- Arrest van 15 mei 2012

15/05/2012 - P.11.0679.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De bepalingen die de wijze van boeking van de bedragen aan rechten regelen, zijn bepalingen van materieel recht zodat de op het ogenblik van het ontstaan van de douaneschuld geldende bepalingen op de boeking ervan van toepassing zijn; het op 1 januari 1994 inwerkinggetreden artikel 217 CDW is niet van toepassing op een voordien ontstane douaneschuld.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0679.N

I

1. J. J. M. S.,

beklaagde,

2. TRANSPORT JAAK SMETS cvba, met zetel te 3200 Aarschot, Nieuwlandlaan 26/1,

burgerrechtelijk aansprakelijke partij,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eisers woonplaats kiezen,

en tevens met als raadsman mr. Hugo Vandenberghe, advocaat bij de balie te Brussel,

II

1. K. A. K. D.,

beklaagde,

2. H. M. I. V.,

beklaagde,

eisers,

met als raadsman mr. Luc Gheysens, advocaat bij de balie te Kortrijk.

III

F. A. D. G.,

beklaagde,

eiser,

alle cassatieberoepen tegen

1. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1040 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de gewestelijke directeur der douane en accijnzen te Gent, met kantoor te 9000 Gent, Administratief Centrum "Ter Plaeten", Sint-Lievenslaan 27,

vervolgende partij,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,

2. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Economie, met kantoor te 1210 Brussel, Vooruitgangstraat 50, onder wiens bevoegdheid de Centrale Dienst voor Contingenten en Vergunningen viel,

burgerlijke partij,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,

3. BELGISCH INTERVENTIE- EN RESTITUTIEBUREAU (BIRB), openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, met zetel te 1040 Brussel, Trierstraat 82,

burgerlijke partij,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest (nr. C/354/11) van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 1 maart 2011, gewezen op verwijzing ingevolge arrest van het Hof van 7 oktober 2008.

De eisers I voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

De eisers II voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

De eiser III voert geen middel aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HE THOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

1. Het arrest stelt vast dat de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder 2 bij gebrek aan hoedanigheid niet ontvankelijk is.

De tegen die beslissing gerichte cassatieberoepen zijn bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Tweede middel van de eiseres I.2

2. Het middel voert schending aan van artikel 1384 Burgerlijk Wetboek, de artikelen 774, tweede lid, en 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiser I.1 een aangestelde is van de eiseres I.2 en het verklaart ten onrechte de eiseres I.2 krachtens artikel 1384 Burgerlijk Wetboek burgerrechtelijk aansprakelijk voor de veroordeling tot betaling van de invoerheffingen en interesten uitgesproken lastens de eiser I.1; het doet dit zonder partijen toe te laten hierover standpunt in te nemen; het arrest kon gelet op de vaststelling dat de eiser I.1 een orgaan is van de eiseres I.2 ook niet oordelen dat de eiser I.1 een aangestelde is van de eiseres I.2.

3. Het arrest past artikel 1384 Burgerlijk Wetboek toe zonder dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiseres I.2 de gelegenheid heeft gehad daarover standpunt in te nemen. Aldus miskent het arrest het recht van verdediging van de eiseres I.2 en is het oordeel dat de eiseres I.2 burgerrechtelijk aansprakelijk is voor de veroordeling tot betaling van de invoerheffingen uitgesproken lastens de eiser I.1 niet naar recht verantwoord.

Het middel is in zoverre gegrond.

Overige grieven van de eiseres I.2

4. De overige grieven van de eiseres I.2 kunnen niet leiden tot cassatie zonder verwijzing en behoeven dan ook geen antwoord.

Eerste middel van de eiser I.1

Eerste onderdeel

5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet het in de appelconclusie aangevoerde verweer dat uit geen enkel feitelijk element blijkt dat de eiser I.1 bij de te Wingene gepleegde feiten betrokken was, dat bij aankomst te Le Havre geen onregelmatigheden werden vastgesteld en dat de controle pas één week na aanlevering in de haven werd verricht, zodat uit niets blijkt dat de eiser I.1 bij de verwisseling van het rundsvlees en de onttrekking van vlees aan de doorvoer betrokken was.

6. Het arrest (p. 11-12) oordeelt dat:

- de onttrekking aan de doorvoer van het vlees te Wingene gebeurde;

- een verzegelde container met hoogwaardig Slowaaks rundsvlees op 25 mei 1993 's avonds is toegekomen op het erf van de eiser I.1 en op 26 mei 1993 terug is vertrokken naar Le Havre om aldaar bij aankomst enkel nog slachtafval te bevatten;

- een verzegelde container met runderhaas uit Slowakije op 5 juni 1993 's nachts te Holsbeek werd afgepikt om op 7 juni 1993 te Rotterdam bij aankomst enkel nog varkenspoten en dergelijke te bevatten;

- de stelling van de eiser I.1 dat niemand op het bedrijf heeft gemerkt dat deze containers werden bewerkt, meer bepaald naar Wingene werden afgevoerd waar de lading werd gesubstitueerd en ze vervolgens terug werden gevoerd naar het bedrijf van de eiser I.1, volstrekt ongeloofwaardig overkomt;

- W. D., ploegbaas bij W. V., verklaarde dat D. D. steeds werkte met twee dezelfde transportfirma's, namelijk die van de eiser III uit Drongen en die van de eiser I.1 uit Holsbeek, die voldoende op de hoogte waren van de werkelijke toedracht;

- het duidelijk is dat de eiser I.1 doelbewust de containers met bijhorende vervoersdocumenten gedurende een zekere tijdspanne onbewaakt achterliet op zijn erf en de overige leden van de organisatie daarvan in kennis stelde, waardoor hij de onttrekking aan doorvoer mogelijk maakte;

- de eiser I.1 derhalve bewust misdrijfscheppend of misdrijfbevorderend heeft gehandeld.

Met die redenen beantwoordt het arrest het verweer van de eiser I.1.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 4 van de Verordening (EEG) nr. 1031/88 van de Raad van 18 april 1988 tot vaststelling van de personen die gehouden zijn tot betaling van een douaneschuld, de artikelen 1315, 1349 en 1353 Burgerlijk Wetboek en de artikelen 774, tweede lid, 870 en 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van de autonomie van de procespartijen in het burgerlijk geding, het recht van verdediging, inzake de bewijslast in strafzaken en het verbod de beslissing te steunen op persoonlijke kennis van de feiten: het arrest oordeelt zonder dat dit werd aangevoerd en zonder het debat daaromtrent te heropenen, dat de containers op het erf van de eiseres I.2 werden afgepikt, naar Wingene werden afgevoerd en vervolgens werden teruggevoerd naar Holsbeek en dat de eiser I.1 de containers met bijhorende vervoersdocumenten doelbewust gedurende een zekere tijdspanne achterliet en de overige leden van de organisatie hiervan in kennis stelde; uit het loutere feit dat de lading van de containers op een bepaald ogenblik werd verwisseld kon het arrest onmogelijk afleiden dat de eiser I.1 doelbewust de containers met bijhorende vervoersdocumenten gedurende een zekere tijdspanne onbewaakt achterliet en de overige leden van de organisatie hiervan in kennis stelde, tenzij de appelrechters op persoonlijke kennis zouden hebben gesteund; op die gronden kon het arrest evenmin oordelen dat de eiser I.1 als persoon die heeft bijdragen aan de onttrekking van de doorvoer gehouden is tot de betaling van de douaneschuld.

8. Artikel 774, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek is niet van toepassing in strafzaken, zelfs als de strafrechter uitspraak doet over de fiscaalrechtelijke vordering.

Het onderdeel dat schending van die bepaling aanvoert, faalt in zoverre naar recht.

9. Het onderdeel verplicht het Hof tot een onderzoek van feiten, waarvoor het niet bevoegd is.

Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.

10. Het arrest grondt het oordeel dat de eisers doelbewust de containers met bijhorende vervoersdocumenten gedurende een zekere tijdspanne onbewaakt achterlieten en de overige leden van de organisatie hiervan in kennis stellen niet alleen op het op een bepaald ogenblik van de lading van de containers, maar ook op de redenen dat:

- het volstrekt ongeloofwaardig voorkomt dat niemand op het bedrijf van de eiser I.1 zou hebben gemerkt dat de containers werden afgevoerd naar Wingene, daar gesubstitueerd en vervolgens teruggebracht;

- W. D. verklaarde dat D. S. steeds werkte met twee dezelfde transportondernemingen, namelijk die van de eiser III te Drongen en die van de eiser I.1 te Holsbeek, die voldoende op de hoogte waren van de werkelijke toedracht.

Het onderdeel berust in zoverre op een onvolledige lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag.

11. Met het geheel van die redenen trekt het arrest uit de gemaakte vaststellingen geen gevolgen die daarmee geen enkel verband houden of op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord, miskent het evenmin het wettelijk begrip feitelijk vermoeden en steunt het niet op persoonlijke kennis van de appelrechters.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

12. De aangevoerde schending van artikel 4 van de Verordening (EEG) nr. 1031/88 is geheel afgeleid uit de overige met het onderdeel tevergeefs aangevoerde wetsschendingen.

Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.

Derde onderdeel

13. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: aangezien de eiser I.1 in zijn appelconclusies niet heeft aangevoerd dat niemand op zijn bedrijf heeft gemerkt dat deze containers werden afgevoerd naar Wingene, daar werden gesubstitueerd en vervolgens terug gebracht, miskent het arrest met het oordeel dat die stelling volstrekt ongeloofwaardig is de bewijskracht van die appelconclusies.

14. Het arrest verwijst voor dit oordeel niet naar de appelconclusies van de eiser I.1. Het kan dan ook de bewijskracht ervan niet miskennen.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde middel van de eiser I.1 en eerste middel van de eisers II

Eerste onderdeel

15. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 217 en 221 CDW en de artikelen 267 en 268 AWDA: artikel 217.2 CDW bepaalt dat de lidstaten nadere voorschriften vaststellen voor de boeking van de bedragen van rechten, wat van de betrokken lidstaat een legistieke activiteit en dus een reglementair bepalen vereist; het arrest oordeelt ten onrechte dat deze reglementaire bepaling is te vinden in de artikelen 267 en 268 AWDA; artikel 267 AWDA bepaalt niets omtrent het begroten of opnemen van de verschuldigde rechten; artikel 268 AWDA schrijft niet voor dat de verschuldigde rechten zouden worden begroot en definitief aan deze of gene schuldenaar zouden worden toebedeeld.

16. De bepalingen die de wijze van boeking van de bedragen aan rechten regelen, zijn bepalingen van materieel recht. Toepasselijk zijn de op het ogenblik van het ontstaan van de douaneschuld geldende bepalingen.

Het arrest (p. 17), zonder op dat punt te worden bekritiseerd, stelt vast dat de kwestieuze douaneschuld dateert van na 1 juli 1990 en van vóór 1 januari 1994.

17. Het onderdeel dat met betrekking tot de wijze van boeking van de bedragen aan rechten uitgaat van de toepasselijkheid van het op 1 januari 1994 inwerkinggetreden artikel 217 CDW op een voordien ontstane douaneschuld, faalt in zoverre naar recht.

18. Artikel 2.1, eerste lid, van de Verordening (EEG) nr. 1854/89 van de Raad van 14 juni 1989 betreffende de boeking en de betalingsvoorwaarden voor uit hoofde van een douaneschuld te vereffenen bedragen aan rechten bij in- of uitvoer (hierna Verordening (EEG) nr. 1854/89) bepaalt dat elk bedrag aan rechten bij in- of uitvoer dat voortvloeit uit een douaneschuld, genoemd "bedrag aan rechten", door de douaneautoriteit moet worden berekend zodra de nodige gegevens beschikbaar zijn, en door de genoemde autoriteit moet worden geboekt.

Volgens artikel 1.2.c) Verordening (EEG) nr. 1854/89 is de boeking de inschrijving in de boeken of met gebruikmaking van enige andere drager door de douaneautoriteiten van het bedrag aan rechten bij invoer of bij uitvoer dat overeenkomt met een douaneschuld.

Artikel 2.2, eerste lid, Verordening (EEG) nr. 1854/89 bepaalt dat de lidstaten nadere regels vaststellen voor de praktijk van de boeking van de bedragen aan rechten. Die regels kunnen verschillen naargelang de douaneautoriteiten, rekening houdende met de omstandigheden waaronder de douaneschuld is ontstaan, er al dan niet van overtuigd zijn dat de genoemde bedragen zullen worden betaald.

Artikel 26, tweede en derde lid, Verordening (EEG) nr. 1854/89 bepaalt dat deze verordening van toepassing is met ingang van 1 juli 1990 en op de bedragen aan rechten die met ingang van die datum worden geboekt.

19. Uit het arrest Direct Parcel Distribution Belgium van 28 januari 2010, zaak C-264/08 van het Hof van Justitie met betrekking tot artikel 217 CDW, dat een vergelijkbare regeling bevat als die welke is vastgesteld bij de artikelen 1.2.c, 2.1, eerste lid, en 2.2, eerste lid, Verordening (EEG) nr. 1854/89, volgt dat hoewel die bepalingen geen technische of vormelijke minimumvereisten vaststellen voor een boeking, de boeking zodanig moet worden verricht dat de bevoegde autoriteiten het exacte bedrag aan rechten bij invoer of bij uitvoer dat voortvloeit uit de douaneschuld registreren in de boekhouding of op iedere andere drager die als zodanig dienstdoet, zodat de boeking van de betrokken bedragen met zekerheid wordt vastgesteld, ook tegenover de schuldenaar.

Uit de arresten Distillerie Smeets Hasselt nv e.a. van 16 juli 2009, zaak C-126/08 en Direct Parcel Distribution Belgium van 28 januari 2010, zaak C-264/08 van het Hof van Justitie volgt dat de lidstaten kunnen bepalen dat het uit een douaneschuld voortvloeiende bedrag aan rechten wordt geboekt door de opneming van dit bedrag in het door de bevoegde douaneautoriteiten, zoals bedoeld in artikel 267 AWDA, opgemaakte proces-verbaal van bevinding van een inbreuk op de toepasselijke douanewetgeving.

20. De misdrijven, fraudes of overtredingen van de wet in verband met rechten verschuldigd bij de invoer of bij uitvoer worden in België vastgesteld en ingevorderd overeenkomstig de artikelen 267 tot en met 285 AWDA.

Overeenkomstig artikel 267 AWDA worden de misdrijven, fraudes of overtredingen vastgesteld bij processen-verbaal door daartoe bevoegde personen.

Overeenkomstig artikel 268 AWDA moet het proces-verbaal een beknopte en nauwkeurige beschrijving bevatten van de feitelijke vaststellingen en de identificatie van de betrokken personen.

De douaneschuld kan dan ook bij dit proces-verbaal worden vastgesteld wanneer het exacte bedrag aan rechten bij invoer of bij uitvoer dat voortvloeit uit de douaneschuld met zekerheid wordt vastgesteld ten aanzien van de schuldenaars.

Uit het voorgaande volgt dat een aldus vastgestelde douaneschuld een boeking is in de zin van de artikelen 1.2.c en 2.1, eerste lid, Verordening (EEG) nr. 1854/89, zonder dat België uitdrukkelijk moet bepalen dat de artikelen 267 en 268 AWDA nadere regels vormen voor de praktijk van de boeking van de bedragen aan rechten overeenkomstig artikel 2.2, eerste lid, Verordening (EEG) nr. 1854/89.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt in zoverre naar recht.

Tweede onderdeel

21. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 6 Gerechtelijk Wetboek: het arrest neemt ter staving van het oordeel dat de artikelen 267 en 268 AWDA een afdoende wettelijke basis vormen om een proces-verbaal van de douane-administratie te aanzien als een boeking in de zin van de artikelen 217.1 en 221.1 CDW, letterlijk en zonder motivering een regel over uit het arrest van het Hof van 15 december 2009; gelet op de onduidelijkheid van de wetteksten en het gevoerde verweer, kent het arrest door een dergelijke letterlijke en ongemotiveerde overname aan het arrest van het Hof een algemene en als regel geldende draagwijdte toe; minstens is niet afdoende geantwoord op het door de eisers in de appelconclusies gevoerde verweer.

22. De appelrechters die na hun beslissing met redenen te hebben omkleed, enkel melding maken van rechtspraak van het Hof, doen geen uitspraak krachtens die rechtspraak en verlenen daaraan niet het karakter van een als regel geldende beschikking. Zij steunen hun beslissing op de eigen uitlegging van de wet en drukken aldus hun eigen overtuiging uit, terwijl zij slechts naar de rechtspraak van het Hof verwijzen als toetssteen voor hun beslissing.

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

23. Voor het overige beantwoordt het arrest (p. 23) met de redenen die het bevat eisers' verweer.

Het onderdeel mist in zoverre evenzeer feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

24. De eisers vragen het Hof om aan het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vraag te stellen: "Dienen de lidstaten op wettelijke of reglementaire wijze te bepalen waarop de in de artikelen 217.1, 217.2 en 221.1 CDW voorgeschreven boeking van het bedrag van de rechten aan de schuldenaar dient te geschieden?"

Bij een bevestigend antwoord op deze vraag, dient aan het Hof van Justitie nog een tweede prejudiciële vraag te worden gesteld: "Kan de lidstaat, die heeft nagelaten om een speciale wets- of reglementaire bepaling in te voeren, ter uitvoering van artikel 217 CDW, zich beroepen op één of meerdere interne wetsbepalingen omtrent het door de bevoegde douaneautoriteiten opgemaakte proces-verbaal van bevinding van een inbreuk op de toepasselijke douanewetgeving, om te stellen dat is voldaan aan de vereiste wettelijke of reglementaire basis en dit hoewel de tekst van deze artikelen noch uitdrukkelijk iets bepalen omtrent de opname in een dergelijk proces-verbaal van de exacte begroting van de verschuldigde douanerechten in hoofde van elke overtreder, noch iets uitdrukkelijk bepalen omtrent de wil van de lidstaat om een dergelijk proces-verbaal als "boeking" te bestempelen in de zin van de artikelen 217.1, 217.2 en 221.1 CDW?"

25. De voorgestelde prejudiciële vragen gaan uit van de verkeerde rechtsopvatting dat wat betreft de wijze van boeking van een vóór 1 januari 1994 ontstane douaneschuld artikel 217 CDW van toepassing is.

De prejudiciële vragen worden niet gesteld.

Vierde middel van de eiser I.1 en tweede middel van de eisers II

26. Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 13 EVRM: de eisers hebben aangevoerd dat ingevolge de overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting van de burgerlijke rechtsvordering, deze rechtsvordering diende te worden vervallen verklaard, minstens dat aan de verweerders geen interesten konden worden toegekend; het arrest beantwoordt dit verweer enkel met de vaststelling dat de door de eisers opgeworpen vormen van rechtsherstel niet mogelijk zijn; het arrest doet op die wijze ten onrechte geen uitspraak over de al dan niet overschrijding van de redelijke termijn en evenmin over het passend herstel dat daaraan in voorkomend geval moet worden verbonden (eerste onderdeel); zelfs als wordt aangenomen dat het arrest de overschrijding van de redelijke termijn heeft vastgesteld, laat het arrest ten onrechte na te beslissen tot een passend rechtsherstel (tweede onderdeel); het arrest grondt ten onrechte de afwijzing van het verzoek om de interesten niet toe te kennen, op de enkele vaststelling dat het niet vaststaat dat het verstrijken van de redelijke termijn aan de verweerders is te wijten; op die grond kan niet worden besloten tot de afwezigheid van elk rechtsherstel in hoofde van de eisers die zijn geschaad door de overschrijding van de redelijke termijn (derde onderdeel).

27. In zoverre het middel betrekking heeft op de vordering van de verweerder 2, waaromtrent het cassatieberoep van de eisers niet ontvankelijk is, behoeft het geen antwoord.

28. Artikel 6.1 EVRM bepaalt dat eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging recht heeft op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn.

Geschillen over verplichtingen in belastingzaken zijn geen betwistingen die verband houden met de vaststelling van burgerlijke rechten of verplichtingen noch met de bepaling van de gegrondheid van de strafvordering.

De vorderingen van de douane-administratie en van het BIRB tot betaling van ontdoken invoerrechten vloeien niet voort uit het aan een beklaagde ten laste gelegde misdrijf, maar vinden hun rechtstreekse grondslag in de fiscale wet die de betaling van de rechten oplegt.

Op die fiscaalrechtelijke vordering, die betrekking heeft op verschuldigde rechten en geen aanleiding geeft tot een straf in de zin van artikel 6.1 EVRM, zijn de artikelen 6.1 en 13 EVRM niet van toepassing.

Het middel dat in zijn drie onderdelen geheel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt in zoverre naar recht.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het arrest in zoverre het op de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder 3, de eiseres I.2 burgerrechtelijk aansprakelijk verklaart voor de veroordeling tot betaling van de invoerheffingen en interesten uitgesproken lastens de eiser I.1.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.

Veroordeelt de verweerder 3 tot de kosten van het cassatieberoep van de eiseres I.2.

Veroordeelt de overige eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Bepaalt de kosten in het geheel op 529,42 euro waarvan de eisers I en III elk 175,43 euro verschuldigd zijn en de eisers II 178,56 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Paul Maffei, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Peter Hoet en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 15 mei 2012 uitgesproken door waarnemend voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Douaneschuld

  • Boeking

  • Bepalingen die de wijze van boeking regelen

  • Aard

  • Gevolg

  • Toepassing