- Arrest van 22 mei 2012

22/05/2012 - P.11.1936.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Er is geen schending van het beroepsgeheim wanneer de geneesheer zich terecht beroept op de noodtoestand waarin hij zich bevond (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1936.N

K E L D,

inverdenkinggestelde,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, en mr. Philip Traest, advocaat bij de balie te Brussel, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

AZ SINT-AUGUSTINUS RPR ANTWERPEN vzw, met zetel te 2610 Wilrijk, Sint-Augustinuslaan 20,

burgerlijke partij,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 20 oktober 2011.

De eiser voert in een memorie, die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft op 20 april 2012 ter griffie een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest verklaart het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer niet ontvankelijk in zoverre deze uitspraak doet over het bestaan van bezwaren en de eiser naar de correctionele rechtbank verwijst. Aldus neemt de kamer van inbeschuldigingstelling geen eindbeslissing en doet het geen uitspraak in een der gevallen bedoeld in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

In zoverre tegen die beslissingen gericht, is het cassatieberoep niet ontvankelijk.

Middel

Eerste onderdeel

2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 458 Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat het beroepsgeheim van zowel de huisarts van de patiënt als deze van de hoofdarts van het ziekenhuis aan wie die huisarts melding heeft gemaakt van de feiten, niet is geschonden; het stelt vast dat die artsen de feiten hebben medegedeeld aan niet-artsen, met name directieleden van het ziekenhuis; de regel dat het verbod van bekendmaking als bedoeld in artikel 458 Strafwetboek, niet kan worden uitgebreid tot feiten waarvan de patiënt van de geheimhouder het slachtoffer zou zijn, is een uitzondering op de verplichting tot geheimhouding en dient strikt te worden uitgelegd; deze regel is enkel van toepassing op de bekendmaking van dergelijke feiten aan het openbaar ministerie.

3. Het onderdeel, al was het gegrond, kan niet tot cassatie leiden vermits de in dit onderdeel bekritiseerde beslissing dat er geen schending is van het beroepsgeheim, tevens wordt verantwoord door de in het zevende onderdeel vergeefs aangevochten zelfstandige reden dat de geneesheren zich terecht beroepen op de noodtoestand waarin zij zich bevonden.

Het onderdeel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 131, 135 en 235bis Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt, enerzijds, dat de verplichting om het beroepsgeheim te bewaren niet zou gelden daar het gaat om feiten waarvan de patiënt het slachtoffer zou zijn, anderzijds, dat de artsen zich terecht op de noodtoestand beroepen daar er geen andere weg was om het imminent ernstig en dringend gevaar voor andere patiënten te beschermen; aldus is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd.

5. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing voor het onderzoeksgerecht dat, zoals hier, geen uitspraak doet over de gegrondheid van de strafvordering.

In zoverre het onderdeel schending van die grondwettelijke bepaling aanvoert, faalt het naar recht.

6. Het is niet tegenstrijdig te oordelen dat het beroepsgeheim niet geldt voor feiten waarvoor de patiënt het slachtoffer is geweest en dat de artsen zich bovendien terecht beroepen op de noodtoestand.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 458 Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de arts aan dewelke de huisarts van de patiënt melding maakte van de feiten en die deze feiten op zijn beurt heeft medegedeeld aan de directie van de verweerster, het beroepsgeheim niet heeft geschonden; de regel dat het verbod van bekendmaking als bedoeld in artikel 458 Strafwetboek niet kan uitgebreid worden tot feiten waarvan de patiënt het slachtoffer zou zijn, betekend enkel dat die feiten aan de rechterlijke overheid mogen worden gemeld.

8. Het onderdeel heeft dezelfde strekking als het eerste onderdeel en is om de redenen vermeld in het antwoord op dat onderdeel niet ontvankelijk.

Vierde onderdeel

9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering: alhoewel daartoe gevraagd, onderzoekt het arrest niet of de hoofdarts van het ziekenhuis aan wie de huisarts van de patiënt melding heeft gemaakt van de feiten gedekt door het beroepsgeheim, dit beroepsgeheim heeft geschonden tijdens zijn verhoor door de politiediensten waarin hij de naam van patiënten alsmede gezondheidsgegevens heeft bekendgemaakt; dergelijke verklaring is geen getuigenis afgelegd voor de rechtbank als bedoeld in artikel 458 Strafwetboek.

10. Het arrest oordeelt dat:

- het beroepsgeheim niet kan worden uitgebreid tot feiten waarvan de patiënt het slachtoffer is geweest;

- de artsen zich bovendien terecht beroepen op de noodtoestand;

- er geen relatie arts-patiënten was tussen dr. V L en de patiënten die zich vrijwillig tot hem hebben gericht met hun klachten zodat hij niet was gehouden door enig beroepsgeheim;

- mocht er enig beroepsgeheim hebben bestaan, wat niet het geval is, die patiënten dr. V L daarvan ontslagen hebben en hij handelde vanuit een noodtoestand.

11. Aldus gaat het arrest na of dr. V L zijn beroepsgeheim heeft geschonden wanneer hij de namen van de patiënten die over eisers handelswijze klachten hadden, tijdens zijn verhoor door de politie heeft medegedeeld, en onderzoekt het de regelmatigheid van het daardoor verkregen bewijs.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Vijfde onderdeel

12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 458 Strafwetboek en artikel 7 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens (hierna Wet Verwerking Persoonsgegevens): het arrest oordeelt ten onrechte dat de hoofdgeneesheer dr. V L, tot wie de patiënten zich vrijwillig hebben gewend, niet gehouden was door enig beroepsgeheim daar hij geen vertrouwensrelatie had met die patiënten; het gebrek aan vertrouwensrelatie brengt met zich niet mee dat de arts niet gehouden is door het beroepsgeheim; aldus heeft deze arts persoonsgegevens verwerkt als bedoeld in de Wet Verwerking Persoonsgegevens.

13. Het arrest oordeelt dat het beroepsgeheim niet kan worden uitgebreid tot feiten waarvan de patiënt het slachtoffer zou zijn en dat dr. V L handelde vanuit een noodtoestand. Die redenen dragen de beslissing dat het beroepsgeheim niet is geschonden.

In zoverre het aanvoert dat het arrest uit de afwezigheid van een vertrouwensrelatie ten onrechte de afwezigheid van een beroepsgeheim afleidt, komt het onderdeel op tegen een overtollige reden en is het niet ontvankelijk.

14. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser voor de kamer van inbeschuldigingstelling heeft aangevoerd dat artikel 7 Wet Verwerking Persoonsgegevens is geschonden.

In zoverre is het middel nieuw, mitsdien evenmin ontvankelijk.

Zesde onderdeel

15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 458 Strafwetboek: het arrest oordeelt dat zelfs indien dr. V L door het beroepsgeheim zou zijn gehouden, de betrokkenen hem van zijn beroepsgeheim hebben ontslagen en hij handelde vanuit een noodtoestand; aldus gaat het arrest ervan uit dat de patiënt zijn arts van het beroepsgeheim kan ontslaan zonder daar enige voorwaarde aan te verbinden; nochtans kan een patiënt zijn arts niet ontslaan van zijn beroepsgeheim.

16. Het arrest oordeelt dat het beroepsgeheim niet kan worden uitgebreid tot feiten waarvan de patiënt het slachtoffer zou zijn en dat dr. V L handelde vanuit een noodtoestand. Die redenen dragen de beslissing dat het beroepsgeheim niet is geschonden.

Het onderdeel komt op tegen een overtollige reden en is niet ontvankelijk.

Zevende onderdeel

17. Het onderdeel voert miskenning aan van het wettelijk begrip "noodtoestand": het arrest oordeelt ten onrechte dat de artsen zich op de noodtoestand konden beroepen, met name de bescherming van de andere patiënten en dat dit recht een hoger belang uitmaakte; het arrest gaat evenwel niet na of er andere middelen voorhanden waren om het ernstig en dringend gevaar voor andere patiënten af te weren, waaronder de aangifte aan de rechterlijke overheid; aldus miskennen zij het begrip "noodtoestand"; de enige weg om een dreigend gevaar te voorkomen was de mededeling van de feiten aan de gerechtelijke overheid.

18. Het arrest oordeelt: "Bovendien beroepen dokter Branders en dokter V L zich terecht op de noodtoestand waarin ze zich bevonden. Er stond hen geen andere weg open om het bestaand imminent ernstig en dringend gevaar voor andere patiënten die een hoger belang uitmaakten, dan het individuele beroepsgeheim te schenden." Aldus onderzoekt het arrest of er andere middelen voorhanden waren om het dreigend gevaar af te weren, waaronder een aangifte aan de gerechtelijke overheid, om daaruit te besluiten dat er voor de betrokken artsen geen andere weg openstond dan deze waarvoor ze hebben geopteerd.

Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

19. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 110,42 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Paul Maffei, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Alain Bloch, Peter Hoet en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 22 mei 2012 uitgesproken door waarnemend voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Geneesheer

  • Noodtoestand