maakt zodoende uit de door hem vastgestelde feiten gevolgtrekkingen die op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord, aangezien de snelheid van de vrachtwagen geen invloed kan hebben op de hoogte van de tak. Het bestreden vonnis miskent bijgevolg het wettelijk begrip "feitelijk vermoeden" (artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek) en, derhalve, het begrip "fout" (artikelen 1382 en 1383 van datzelfde wetboek).

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

(...)

Tweede onderdeel

Vermoedens zijn een middel om een ongekend feit te bewijzen.

De artikelen 1349 en 1353 Burgerlijk Wetboek, die dit bewijsmiddel regelen, houden geen verband met het oordeel van de rechter over het bestaan van een fout.

De vermeende schending van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek is voor het overige volledig afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van de andere, in dit onderdeel bedoelde wettelijke bepalingen.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Sylviane Velu, Alain Simon et Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 14 mei 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal met op-dracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Middel om een ongekend feit te bewijzen

  • Bewijs van een fout

  • Beoordeling

  • Onderscheid