- Arrest van 22 mei 2012

22/05/2012 - P.11.1808.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer, ingeval de strafvordering tegen een rechtspersoon en tegen degene die bevoegd is om de rechtspersoon te vertegenwoordigen wordt ingesteld wegens dezelfde of samenhangende feiten, door de rechtbank een lasthebber ad hoc is aangewezen om de rechtspersoon te vertegenwoordigen, is uitsluitend deze lasthebber ad hoc bevoegd om namens deze rechtspersoon, in diens hoedanigheid van beklaagde, rechtsmiddelen, met inbegrip van cassatieberoep, aan te wenden tegen de beslissingen over de tegen deze rechtspersoon ingestelde strafvordering (1). (1) Cass. 26 sept. 2006, AR P.05.1663.N, AC 2006, nr. 435, met concl. advocaat-generaal Vandewal.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1808.N

I

1. F P M E P,

beklaagde,

2. B L J M F,

beklaagde,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie.

II

LOWLAND nv, met zetel te 8421 De Haan (Vlissegem), Bredeweg 96,

beklaagde,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie,

beiden tegen

GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, bevoegd voor het grondgebied van de provincie West-Vlaanderen, optredend namens het Vlaams Gewest, met kantoor te 8000 Brugge, Werkhuisstraat 9,

eiser tot herstel,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 7 oktober 2011.

De eisers I en de eiseres II voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Alain Bloch heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eiseres II

1. Artikel 2bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt: "Ingeval de strafvordering tegen een rechtspersoon en tegen degene die bevoegd is om de rechtspersoon te vertegenwoordigen, wordt ingesteld wegens dezelfde of samenhangende feiten, wijst de rechtbank die bevoegd is om kennis te nemen van de strafvordering tegen de rechtspersoon, ambtshalve of op verzoekschrift, een lasthebber ad hoc aan om deze te vertegenwoordigen."

2. Wanneer een lasthebber ad hoc door de rechtbank is aangewezen om een rechtspersoon te vertegenwoordigen, is uitsluitend deze lasthebber ad hoc bevoegd om namens deze rechtspersoon rechtsmiddelen, met inbegrip van cassatieberoep, aan te wenden tegen de beslissingen over de tegen deze rechtspersoon ingestelde strafvordering.

3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat bij beslissing van de correctionele rechtbank te Brugge van 27 januari 2004 mr. Lammens werd aangesteld als lasthebber ad hoc voor de eiseres II. Uit die stukken blijkt niet dat mr. Lammens van zijn mandaat werd ontheven.

4. Op 18 oktober 2011 werd door mr. Nathalie De Jonghe, advocaat te Gent, in de plaats van mr. Drik Van Heuwen, advocaat te Kortrijk, ter correctionele griffie van het hof van beroep te Gent verschenen om namens de eiseres II cassatieberoep in te stellen als beklaagde.

5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat het cassatieberoep voor de eiseres II werd ingesteld door of namens de lasthebber ad hoc.

Het cassatieberoep van de eiseres II is derhalve niet ontvankelijk.

Middel in zoverre aangevoerd door de eiseres II

6. Het middel dat geen betrekking heeft op de ontvankelijkheid van het cassatieberoep behoeft geen antwoord.

Middel in zoverre aangevoerd door de eisers I

Eerste onderdeel

7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de motieven zijn tegenstrijdig omdat het arrest enerzijds oordeelt dat het verzet regelmatig naar de vorm werd ingesteld en anderzijds het verzet onontvankelijk verklaart omdat de substantiële vormvereiste van de betekening aan het openbaar ministerie niet werd nageleefd.

8. Met het oordeel dat het verzet tijdig en regelmatig naar vorm werd ingesteld, geven de appelrechters te kennen dat het rechtsmiddel binnen de wettelijk bepaalde termijn is ingesteld en dat de wettelijk voorgeschreven vorm is gerespecteerd. Uit dat oordeel volgt niet dat het verzet ook werd betekend aan de door artikel 187, vierde lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde personen.

De aangevoerde tegenstrijdigheid bestaat niet.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de motieven zijn tegenstrijdig omdat het arrest enerzijds oordeelt dat de herstelmaatregel noch ambtshalve door het openbaar ministerie kan worden gevorderd, noch ambtshalve door de rechter kan worden uitgesproken en anderzijds dat deze een verplichte aanvulling is op de strafrechtelijke veroordeling.

10. Het is niet tegenstrijdig eensdeels te oordelen dat de herstelmaatregel een verplichte aanvulling is op de strafrechtelijke veroordeling en anderdeels dat de herstelvordering noch ambtshalve door het openbaar ministerie kan worden gevorderd noch ambtshalve door de rechter kan worden uitgesproken.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

11. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6.1.41, § 1, § 4 en § 5, en 6.1.43 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (voorheen de artikelen 149 en 151 Stedenbouwdecreet 1999), artikel 44 Strafwetboek en de artikelen 151 en 187, vierde lid, Wetboek van Strafvordering: het verzet moet betekend worden aan de titularis van de vordering die het voorwerp ervan uitmaakt; de herstelvordering inzake stedenbouw is van burgerrechtelijke aard, strekt tot herstel van de ruimtelijke ordening en behoort toe aan de stedenbouwkundig inspecteur en het college van burgemeester en schepenen; wanneer het verzet uitsluitend gericht is tegen de beslissing over de herstelvordering moet ze uitsluitend betekend worden aan deze administratieve overheden; ten onrechte beschouwt het arrest de herstelvordering als de verplichte aanvulling van de strafrechtelijk veroordeling en oordeelt het dat het verzet aan het openbaar ministerie moest worden betekend om geldig te zijn.

12. Artikel 6.1.41, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (voorheen artikel 149, § 1, Stedenbouwdecreet 1999), bepaalt dat de rechtbank naast de straf de in dat artikel vermelde herstelmaatregelen kan bevelen. Dit gebeurt op vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of het college van burgemeester en schepenen. De herstelvordering wordt volgens artikel 6.1.41, § 4, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (voorheen artikel 149, § 2, Stedenbouwdecreet 1999) bij het parket ingeleid bij gewone brief.

13. Het openbaar ministerie is krachtens artikel 138bis Gerechtelijk Wetboek bevoegd om de door de administratieve overheden per brief geformuleerde herstelvordering voor de strafrechter uit te oefenen, inclusief het aanwenden van rechtsmiddelen, zelfs als de administratieve overheden zich als procespartij hebben gemanifesteerd.

14. De beslissing van de strafrechter over een door de bevoegde administratieve overheid ingestelde herstelvordering valt onder de strafvordering, niettegenstaande het burgerlijk karakter van de maatregel.

Bijgevolg moet het verzet tegen een verstekbeslissing van de strafrechter over de herstelvordering aan het openbaar ministerie worden betekend.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten in het geheel op 124,60 euro waarvan de eisers I en de eiseres II elk 62,30 euro verschuldigd zijn.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Paul Maffei, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Alain Bloch, Peter Hoet en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 22 mei 2012 uitgesproken door waarnemend voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Rechtspersoon

  • Vertegenwoordiging

  • Lasthebber ad hoc

  • Bevoegdheid