- Arrest van 14 mei 2012

14/05/2012 - C.10.0284.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het opzettelijk feit van de verzekerde, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, is een verval in de zin van artikel 87, § 2, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0284.F

AG INSURANCE nv,

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. V. M., e.a.,

de eerste, derde en vierde verweerders, Mr. Isabelle Heenen, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 20 januari 2010 van het hof van beroep te Brussel.

De zaak is bij beschikking van 19 april 2012 van de eerste voorzitter verwezen naar de derde kamer.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert de volgende twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 8, eerste lid, 86 en 87, § 1 en 2, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst.

Aangevochten beslissingen

Het arrest, dat vaststelt dat [de eiseres] aan haar verzekerde, (hier de tweede verweerster), "het verval van recht wegens opzettelijk schadegeval" mag tegenwerpen en dus "mag weigeren haar persoonlijke schade te vergoeden", verklaart vervolgens de rechtsvorderingen van de personen die het slachtoffer zijn geworden van de door haar verzekerde opzettelijk veroorzaakte brand niettemin gegrond en veroordeelt de eiseres om hen verschillende vergoedingen te betalen, vermeerderd met de compensatoire interest en met de kosten van de twee instanties, om de volgende redenen:

"Het wordt niet betwist dat de verzekeringsovereenkomsten ‘brand' en ‘burgerrechtelijke gezinsaansprakelijkheid' die [de tweede verweerster] bij [de ei-seres] is aangegaan, geen verplichte verzekeringen zijn;

Artikel 87, § 2, van de wet van 25 juni 1992, dat eveneens door [de eiseres] wordt aangevoerd, bepaalt dat de verzekeraar, bij die overeenkomsten, aan de benadeelde slechts ‘de excepties, de nietigheid en het verval van recht voortvloeiend uit de wet of de overeenkomst kan tegenwerpen voor zover deze hun oorzaak vinden in een feit dat het schadegeval voorafgaat';

De rechter heeft beslist dat de alcoholintoxicatie die oorzaak of medeoorzaak is van een ongeval, geen feit is dat aan het schadegeval voorafgaat waardoor de verzekeraar de excepties, de nietigheid en het verval van recht, voortvloeiend uit de wet of de overeenkomst, aan de benadeelde kan tegenwerpen (Cass., 24 oktober 2000, R.G.A.R., 2002, 16636 ; 25 mei 2007, R.D.C., 2008, 764) ;

Hieruit moet, mutatis mutandis, worden afgeleid dat te dezen het feit dat [de tweede verweerster] de gaskraan heeft opengedraaid om haar leven te beëindigen, geen exceptie is die kan worden tegengeworpen aan de benadeelde derden en die haar oorzaak vindt in een feit dat aan het schadegeval voorafgaat;

De weigering van [de eiseres] om die derden, die hun rechtstreekse vordering uitoefenen, te vergoeden, is dus niet gegrond".

Grieven

Volgens artikel 8, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, kan de verzekeraar, niettegenstaande enig andersluidend beding, niet verplicht worden dekking te geven aan degene die het schadegeval opzettelijk heeft veroorzaakt.

Artikel 87, § 1, eerste lid, bepaalt dat, bij de verplichte burgerrechtelijke aansprakelijkheidsverzekeringen, de excepties, de nietigheid en het verval van recht voortvloeiend uit de wet of de overeenkomst en die hun oorzaak vinden in een feit dat zich voor of na het schadegeval heeft voorgedaan, aan de benadeelde niet kunnen worden tegengeworpen.

Artikel 87, § 2, voegt hieraan toe dat de verzekeraar, voor de andere soorten burgerrechtelijke aansprakelijkheidsverzekeringen, slechts de excepties, de nietigheid en het verval van recht voortvloeiend uit de wet of de overeenkomst aan de benadeelde kan tegenwerpen voor zover deze hun oorzaak vinden in een feit dat aan het schadegeval voorafgaat.

Hoewel de alcoholintoxicatie van [de tweede verweerster] inderdaad geen feit is dat aan het schadegeval voorafgaat en de excepties, de nietigheid en het verval van recht voortvloeiend uit de wet of de overeenkomst te dezen dus niet aan de schadelijders [hier de verweerders] tegengeworpen kunnen worden, is het daarentegen niet naar recht verantwoord, zoals het arrest, te beslissen dat de eiseres aan de benadeelde derden niet mag tegenwerpen dat het schadegeval opzettelijk werd veroorzaakt door [de tweede verweerster] en dat zij hen moet vergoeden, op grond dat het feit dat de tweede verweerster de gaskraan heeft opengedraaid om haar leven te beëindigen, een exceptie is in de zin van artikel 87,

§ 2, die, aangezien ze haar oorzaak niet vindt in een aan het schadegeval voorafgaand feit, aan de benadeelden niet kan worden tegengeworpen.

Artikel 8, eerste lid, van de wet van 25 juni 1993, dat bepaalt dat de verzekeraar niet verplicht kan worden dekking te verlenen aan degene die de schade opzettelijk heeft veroorzaakt, betekent dat het schadegeval niet gedekt wordt door de overeenkomst van burgerrechtelijke aansprakelijkheid die de pleger van het opzettelijke feit heeft gesloten of, met andere woorden, dat er geen verzekering bestaat voor een opzettelijk veroorzaakt schadegeval.

Het ontbreken van dekking of van verzekering mag niet worden verward met "de excepties, de nietigheid en het verval van recht" voortvloeiend uit de wet of de overeenkomst die, volgens artikel 87, § 1 en 2, van de wet van 25 juni 1992, niet aan de benadeelde kunnen worden tegengeworpen.

De uitsluiting van dekking, waarin artikel 8, eerste lid, voorziet bij een opzettelijk veroorzaakte schadegeval, heeft betrekking op een geval waarop de ver-zekeringsovereenkomst niet van toepassing is, terwijl een nietigheid of een verval van recht een geval betreft waarop de verzekeringsovereenkomst normaal gezien van toepassing is doch geen aanleiding geeft tot dekking.

De bewoordingen van artikel 8, eerste lid, laten hierover niet de minste twijfel bestaan, daar de verzekeraar, die niet verplicht is dekking te verlenen "aan [degene] die het schadegeval opzettelijk heeft veroorzaakt", niet tegelijkertijd verplicht kan worden diens aansprakelijkheid te dekken, dat wil zeggen dat hij niet verplicht kan worden de door het schadegeval benadeelde derden te vergoeden.

Indien de verzekeraar niet verplicht is zijn dekking te verlenen aan degene die het schadegeval opzettelijk heeft veroorzaakt, bestaat er en kan er in werkelijkheid geen andere begunstigde van de dekking bestaan dan de persoon die het feit opzettelijk heeft veroorzaakt. Als er geen dekking bestaat, kan er geen begunstigde van de dekking bestaan.

Degene die het feit opzettelijk heeft veroorzaakt (hier de tweede verweerster) moet met andere woorden als enige aansprakelijk worden gesteld voor de schade die hij door zijn daad aan derden heeft toegebracht. De eiseres kon aan de benadeelde derden de opzettelijke daad van haar verzekerde tegenwerpen, aangezien dat feit niet gedekt was door de verzekeringsovereenkomst van de tweede verweerster.

Het arrest, dat beslist dat de eiseres, om de hierboven aangeklaagde redenen, de slachtoffers van de opzettelijk door de tweede verweerster veroorzaakte brand moet vergoeden, schendt derhalve de in de aanhef van het middel aangegeven wettelijke bepalingen, meer bepaald artikel 8, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Luidens artikel 8, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekerings-overeenkomst kan de verzekeraar, niettegenstaande enig andersluidend beding, niet verplicht worden dekking te geven aan degene die het schadegeval opzettelijk heeft veroorzaakt.

Artikel 87, § 2, eerste lid, van die wet bepaalt met betrekking tot de facultatieve burgerrechtelijke aansprakelijkheidsverzekeringen dat de verzekeraar slechts de excepties, de nietigheid en het verval van recht voortvloeiend uit de wet of de overeenkomst aan de benadeelde kan tegenwerpen voor zover deze hun oorzaak vinden in een feit dat het schadegeval voorafgaat.

Het in artikel 8, eerste lid, bedoelde opzettelijk feit van de verzekerde is een ver-val van het recht in de zin van artikel 87, § 2.

Het middel, dat van het tegendeel uitgaat, faalt naar recht.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep;

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Sylviane Velu, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 14 mei 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal met op-dracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Facultatieve verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid

  • Brandverzekering

  • Opzettelijk veroorzaakt schadegeval

  • Verval

  • Verval dat aan de benadeelde derde kan worden tegengeworpen