- Arrest van 14 mei 2012

14/05/2012 - S110011F-S110127N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het openbaar ministerie, dat een rechtstreeks orgaan van de wet is, treedt op in rechte, concludeert en vordert in naam van die wet, zonder dat het gebonden is door de verplichting – die te zijnen aanzien nergens op gebaseerd is – om zich door een ministerieel ambtenaar te laten vertegenwoordigen (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2012, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.11.0011.F

PROCUREUR-GENERAAL HOF VAN BEROEP TE LUIK,

tegen

CENTRE HOSPITALIER RÉGIONAL DE HUY, burgerlijke vennootschap onder de vorm van een cvba,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

Nr. S.11.0127.F

1. B. A., e.a.

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

CENTRE HOSPITALIER RÉGIONAL DE HUY, burgerlijke vennootschap onder de vorm van een cvba.

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

in aanwezigheid van

PROCUREUR-GENERAAL HOF VAN BEROEP TE LUIK.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van 8 november 2010 van het ar-beidshof te Luik.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft op 16 april 2012 een con-clusie neergelegd ter griffie.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in het cassatieverzoekschrift, waarvan een eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan tot staving van het cassatie-beroep, dat op de algemene rol is ingeschreven onder het nummer S.11.0011.F.

De eisers voeren in het cassatieverzoekschrift, waarvan een eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan tot staving van het cassatie-beroep, dat op de algemene rol is ingeschreven onder het nummer S.11.0127.F.

III. BESLISSING VAN HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen hetzelfde arrest, er bestaat grond tot voe-ging.

Het cassatieberoep dat op de algemene rol is ingeschreven onder het nummer S.11.0011.F

Het arrest doet uitspraak op het hoger beroep van de verweerster tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank dat de door de arbeidsauditeur op grond van artikel 138bis, § 2, Gerechtelijk Wetboek tegen haar ingestelde rechtsvordering gegrond verklaart.

Het door de verweerster tegen het cassatieberoep opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid: het verzoekschrift is niet ondertekend door een advocaat bij het Hof van Cassatie:

Het cassatieberoep moet krachtens artikel 1080 Gerechtelijk Wetboek worden in-gesteld bij cassatieverzoekschrift dat, zowel op het afschrift als op het origineel, door een advocaat bij het Hof van Cassatie moet zijn ondertekend.

Die bepaling is niet van toepassing op het openbaar ministerie dat, aangezien het een rechtstreeks orgaan van de wet is, in naam van die wet in rechte optreedt, con-cludeert en vordert, zonder dat het gebonden is door de verplichting - die te zijnen aanzien nergens op gebaseerd is - om zich door een ministerieel ambtenaar te doen bijstaan.

Het middel van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Eerste middel

De door de verweerster tegen het middel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: sommige van de in het middel bekritiseerde redenen zijn over-tollig:

Het onderzoek van de grond van niet-ontvankelijkheid is onlosmakelijk verbonden met dat van het middel.

De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Gegrondheid van het middel

Het arrest verklaart de rechtsvordering ongegrond die de arbeidsauditeur heeft in-gesteld en die ertoe strekt te doen vaststellen dat de verweerster de wetten en ver-ordeningen betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers heeft overtreden door aan haar werknemers, op het ogenblik dat zij van een contractuele naar een statutaire regeling zijn overgegaan, niet de vakantiegelden heeft betaald die zij hun verschuldigd is wanneer de overeenkomst eindigt. Het arrest, dat erkent dat die bedragen verschuldigd waren maar niet zijn uitbetaald, grondt zijn beslissing hierop dat die werknemers, krachtens de wettelijke bepalingen die op hen van toepassing waren, zich in een toestand bevonden die hen "als loontrekkenden op vertrekvakantiegeld en, het jaar daarop, als statutair benoemde personeelsleden op vakantiegeld recht gaf, zodat zij recht hadden op twee keer vakantiegeld voor het-zelfde jaar, zonder dat het bedrag van het tweede vakantiegeld verminderd kon worden tot het bedrag van het eerste", dat "[de verweerster], die, te goeder trouw, [...] getracht heeft de kwadratuur van de cirkel op te lossen, [...] zodoende geen fout heeft begaan en zich kan beroepen op een rechtvaardigingsgrond, met name een onoverkomelijke dwaling; [...] [dat zij] goede gronden had om te geloven dat de overdracht van personeelsleden, die intern is geschied, en door de gewone overgang van het ene statuut naar het andere, op dezelfde wijze geschiedde [als de overdracht van personeelsleden tussen twee werkgevers uit de privésector]"; dat "die oplossing ingegeven kon [...] zijn door een logische redenering en door gezond verstand"; dat "de wetteksten haar geen enkele duidelijke aanwijzing ga-ven" en dat "zelfs een eminente deskundige met de nodige kennis van zaken in een dergelijk geval geen duidelijk advies zou durven geven".

Goede trouw kan enerzijds een rechtvaardigingsgrond opleveren wanneer hij voortvloeit uit onoverkomelijke dwaling.

Dwaling kan anderzijds, in bepaalde omstandigheden, door de rechter als onover-komelijk worden beschouwd, op voorwaarde dat hij uit die omstandigheden kan afleiden dat de persoon die zich in die omstandigheden bevond, gehandeld heeft zoals elke redelijke en voorzichtige persoon dat zou hebben gedaan.

Hoewel de rechter op onaantastbare wijze de omstandigheden vaststelt waarop hij zijn beslissing baseert, gaat het Hof na of hij hieruit wettig het bestaan van een rechtvaardigingsgrond heeft kunnen afleiden.

Uit de omstandigheden die het arrest in aanmerking neemt, heeft het niet wettig het bestaan van een onoverkomelijke dwaling kunnen afleiden; het arrest verant-woordt bijgevolg niet naar recht zijn beslissing dat "het misdrijf niet ten laste kan worden gelegd" en dat "dat het misdrijf jegens [de verweerster] niet bewezen kan worden geacht".

Het middel is gegrond.

Er bestaat geen grond tot onderzoek van het tweede middel, dat niet kan leiden tot ruimere cassatie.

(...)

Dictum

Het Hof,

Voegt de cassatieberoepen die op de algemene rol zijn ingeschreven onder de nummers S.11.0011.F en S.11.0127.F.

Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre dat arrest het hoger beroep van de ver-weerster gegrond verklaart, de rechtsvordering van de arbeidsauditeur verwerpt, behalve in zoverre ze betrekking heeft op de werknemers B. A., e.a. de vorderin-gen tot tussenkomst van de andere werknemers, met uitzondering van L.D., onge-grond verklaart, en uitspraak doet over de kosten, met uitzondering van die welke betrekking hebben op de partijen in het cassatiegeding, wier namen hierboven zijn vermeld.

Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Sylviane Velu, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 14 mei 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal met op-dracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Openbaar ministerie

  • Verzoekschrift niet ondertekend door een advocaat bij het Hof van Cassatie

  • Ontvankelijkheid