- Arrest van 14 mei 2012

14/05/2012 - C.09.0318.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De grond van niet-ontvankelijkheid die tegen een middel wordt opgeworpen en die hieruit is afgeleid dat het zonder belang is, omdat de door dat middel bekritiseerde reden door een andere is vervangen, staat niet los van het onderzoek van het middel en kan dus niet worden aangenomen.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.09.0318.F

GENERALI BELGIUM nv,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

ETHIAS GEMEEN RECHT, onderlinge verzekeringsvereniging,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Nijvel van 19 november 2008.

De zaak is bij beschikking van 1 maart 2012 van de eerste voorzitter verwezen naar de derde kamer.

Afdelingsvoorzitter Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht;

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert de volgende twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 3bis van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector;

- artikel 41, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis veroordeelt de eiseres om aan de verweerster het provisionele bedrag van 23.907,15 euro te betalen, vermeerderd met de compensatoire en gerechtelijke interest, veroordeelt haar in de kosten van de twee instanties en verwerpt bijgevolg de door de eiseres ingestelde tegenvordering, die ertoe strekt de verweerster te doen veroordelen om haar de vergoedingen terug te betalen die zij had uitbetaald voor de maanden maart tot juni 2003, vermeerderd met de compensatoire en gerechtelijke interest, om alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd en inzonderheid om de volgende redenen:

"Wat de omvang van de schade betreft, voert (de eiseres) aan dat de bedragen die (de verweerster) heeft betaald voor de periode na 28 februari 2003, dit is de datum waarop de arbeidsovereenkomst van bepaalde duur had moeten eindigen, niet van haar teruggevorderd kunnen worden, a fortiori omdat de gemeente Ottignies niet het voornemen had die overeenkomst te verlengen.

(De verweerster) bekritiseert het beroepen vonnis, in zoverre de eerste rechter niet heeft geantwoord op het argument dat zij in haar conclusie heeft aangevoerd en dat gegrond is op een arrest van 2 november 2008 (lees: 1998) van het Hof van Cassatie, waarin het hof van beroep de gelegenheid zag om te preciseren dat een overeenkomst van bepaalde duur geen weerslag had op de vergoeding van arbeidsongeschiktheid die het gevolg is van een arbeidsongeval.

In haar appelconclusie voert (de eiseres) aan dat dit arrest van 2 november 1998 van het Hof van Cassatie inzake arbeidsongevallen in de privésector niet op deze zaak van toepassing is (overheidssector).

Het feit dat dit arrest van 2 november 1998 is uitgesproken in een geval waarin de wet van 10 april 1971 op de arbeidsongevallen in de privésector van toepassing was en waar die wet dus niet op dit geval van toepassing is omdat de openbare werkgever niet verplicht is zich tegen arbeidsongevallen te verzekeren, neemt niet weg dat het Hof van Cassatie, in een arrest van 10 oktober 2005, in een vergelijkbaar geval uitspraak heeft gedaan. Het Hof van Cassatie is immers tot de volgende, duidelijke slotsom gekomen:

‘Het personeelslid waarop de wet van 3 juli 1967 van toepassing is, heeft tot de dag van de volledige werkhervatting of van de consolidatie recht op de vergoeding wegens tijdelijke algehele arbeidsongeschiktheid, wanneer vóór de consolidatiedatum de einddatum van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur bereikt is' (...).

In tegenstelling tot wat (de eiseres) beweert, kan laatstgenoemd arrest wel degelijk worden toegepast op deze zaak. Aangezien de arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur van juffrouw H. eindigde op 28 februari 2003, moest de gemeente Ottignies ook de periodes van tijdelijke arbeidsongeschiktheid na de einddatum van de arbeidsovereenkomst vergoeden.

Er mag niet uit het oog worden verloren dat het verhaal van (de verweerster) gegrond is op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek en dat, in dit geval, de theorie van de gelijkwaardigheid van de voorwaarden van toepassing is, dit wil zeggen dat, krachtens die theorie, ‘elke fout zonder welke de schade zich niet zou hebben voorgedaan, wordt beschouwd als een oorzaak van die schade, zodat de schadeveroorzaker alleen al op grond daarvan tot vergoeding gehouden is, ook al is die schade ongewoon' (...). Zonder de fout van de verzekerde van (de eiseres) zou er in dit geval geen arbeidsongeval zijn geweest en zou de wet van 3 juli 1967 niet zijn toegepast en zou zij dus ook verplicht zijn geweest om de tijdelijke arbeidsongeschiktheid verder te vergoeden voor de duur na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, daar die duur deel uitmaakt van de door een fout van de derde veroorzaakte schade".

Grieven

Krachtens de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek moet degene die door zijn fout een ander schade berokkent, die schade geheel herstellen, dat wil zeggen dat de getroffene teruggeplaatst moet worden in de toestand waarin hij zich zou hebben bevonden indien de fout niet was begaan.

Het feit dat een overheid de contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting heeft het slachtoffer van een arbeidsongeval te vergoeden, sluit niet uit dat zij schade kan lijden in de zin van de artikelen 1382 of 1383 van het Burgerlijk Wetboek, voor zover uit de inhoud of de draagwijdte van de overeenkomst, wet of verordening niet blijkt dat de kosten of de prestaties definitief ten laste moeten blijven van de instanties die zich daartoe verbonden hebben of daartoe gehouden zijn krachtens de wet of de verordening.

Wanneer de overheid de arbeidsprestaties van haar contractuele werknemer niet verliest wegens het ongeval maar wegens het feit dat de vervangingsovereenkomst is geëindigd omdat de vervangen persoon is teruggekeerd, verliest zij die arbeidsprestaties niet omwille van de fout.

Het loon van haar werknemer die de overheid krachtens artikel 3bis van de wet van 3 juli 1967 moet blijven uitbetalen gedurende de volledige periode van algehele tijdelijke arbeidsongeschiktheid, vormt voor haar en, bijgevolg, voor de verzekeraar die krachtens artikel 41 van de wet van 25 juni 1992 in de rechten van de overheid treedt, geen te vergoeden schade in de zin van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.

De overheid treedt immers niet meer op als werkgever. Zij heeft dezelfde verplichting als die welke de verzekeraar uit de privésector moet nakomen. Artikel 3bis van de wet van 3 juli 1967, volgens hetwelk zij het loon moet blijven uitbetalen na het eindigen van de arbeidsovereenkomst, heeft tot gevolg dat die bedragen definitief ten laste van de overheid blijven.

Het bestreden vonnis, dat erkent dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur van juffrouw H. eindigde op 28 februari 2003, maar dat niettemin beslist dat de verweerster, die in de rechten van de gemeente Ottignies was getreden, nog na die datum de terugbetaling van de betaalde lonen mag vorderen van de eiseres, en dat voor de volledige periode van algehele tijdelijke arbeidsongeschiktheid, op grond dat de gemeente, met toepassing van de wet van 3 juli 1967, de getroffene moest blijven vergoeden, schendt derhalve alle in het middel bedoelde wettelijke bepalingen.

Tweede middel

- de artikelen 1315, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek;

- artikel 14, § 3, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector;

- artikel 41, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis veroordeelt de eiseres om aan de verweerster het provisionele bedrag van 23.907,15 euro te betalen, vermeerderd met de compensatoire en gerechtelijke interest, en veroordeelt haar in de kosten van de twee instanties, om alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd en inzonderheid om de volgende redenen:

"De subrogatoire vordering die (de verweerster) heeft ingesteld op grond van artikel 14, § 3, van de wet van 3 juli 1967, wordt door (de eiseres) bekritiseerd op grond van de dubbele beperking die inherent is aan het mechanisme van de wettelijke subrogatie, met name:

- de indeplaatsgestelde kan niet méér vorderen dan wat hij zijn verzekerde heeft betaald,

- hij kan tegen de voor het ongeval aansprakelijke persoon niet meer rechten doen gelden dan die welke de getroffene heeft op grond van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek indien dat ongeval niet had plaatsgevonden op de weg naar en van het werk (...).

In dat geval zou (de verweerster) in concreto het bewijs moeten leveren van de gelijkwaardigheid van de sociale lasten op de gemeenrechtelijke vergoeding die aan de getroffene zou zijn verschuldigd en de sociale lasten op diens loon vóór het ongeval.

Een dergelijke benadering heeft echter geen reden van bestaan meer, aangezien zowel het Hof van Cassatie, in een arrest van 16 september 1985 (Cass., 3de K., 16 september 1985, R.G.A.R. 1988, 11349) als de bodemgerechten, waaronder de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (rechtbank van eerste aanleg Brussel, 4de K., 5 januari 1995, A.R. 14270/40) en het hof van beroep te Luik, in een niet gepubliceerd arrest van 28 oktober 1999, Rép. 2467, zich hebben uitgesproken voor de leer van de gelijkwaardigheid van de sociale en fiscale lasten op de gemeenrechtelijke vergoeding die aan de getroffene verschuldigd is en de sociale lasten op zijn loon vóór het ongeval.

Immers,

- wat de fiscale lasten op de door de getroffene ontvangen uitkeringen betreft, behouden de personeelsleden uit de overheidssector het recht op hun loon gedurende de tijdvakken van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, waarbij dat loon onderworpen blijft aan de gebruikelijke belastingen,

- wat de sociale lasten betreft, worden op de bedragen die aan de getroffene gestort worden gedurende de periodes van tijdelijke arbeidsongeschiktheid de sociale bijdragen verder ingehouden, zoniet zou de getroffene niet door de sociale zekerheid gedekt worden.

De gelijkwaardigheid van de fiscale en sociale lasten staat derhalve vast".

Grieven

Krachtens artikel 14, § 3, van de wet van 3 juli 1967, was de gemeente Ottignies-Louvain-la-Neuve in de rechten getreden van de getroffene tegen de eiseres, de verzekeraar van de voor het ongeval aansprakelijke derde, tot beloop van de bedragen die zij aan de getroffene had betaald, enerzijds, en van het bedrag dat de getroffene naar gemeen recht had kunnen verkrijgen, anderzijds.

Als gesubrogeerde in de rechten van de gemeente Ottignies-Louvain-la-Neuve op grond van artikel 41 van de wet van 25 juni 1992, kon de rechtsvordering van de verweerster slechts binnen dezelfde grenzen ontvankelijk worden verklaard.

De partij die in de rechten van de getroffene is getreden, kan van de voor het ongeval aansprakelijke derde of van diens verzekeraar slechts de terugbetaling verkrijgen van de brutobedragen die zij aan de getroffene heeft betaald als vervangingsinkomsten, voor zover de rechter vaststelt dat de vergoeding die de getroffene naar gemeen recht had kunnen verkrijgen, aan gelijkwaardige lasten onderworpen was geweest als die op zijn loon.

Het bestreden vonnis beslist dat de verweerster "de gelijkwaardigheid van de sociale en fiscale lasten op de aan de getroffene verschuldigde gemeenrechtelijke vergoeding en die op zijn loon vóór het ongeval niet in concreto hoeft aan te tonen". Het vonnis veroordeelt de eiseres om aan de verweerster de brutowedde te betalen die de getroffene gedurende de periode van algehele tijdelijke arbeidsongeschiktheid heeft ontvangen, op grond dat het loon van die getroffene gedurende die periode aan de gebruikelijke belastingen en sociale bijdragen onderworpen was. Het verwart aldus de lasten op het loon, dat aan de getroffene verschuldigd blijft gedurende zijn periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, met de lasten die op de gemeenrechtelijke vergoeding hadden moeten worden betaald indien het ongeval zich niet had voorgedaan op de weg naar en van het werk.

Het bestreden vonnis miskent derhalve de regels betreffende de gemeenrechtelijke vergoeding, vervat in de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, alsook de regels betreffende de grenzen van de subrogatoire vordering van de facultatieve verzekeraar van de overheid (artikelen 14, § 3, van de wet van 3 juli 1967 en 41, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992). Het ontheft daarenboven de verweerster in strijd met de wet van haar verplichting om, overeenkomstig de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek, het bewijs te leveren van de gelijkwaardigheid van de sociale en fiscale lasten op de eventuele aan de getroffene verschuldigde gemeenrechtelijke vergoeding en die op zijn loon vóór het ongeval (schending van de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Over de door de verweerster tegen het middel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: het middel is nieuw:

Het middel voert aan dat de bedragen die de gemeente Ottignies-Louvain-la-Neuve, na het eindigen van de overeenkomst op 28 februari 2003, aan haar con-tractueel personeelslid heeft uitbetaald krachtens artikel 3bis van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongeval-len, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, geen te vergoeden schade zijn in de zin van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek; dat, wanneer de overheid de prestaties van haar con-tractuele werknemer niet ontbeert wegens het ongeval, maar wegens het feit dat de vervangingsovereenkomst geëindigd is door de terugkeer van de vervangen persoon, niet de fout de reden is waarom de overheid die prestaties verliest.

De eiseres, die in haar appelconclusie erop wijst dat de verweerster een recht-streeks beroep instelde op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, voert vervolgens aan dat, volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie, een werkgever uit de overheidssector een vordering kan instellen op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek en een vergoeding kan vorderen van de voor het ongeval aansprakelijke derde wanneer hij, door de fout van die derde, het loon van zijn personeelslid, die door het ongeval is getroffen, en de lasten daarop moet blijven betalen krachtens wettelijke of reglementaire verplichtingen, "aangezien [hij] schade [lijdt]; die schade bestaat in de verplichting om het loon en de lasten te betalen zonder, als tegenprestatie, de arbeidsprestaties van het personeelslid te ontvangen".

Aangezien de eiseres aldus voor de feitenrechter heeft betwist dat de verweerster schade had geleden die voor vergoeding in aanmerking kwam op grond van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek, is het middel, waarin aangevoerd wordt dat de liti-gieuze schade geen te vergoeden schade is in de zin van die bepaling, niet nieuw.

Over de door de verweerster tegen het middel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: het middel heeft geen belang:

De verweerster voert aan dat uit artikel 14, § 3, van de wet van 3 juli 1967 volgt dat de bedragen die de gemeente Ottignies-Louvain-la-Neuve heeft betaald met toepassing van artikel 3bis van die wet, niet definitief te haren laste moeten blij-ven, en stelt voor om de door het middel bekritiseerde reden door deze reden te vervangen.

Het onderzoek van de grond van niet-ontvankelijkheid is onlosmakelijk verbonden met het onderzoek van het middel.

De gronden van niet-ontvankelijkheid kunnen niet worden aangenomen.

Gegrondheid van het middel

De openbare werkgever die, krachtens zijn wettelijke of reglementaire verplich-tingen, een loon moet storten aan zijn personeelslid zonder als tegenprestatie zijn arbeidsprestaties te hebben ontvangen, heeft recht op vergoeding wanneer hij al-dus schade lijdt.

Wanneer de openbare werkgever, krachtens artikel 3bis van de wet van 3 juli 1967, aan een contractueel personeelslid na het verstrijken van de arbeidsovereen-komst vergoedingen moet blijven betalen gedurende de volledige periode van al-gehele tijdelijke arbeidsongeschiktheid die het gevolg is van een arbeidsongeval op de weg naar en van het werk, dan betaalt hij die bedragen niet uit omdat hij wegens het ongeval geen arbeidsprestaties van zijn ambtenaar ontvangt, en lijdt hij bijgevolg geen te vergoeden schade in de zin van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.

Het bestreden vonnis wijst erop dat de arbeidsovereenkomst van bepaalde duur tussen A.H., die door het litigieuze arbeidsongeval op de weg naar en van het werk is getroffen, en de gemeente Ottignies-Louvain-la-Neuve is geëindigd op 28 februari 2003 en dat de gemeente, krachtens de wet van 3 juli 1967, ook de perio-des van tijdelijke arbeidsongeschiktheid na het einde van de overeenkomst heeft moeten vergoeden. Het beslist dat de verweerster, die in de rechten van de ge-meente is getreden, van de eiseres, de verzekeraar van de voor het ongeval aan-sprakelijke derde, de bedragen kan terugvorderen die aan de getroffene zijn ge-stort gedurende de periodes van tijdelijke arbeidsongeschiktheid van maart, april en juni 2003, alleen op grond dat "zonder de fout van de verzekerde van de eiseres zou er in dit geval geen arbeidsongeval zijn geweest en zou de wet van 3 juli 1967 niet zijn toegepast en zou zij dus ook verplicht zijn geweest om de tijdelijke ar-beidsongeschiktheid verder te vergoeden voor de duur na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst".

Het bestreden vonnis schendt aldus de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.

Het middel is in zoverre gegrond.

Tweede middel

Over de door de verweerster tegen het middel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: de bekritiseerde redenen zijn overtollig:

Uit het antwoord op het eerste middel blijkt dat de beslissingen die door het be-streden vonnis zijn gewezen op grond van de artikelen 1382 en 1383 van het Bur-gerlijk Wetboek, niet naar recht zijn verantwoord.

De redenen van dat vonnis die betrekking hebben op de subsidiaire vordering die de eiseres heeft ingesteld op grond van de subrogatie bepaald in artikel 14, § 3, van de voormelde wet van 3 juli 1967, zijn derhalve niet overtollig.

De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Gegrondheid van het middel

De gemeente Ottignies-Louvain-la-Neuve treedt krachtens artikel 14, § 3, van de wet van 3 juli 1967, in de rechten van de getroffene tegen de eiseres, de verzeke-raar van de voor het ongeval aansprakelijke derde, tot beloop van haar uitgaven en van het bedrag van de vergoeding die aan de getroffene naar gemeen recht ver-schuldigd is en die dezelfde schade dekt.

De verweerster, die in de rechten van de gemeente is getreden krachtens artikel 41, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, kan slechts tot beloop van die bedragen tegen de eiseres een vordering instellen.

De partij die in de rechten van de getroffene treedt, kan van de voor het ongeval aansprakelijke derde of van diens verzekeraar slechts de brutobedragen terugvor-deren die zij aan de getroffene als vervangingsinkomsten heeft betaald, voor zover de rechter vaststelt dat de vergoeding die de getroffene naar gemeen recht had kunnen verkrijgen, onderworpen zou zijn geweest aan gelijkwaardige lasten als die op zijn loon.

Het bestreden vonnis veroordeelt de eiseres om aan de verweerster de brutover-goedingen te storten die de getroffene heeft ontvangen gedurende zijn periode van algehele tijdelijke arbeidsongeschiktheid, op grond dat de vergoedingen die de getroffene gedurende die periode heeft ontvangen, onderworpen zijn aan dezelfde belastingen en sociale bijdragen als zijn loon, zonder vast te stellen dat de vergoedingen die de getroffene naar gemeen recht had kunnen verkrijgen, onderworpen zouden zijn geweest aan gelijkwaardige lasten als die op zijn loon.

Het bestreden vonnis verantwoordt zijn beslissing om brutobedragen toe te ken-nen, bijgevolg niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof

Vernietigt het bestreden vonnis, behalve in zoverre dat vonnis het hoofdberoep ontvankelijk verklaart, het beroepen vonnis bevestigt in zoverre het de hoofdvor-dering en de tegenvordering ontvankelijk heeft verklaard, en in zoverre dat vonnis de eiseres veroordeelt om aan de verweerster een bedrag van 2.995,74 euro te be-talen voor de medische en farmaceutische kosten, vermeerderd met de interest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, rechtszitting houdende in hoger beroep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Sylviane Velu, Alain Simon, Mi-reille Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 14 mei 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advo-caat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Vervanging van reden

  • Grond van niet-ontvankelijkheid

  • Onderzoek staat niet los van het onderzoek van het middel