- Arrest van 22 mei 2012

22/05/2012 - P.11.1735.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De partijen bij de boedelbeschrijving hebben de verplichting elk goed aan te geven waarvan het bestaan een invloed zou kunnen hebben op de samenstelling van het gemeenschappelijk vermogen; geen wetsbepaling voorziet erin dat geen aangifte moet worden gedaan van goederen waarvan andere bij de boedelbeschrijving betrokken personen reeds op de hoogte zijn (1). (1) Cass. 28 feb. 2012, AR P.11.0925.N, AC 2012, nr. 137.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1735.N

A M J B,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Raf Verstraeten, advocaat bij de balie te Brussel,

tegen

C B,

burgerlijke partij,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 20 september 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. De eiser is voor het hem ten laste gelegde feit A.2 vrijgesproken.

De burgerlijke rechtsvordering van de verweerster is ongegrond verklaard in zoverre zij gesteund is op de telastlegging A.2.

Het cassatieberoep tegen die beslissingen is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Eerste middel

Eerste onderdeel

2. Het onderdeel voert miskenning aan van de regels inzake het bewijs in strafzaken, in het bijzonder het rechtsbegrip "feitelijk vermoeden": de eiser had in appelconclusie aangevoerd dat hij op het ogenblik van de boedelbeschrijving geen kennis had van twee schenkingen van 10.000 euro en 5.000 euro omdat zijn moeder hem daarvan nooit op de hoogte had gesteld; de appelrechters gronden hun oordeel dat de eiser op het ogenblik van de boedelbeschrijving wel kennis had van die schenkingen, op een feitelijk vermoeden dat op zijn beurt gegrond is op een feitelijk vermoeden; aldus is de bewezenverklaring van het feit 1 van de telastlegging A.1 niet naar recht verantwoord.

3. Wanneer de wet in strafzaken geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, zoals hier, beoordeelt de rechter onaantastbaar in feite de bewijswaarde van de hem regelmatig overgelegde gegevens waarop hij zijn overtuiging grondt en waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren.

Het Hof gaat enkel na of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.

4. De appelrechters stellen onaantastbaar vast en overwegen dat:

- de eiser verklaarde dat hij vermoedt dat zijn moeder deze storting heeft gedaan uit erkentelijkheid omdat hij veel voor haar deed;

- N B bevestigde dat de eiser voor zijn moeder veel gedaan heeft;

- het vertrouwen tussen de eiser en zijn moeder zeer groot was, wat blijkt uit het feit dat hij in tegenstelling tot zijn zuster op de hoogte was van de code van de bankkluis van zijn moeder;

- wanneer een ouder uit erkentelijkheid een bedrag schenkt aan haar kind, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid mag worden aangenomen dat het kind daarvan voorafgaandelijk door de ouder zal worden ingelicht;

- de moeder de geldsommen heeft overgeschreven op een rekening die door de eiser nauwelijks gebruikt werd en waarvan hij zelfs laat uitschijnen dat hij het bestaan ervan uit het oog was verloren;

- zij er niet aan twijfelen dat de moeder het rekeningnummer heeft verkregen van de eiser met het oog op de in het vooruitzicht gestelde overschrijvingen.

Aldus trekken de appelrechters uit die zekere en precieze vermoedens die versterkt zijn door overeenstemmende elementen, geen gevolgen die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen verantwoord worden en miskennen zij het begrip "feitelijk vermoeden" niet.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 226, tweede lid, Strafwetboek: in de mate het arrest met miskenning van de bewijsregels in strafzaken, in het bijzonder het rechtsbegrip "feitelijk vermoeden", dit feitelijk vermoeden heeft afgeleid uit een ander feitelijk vermoeden, is de bewezenverklaring van het feit 1 van de telastlegging A.1 niet naar recht verantwoord.

6. Het onderdeel is geheel afgeleid uit de in het eerste onderdeel tevergeefs aangevoerde miskenning van het rechtsbegrip "feitelijk vermoeden".

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Tweede middel

7. Het middel voert schending aan van artikel 1183, 11°, Gerechtelijk Wetboek en artikel 226, tweede lid, Strafwetboek: de eiser betwistte in zijn appelconclusie dat hij op grond van artikel 1183, 11°, Gerechtelijk Wetboek de wettelijke plicht zou hebben gehad om in de boedelbeschrijving melding te maken van de schenking die niet hijzelf, maar wel zijn dochter had ontvangen en die hij nooit in zijn bezit heeft gehad; het arrest vertrekt van een onjuiste invulling van de verklaringen die op grond van vermelde wetsbepaling moeten gebeuren en van een onjuiste invulling van het wettelijk begrip "valse" eed; aldus is de bewezenverklaring van het feit 2 van de telastlegging A.1 niet naar recht verantwoord.

8. Artikel 1183, 11°, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat behalve de formaliteiten die gemeen zijn aan alle notariële akten, de boedelbeschrijving ook de eed bevat van degenen die in het bezit geweest zijn van de voorwerpen of die de plaatsen bewoond hebben, dat zij niets hebben verduisterd, en dat zij van zodanige verduistering geen kennis dragen.

9. De boedelbeschrijving die wordt opgesteld naar aanleiding van een nalatenschap, heeft tot doel de omvang van die nalatenschap vast te stellen; de partijen bij de boedelbeschrijving hebben de verplichting elk goed aan te geven waarvan het bestaan onbekend zou kunnen blijven en dat een invloed kan hebben op de samenstelling van de nalatenschap.

Onder verduistering, in de zin van artikel 1183, 11°, Gerechtelijk Wetboek, moet worden verstaan iedere daad of iedere nalatigheid die ertoe strekt een goed te onttrekken aan de boedel van de nalatenschap.

Wanneer door de erflater aan een derde een handgift werd gedaan, zal niet alleen die derde, in zoverre hij betrokken is bij de boedelbeschrijving, maar ook een andere erfgenaam die op de hoogte is van de handgift aan die derde, hiervan opgave dienen te verrichten.

In zoverre het middel ervan uitgaat dat de partij bij een boedelbeschrijving die kennis draagt van een verduistering door een derde waarvan hij geen opgave doet, zich slechts schuldig kan maken aan een valse eed wanneer hij zelf voordien in het bezit is geweest van die verduisterde goederen, faalt het naar recht.

10. De appelrechters overwegen dat:

- de eiser die ooit in het bezit geweest is van bepaalde goederen van de te inventariseren boedel, behoort tot de personen aan wie de eed bij de boedelbeschrijving wordt opgelegd;

- de verplichting elk goed aan te geven waarvan het bestaan onbekend zou kunnen blijven in geval van niet-aangifte, de eiser niet onbekend kon zijn, temeer daar hij zich door een raadsman liet bijstaan;

- de eiser bij de boedelbeschrijving, ook in afwezigheid van zijn dochter, melding diende te maken van de handgift van 71.000 euro die zijn dochter in 2003 had ontvangen van wijlen zijn moeder, maar naliet wetens en willens om zulks te doen hoewel hij daarvan kennis had.

Aldus verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 85,34 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Paul Maffei, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Alain Bloch, Peter Hoet en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 22 mei 2012 uitgesproken door waarnemend voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Boedelbeschrijving

  • Verplichtingen van partijen

  • Aangifte goederen waarvan andere partijen op de hoogte zijn