- Arrest van 14 mei 2012

14/05/2012 - S.11.0049.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het arbeidshof, dat niet kennisgenomen had van een vordering die gegrond was op de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie, kan zonder bijstand van het openbaar ministerie uitspraak doen over het discriminatoir karakter van een forfaitaire vergoeding die verschuldigd was in geval van miskenning van een beding uit een collectieve arbeidsovereenkomst van 1 februari 2005 dat de werknemer tegen ontslag beschermde.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.11.0049.F

M. H.,

Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

FORTIS BANK nv,

Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. BESTREDEN BESLISSING

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van 8 oktober 2010 van het arbeids-hof te Luik.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 764, eerste lid, 12° (I), zoals het van toepassing was na de inwerkingtreding, op 9 juni 2007, van de wet van 10 mei 2007, 780, eerste lid, 1° en 4°, en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart de hogere beroepen ontvankelijk, verklaart het hoofdberoep zeer gedeeltelijk gegrond, in zoverre er grond bestaat om het referteloon vast te stellen op een bedrag van 77.350,88 euro, veroordeelt de verweerster bijgevolg om aan de eiser een brutobedrag van 193.377,20 euro te betalen als aanvullende opzeggingsvergoeding, na aftrek van de brutobedragen die reeds uit dien hoofde zijn betaald alsook van de eenmalige werkgeverspremie van 15.198,05 euro die is uitbetaald voor de opzeggingsperiode, vermeerderd met de wettelijke interest vanaf 25 mei 2007 en met de gerechtelijke interest, bevestigt het beroepen vonnis voor het overige, verklaart het incidenteel beroep ongegrond en veroordeelt de verweerster om aan de eiser een vergoeding van zevenduizend euro voor de rechtspleging in hoger beroep te betalen.

Het arrest grondt zijn beslissing onder andere op de redenen dat de eiser hoger beroep had ingesteld omdat hij de arbeidsrechtbank met name verweet dat zij beslist had "dat de toepassing van punt 6 van hoofdstuk 2, § 2, van de op 1 februari 2005 gesloten collectieve arbeidsovereenkomst geen discriminatie tot gevolg had, door de in hoofdstuk 2, § 3, van die overeenkomst bedoelde vergoeding niet toe te kennen, hoewel ze bepaalt dat het enige geval waarin de voormalige statutaire werknemers ontslagen kunnen worden, de overeengekomen pensioenleeftijd is, wat een discriminatoir criterium is".

Het arrest stelt vast dat de eiser erop wees dat "die discriminatie, die gebaseerd is op leeftijd, geenszins objectief of redelijkerwijs verantwoord wordt door de aard van de beroepsactiviteit of door de voorwaarden waaronder zij wordt uitgeoefend, en evenmin een of andere ‘essentiële en doorslaggevende vereiste van het beroep vormt', dat "het enige doel dat de bank hiermee beoogt, erin bestaat een maatregel te schrappen die de werknemer tegen ontslag beschermt door, in geval van ontslag, de betaling van een forfaitaire beschermingsvergoeding op te leggen - een vergoeding die al heel lang bestond ten gunste van oudere werknemers met een lange anciënniteit", dat "dit doel niet gewettigd is, vooral omdat het de trouwe werknemers van de onderneming straft", en dat de eiser meende "dat hij recht had op de forfaitaire vergoeding, zoals bepaald in de derde paragraaf van hoofdstuk 2 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 1 februari 2005, aangezien zijn ontslag niet valt onder de gevallen bedoeld in de punten 1 tot 5, en dat punt 6 nietig is", dat "hij dus recht heeft op het geplafonneerde brutobedrag van 293.569,29 euro".

Het arrest verwerpt het middel van de eiser dat betrekking heeft op het discriminatoir karakter van sommige bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst van 1 februari 2005, om de redenen die vermeld worden onder nummer 6.3.1. van het arrest, die hier als weergegeven worden beschouwd, op grond dat "de voormelde bepaling niet discriminatoir is".

Grieven

Het arrest stelt, om de hierboven vermelde redenen en om de redenen vermeld in het antwoord op de middelen van de eiser, vast dat [hij] aanvoerde dat hij, naar aanleiding van zijn ontslag, was gediscrimineerd doordat het gebaseerd was op zijn leeftijd, en dat die discriminatie verboden is door de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding (gewijzigd door de wetten van 9 juli 2004 en 20 juli 2006) en vervolgens door de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie.

De eiser voerde aan dat sommige bepalingen van de in de onderneming gesloten collectieve arbeidsovereenkomst van 1 februari 2005 als gevolg van die ongerechtvaardigde discriminatie nietig waren, overeenkomstig artikel 18 van die wet van 25 februari 2003 of van artikel 15 van die wet van 10 mei 2007, en dat hij bijgevolg recht had op de gevorderde vergoeding.

Op het ogenblik dat de vordering bij dagvaarding werd ingesteld op 17 april 2008 alsook op het ogenblik dat het hoger beroep werd ingesteld op 10 september 2009, was de arbeidsrechtbank bevoegd om kennis te nemen van de geschillen "betreffende discriminatie in de zin van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie, die de arbeidsbetrekkingen betreffen" (artikel 578, 13°, van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij de wet van 10 mei 2007), net zoals die rechtbank, vóór die wijziging door de wet van 10 mei 2007, bevoegd was om kennis te nemen van de geschillen "betreffende de discriminaties, in de zin van de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, die betrekking hebben op de voorwaarden voor toegang tot arbeid in loondienst of onbetaalde arbeid, met inbegrip van de selectiecriteria en de aanstellingscriteria, ongeacht de tak van activiteit en op alle niveaus van de beroepshiërarchie, met inbegrip van de bevorderingskansen, alsook de voorwaarden van werkgelegenheid en de arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van de voorwaarden van ontslag en bezoldiging, zowel in de privé-sector als in de overheidssector, met uitzondering van de betrekkingen die worden geregeld door een statuut van publiek recht" (artikel 578, 13°, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoerd bij de wet van 25 februari 2003).

Overeenkomstig artikel 764, eerste lid, 12° (I), van het Gerechtelijk Wetboek, dat zowel op de datum waarop de rechtsvordering werd ingesteld als op de datum waarop het hoger beroep werd ingesteld van kracht was - waarbij artikel 764 krachtens artikel 1042 van het Gerechtelijk Wetboek in hoger beroep van toepassing is - worden de vorderingen ingesteld op grond van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie, op straffe van nietig-heid, meegedeeld aan het openbaar ministerie.

De rechtsvordering van de eiser, die van de verweerster de betaling van een forfaitaire vergoeding van 293.569,29 euro vorderde die verschuldigd was in geval van niet-naleving van de anti-ontslagmaatregel, was gegrond op de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie.

Artikel 780, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, bepaalt dat het vonnis, op straffe van nietigheid, 1° behalve de gronden en het beschikkende gedeelte, inzonderheid de naam bevat van de magistraat van het openbaar ministerie die zijn advies heeft gegeven, evenals 4° de vermelding van het advies van het openbaar ministerie.

Uit de processtukken blijkt niet dat de zaak werd meegedeeld aan het openbaar ministerie en dat het openbaar ministerie een advies zou hebben gegeven. Het arrest vermeldt de naam niet van de magistraat van het openbaar ministerie die zijn advies zou hebben gegeven en bevat evenmin de vermelding van dat advies.

Het arrest schendt derhalve artikel 764, eerste lid, 12° (I), van het Gerechtelijk Wetboek, zoals het van toepassing was op het tijdstip dat het hoger beroep werd ingesteld en de rechtspleging voor het arbeidshof werd gevoerd, dat wil zeggen na het invoeren van dat artikel bij de wet van 10 mei 2007, en schendt tevens de artikelen 780, eerste lid, 1° en 4°, en 1042 van dat wetboek.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Luidens artikel 764, eerste lid, 12° (I), Gerechtelijk Wetboek, worden, uitgenomen voor de vrederechter, voor de rechter zitting houdend in kort geding en voor de beslagrechter, de vorderingen ingesteld op grond van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie op straffe van nietigheid meegedeeld aan het openbaar ministerie.

Het arrest stelt vast dat het arbeidshof kennisgenomen had van een vordering van de eiser die strekte tot betaling van een forfaitaire vergoeding, die verschuldigd was in geval van schending van een beding uit een collectieve arbeidsovereen-komst van 1 februari 2005 dat de werknemer tegen ontslag beschermde, en dat de eiser aanvoerde dat een beding van die collectieve arbeidsovereenkomst, dat zijn ontslag kon wettigen en het instellen van zijn vordering kon beletten, een discri-minatoire maatregel was die gebaseerd was op leeftijd en die verboden was door de wet van 25 februari 1993 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, en vervolgens door de wet van 10 mei 2007.

Het arbeidshof, dat zonder bijstand van het openbaar ministerie uitspraak heeft gedaan over het discriminatoir karakter van dat beding, heeft niet kennisgenomen van een vordering die gegrond is op de wet van 10 mei 2007 en schendt derhalve de in het middel bedoelde bepalingen niet.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Sylviane Velu, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 14 mei 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal met op-dracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Collectieve arbeidsovereenkomst

  • Forfaitaire vergoeding

  • Vordering tot betaling

  • Vordering waarin een discriminerend beding in die overeenkomst wordt aangeklaagd

  • Wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie op het werk

  • Vordering niet gegrond op die wet

  • Openbaar ministerie

  • Mededeling