- Arrest van 22 mei 2012

22/05/2012 - P.11.2058.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Krachtens artikel 7.1.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening zijn de regelingen van het Aanpassingsdecreet 2009, vanaf hun datum van inwerkingtreding, van toepassing op de handhavingsprocedures als vastgesteld in de codex, in de stand waarin zij zich bevinden; uit deze bepaling volgt dat wat betreft de motivering van een herstelvordering die werd ingesteld vóór de inwerkingtreding van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, de bepalingen van toepassing zijn die golden op het ogenblik dat zij werd ingesteld, terwijl de rechter die na de inwerkingtreding van de Codex zich moet beraden over de gegrondheid van de herstelvordering dit moet doen overeenkomstig de bepalingen van de Codex inzake het herstel.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.2058.N

F P B,

beklaagde,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, en met als raadsman mr. Jachin Van Doninck, advocaat bij de balie te Brussel,

tegen

COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE GEMEENTE KALMTHOUT, met zetel te 2920 Kalmthout, Kerkeneind 13,

eiser tot herstel,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 7 november 2011, op verwijzing gewezen ingevolge arrest van het Hof van 30 mei 2006.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Alain Bloch heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 159 Grondwet en de artikelen 7.1 (lees: 7.1.1) en 6.1.41, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: de bepalingen van deze codex hebben in de regel onmiddellijke werking wat inhoudt dat ze vanaf hun datum van inwerkingtreding van toepassing zijn op de handhavingsprocedures in de stand waarin ze zich bevinden; de rechter moet de herstelvordering onderzoeken overeenkomstig het nieuwe herstelbeleid; in zover de appelrechters oordelen dat de motievencontrole niet in het licht van deze Codex moet gebeuren en de motiveringsplicht fixeert op het tijdstip van het instellen van de herstelvordering schendt het voormelde bepalingen.

2. Krachtens artikel 7.1.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening zijn de regelingen van het Aanpassingsdecreet 2009, vanaf hun datum van inwerkingtreding, van toepassing op de handhavingsprocedures als vastgesteld in de codex, in de stand waarin zij zich bevinden.

3. Uit deze bepaling volgt dat wat betreft de motivering van een herstelvordering die werd ingesteld vóór de inwerkingtreding van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, de bepalingen van toepassing zijn die golden op het ogenblik dat zij werd ingesteld, terwijl de rechter die na de inwerkingtreding van de Codex zich moet beraden over de gegrondheid van de herstelvordering dit moet doen overeenkomstig de bepalingen van de Codex inzake het herstel.

4. De appelrechters oordelen dat:

- de naleving van de motiveringsverplichting dient beoordeeld te worden op het ogenblik dat de herstelvordering werd ingesteld en;

- de herstelvorderingen tevens beantwoorden aan de wettelijke vereiste van artikel 6.1.41 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

Aldus is de beslissing naar recht verantwoord.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 159 Grondwet en artikel 6.1.41, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: het arrest oordeelt dat het gevorderde herstel door afbraak niet kennelijk onredelijk is en dat het voordeel voor de goede ordening van de ruimte door de uitvoering van de gevorderde werken opweegt tegen de last die er voor de overtreder uit voortvloeit, maar onderzoekt niet of de goede ruimtelijke ordening ook met een minder ingrijpende maatregel kan worden hersteld; uit het arrest blijkt niet dat het niet-bevelen van herstel door afbraak kennelijk tot een blijvende onevenredige schade van de plaatselijke ruimtelijke ordening zou leiden; het arrest dat de motievencontrole niet uitvoert, bepaald in artikel 6.1.41, § 1 van voormelde Codex, is niet naar recht verantwoord.

6. De rechter gaat na of de beslissing van de stedenbouwkundige inspecteur of het college van burgemeester en schepenen om een bepaalde herstelmaatregel te vorderen, uitsluitend met het oog op de goede ruimtelijke ordening is genomen. Hij moet de vordering die steunt op motieven die vreemd zijn aan de ruimtelijke ordening of op een opvatting van een goede ruimtelijke ordening die kennelijk onredelijk is, zonder gevolg laten.

7. Wanneer de wettigheid van de vordering tot herstel van de plaats in de vorige staat wordt aangevochten, gaat de rechter bovendien in het bijzonder na of deze vordering niet kennelijk onredelijk is. In voorkomend geval moet de rechter afwegen of geen andere herstelmaatregel noodzakelijk is, dit onder meer op grond van de aard van de overtreding, de omvang en de aantasting van de goede ruimtelijke ordening en het voordeel dat voor de ruimtelijke ordening ontstaat door het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand tegenover de last die daaruit voor de overtreder voortvloeit.

8. Wanneer de eiser tot herstel de keuze voor een bepaalde herstelmaatregel afdoende motiveert, moet hij de uitsluiting van de keuze voor een andere herstelmaatregel niet negatief motiveren.

9. Artikel 6.1.41, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening laat niet toe dat de rechter op grond van de enkele vaststelling dat de gevorderde maatregel leidt tot een onevenredige last voor de overtreder in vergelijking tot het voordeel voor de ruimtelijke ordening, zou oordelen dat geen herstel van de aantasting van de goede ruimtelijke ordening noodzakelijk is. Om het gevorderde herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand te kunnen afwijzen, moet de rechter vaststellen dat ook met een minder ingrijpende maatregel de goede ruimtelijke ordening kan worden hersteld.

10. Het arrest oordeelt dat:

- de herstelvordering van de stedenbouwkundige inspecteur uitdrukkelijk werd gemotiveerd door vermelding van het feit dat het onroerend goed gelegen was in landschappelijk waardevol agrarisch gebied;

- de motivering afdoende is, omdat het de bedoeling is van de stedenbouwkundige inspecteur dat de overtreder zich conformeert aan de bestemming van het gebied, wat overeenkomt met het opleggen van een goede ruimtelijke ordening;

- ook de herstelvordering van het college van burgemeester en schepenen is gemotiveerd;

- het hof van beroep dient na te gaan of de gevorderde herstelvorderingen niet kennelijk onredelijk zijn;

- de rechter moet afwegen of geen andere herstelmaatregel noodzakelijk is, onder meer op grond van de aard van de overtreding, de omvang en de aantasting van de goede ruimtelijke ordening en het voordeel dat voor de ruimtelijke ordening ontstaat door het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand tegenover de last die daaruit voor de overtreder voortvloeit;

- de herstelvorderingen noch onwettig, noch kennelijk onredelijk zijn;

- de herstelvorderingen werden beslist door de bevoegde instanties met inachtneming van de substantiële vormvoorschriften;

- de feitelijke en juridische grondslag van de herstelvorderingen niet betwistbaar is: de constructie is gebouwd zonder voorafgaandelijke schriftelijke vergunning in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied wat op zich een afdoende motivering is;

- het geen agrarisch of para-agrarisch bedrijf noch een hobbystal betreft, maar een stal gebruikt om paarden te fokken en als observatieruimte in het kader van een veeartsenpraktijk;

- de herstelvorderingen niet negatief moeten gemotiveerd worden;

- in acht genomen de motieven ervan, de vorderingen tot herstel door de afbraak van de stal, niet steunen op motieven die vreemd zijn aan de ruimtelijke ordening of op een opvatting van de goede ruimtelijke ordening die kennelijk onredelijk is;

- het voordeel voor de goede ordening van de ruimte door de uitvoering van de gevorderde werken opweegt tegen de last die er voor de overtreder uit voortvloeit;

- een schending van het evenredigheidsbeginsel en ongelijke behandeling niet worden aangetoond;

- uit luchtfoto's blijkt dat, naast de vergunde villa en het zomerhuisje, het een onaangetast agrarisch gebied betreft;

- de herstelvorderingen beantwoorden aan de wettelijke vereiste van artikel 6.1.41 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, daar vaststaat dat de constructie in strijd is met de stedenbouwkundige voorschriften aangaande de voor het gebied toegelaten bestemmingen;

- aan het hof van beroep enkel een marginale toetsingsbevoegdheid over de opportuniteit van het gevorderde herstel toekomt.

11. Uit die redenen volgt dat het arrest wel degelijk onderzoekt dat de goede ruimtelijke ordening niet met een minder ingrijpende maatregel dan het herstel van de plaats in de vorige staat kan worden hersteld.

Aldus is de beslissing naar recht verantwoord.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

12. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek, artikel 6.1.41, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en artikel 65, § 1, Stedenbouwwet: het arrest miskent de bewijskracht der akten doordat het oordeelt dat het college van burgemeester en schepenen in een brief van 22 januari 1992 stelde dat de eiser de plaats in haar vorige toestand diende te herstellen, terwijl die brief enkel uitgaat van de burgemeester en secretaris van de gemeente; uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat het college van burgemeester en schepenen duidelijk zijn wil te kennen gaf herstel in de oorspronkelijke staat te vorderen; de beslissing dat de vordering van het college tijdig werd ingediend is daarom niet naar recht verantwoord, minstens kan de wettigheid van de beslissing niet worden nagegaan, zodat het arrest niet regelmatig gemotiveerd is.

13. Met de redenen die het bevat geeft het arrest van de brief van 22 januari 1992 een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

14. Voor het overige komt het middel, dat formeel een motiveringsgebrek aanvoert, in werkelijkheid op tegen de beoordeling van de feiten door de rechter.

Het middel is inzoverre niet ontvankelijk

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 82,20 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Paul Maffei, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Alain Bloch, Peter Hoet en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 22 mei 2012 uitgesproken door waarnemend voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Werking in de tijd

  • Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening

  • Aanpassingsdecreet 2009

  • Toepassing op de handhavingsprocedures

  • Herstelvordering